Rechtbank Amsterdam past HR-kader toe en wijst alle getuigenverzoeken af in ontnemingszaken Delos

Rechtbank Amsterdam 3 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3799 en ECLI:NL:RBAMS:2026:3800

De rechtbank Amsterdam wijst op 3 april 2026 in twee parallelle ontnemingsprocedures uit het onderzoek Delos alle getuigenverzoeken integraal af. Onder toepassing van het door de Hoge Raad ontwikkelde kader (HR:2010:BK3424, HR:2021:1749 en HR:2022:147) stelt de rechtbank vast dat de toewijzing van getuigen in het hoger beroep van de strafzaak niet zonder meer meebrengt dat dezelfde getuigen in de ontneming moeten worden gehoord. De verdediging moet concreet onderbouwen welke onderdelen van de ontnemingsrapportage de getuige kan raken en hoe diens verklaring de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan beïnvloeden. Bij gebreke van die specifieke onderbouwing worden zowel de drugs- als de witwasgerelateerde verzoeken afgewezen. Het voorwaardelijk aanhoudingsverzoek van de waarnemend raadsvrouw wijst de rechtbank eveneens af.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Post-Jaddoe en artikel 81 RO: de AG spreekt, de Hoge Raad zwijgt

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:675

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een hoofdagent van de Politie Eenheid Rotterdam die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), schending van ambtsgeheim (artikel 272 Sr) en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine (artikel 2 onder C Opiumwet). De inhoudelijke meerwaarde zit in de conclusie van advocaat-generaal Van Kampen, die de afdoening op artikel 81, eerste lid, RO uitdrukkelijk positioneert ten opzichte van het post-Jaddoe-arrest (HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40) en HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110: een vrijspraak in eerste aanleg staat volgens haar niet in de weg aan een afdoening op artikel 81 RO wanneer die vrijspraak louter berust op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging en de feitelijke gedragingen wel zijn vastgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Te laat is niet te laat: Hoge Raad fluit hof terug bij afwijzing getuigenverzoek

Hoge Raad 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:502

De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wegens een onbegrijpelijke afwijzing van een getuigenverzoek bij mishandeling. Het hof toetst het verzoek tot het horen van de aangeefster en een getuige aan het noodzakelijkheidscriterium en wijst het af, maar gaat daarbij voorbij aan het post-Keskin-kader uit HR:2021:576 en de voorwaarden uit HR:2025:1519. De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten nagaan of de procedure als geheel voldoet aan artikel 6 EVRM, nu belastende verklaringen voor het bewijs zijn gebruikt zonder dat de verdediging de getuigen heeft kunnen ondervragen. De zaak is teruggewezen voor een nieuwe behandeling van de mishandeling en de strafoplegging.

Read More
Print Friendly and PDF ^

AG: instemming met niet-horen van demente getuige is geen afstand van ondervragingsrecht

A-G Aben concludeert dat het gerechtshof 's-Hertogenbosch ten onrechte heeft aangenomen dat de verdediging het ondervragingsrecht heeft prijsgegeven ten aanzien van een belastende getuige die aan dementie lijdt. De raadsman had laten weten dat de getuige vanwege zijn gezondheidstoestand niet meer zinvol kon worden gehoord, maar dat is volgens de A-G geen vrijwillige en ondubbelzinnige waiver in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof had daarom de driestappentoets moeten doorlopen om te beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen. De A-G vergelijkt de situatie met het overlijden van een getuige: in beide gevallen kan van de verdediging niet worden verwacht dat zij een onmogelijk geworden verhoor nogmaals verzoekt. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing, al merkt de A-G op dat de verklaring van de getuige binnen de bewijsconstructie weinig gewicht lijkt te hebben.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Getuigenverklaring zonder ondervraging toch bruikbaar: Hoge Raad bevestigt ruime compensatiemogelijkheden na Keskin

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220

De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel van een minderjarige op grond van artikel 273f lid 1 onder 2°, 3°, 5° en 9° Sr en krijgt negentien maanden gevangenisstraf. De aangeefster kan door de verdediging niet worden ondervraagd omdat zij onvindbaar is, terwijl haar verklaring beslissend is voor het bewijs. Het hof oordeelt dat voldoende compenserende factoren bestaan, waaronder kritisch politieverhoor, steunbewijs uit telecomgegevens en het horen van ouders en voogd. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de betrouwbaarheid van haar verklaring zorgvuldig onderzocht in samenhang met het overige bewijs. Het oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen is juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^