Te laat is niet te laat: Hoge Raad fluit hof terug bij afwijzing getuigenverzoek

Hoge Raad 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:502

De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wegens een onbegrijpelijke afwijzing van een getuigenverzoek bij mishandeling. Het hof toetst het verzoek tot het horen van de aangeefster en een getuige aan het noodzakelijkheidscriterium en wijst het af, maar gaat daarbij voorbij aan het post-Keskin-kader uit HR:2021:576 en de voorwaarden uit HR:2025:1519. De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten nagaan of de procedure als geheel voldoet aan artikel 6 EVRM, nu belastende verklaringen voor het bewijs zijn gebruikt zonder dat de verdediging de getuigen heeft kunnen ondervragen. De zaak is teruggewezen voor een nieuwe behandeling van de mishandeling en de strafoplegging.

Achtergrond

Deze zaak draait om een incident in een weiland waarbij de verdachte, een natuurlijk persoon (geboren in 1986), de aangeefster zou hebben geslagen. De verdachte is op 22 september 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens mishandeling in de zin van artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (feit 1) en wegens opzettelijke vernieling in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (feit 2). Het hof legt een taakstraf op van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Daarnaast wijst het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en legt het een schadevergoedingsmaatregel op.

De aangeefster heeft verklaard dat zij voelde dat de verdachte met de vlakke hand tegen haar achterhoofd en haar linkeroor kwam, en dat dit haar pijn deed. Ter ondersteuning van haar verklaring zijn twee foto's in het dossier opgenomen. Getuige G1 verklaart een "schermutseling" te hebben gezien en dat de verdachte iets in het water gooide, maar specificeert niet nader wat hij met "schermutseling" bedoelt. Een tweede getuige, G2, verklaart een woordenwisseling te hebben gehoord en de verdachte een beweging te hebben zien maken alsof hij iets weggooide.

De verdachte ontkent dat hij de aangeefster heeft geslagen. De verdediging voert aan dat het letsel (een rood oor) ook een andere oorzaak kan hebben, zoals kou of stress, en schetst een alternatief scenario. In dat scenario heeft de verdachte het oor van de aangeefster mogelijk geraakt toen hij haar telefoon afpakte, maar ontbreekt opzet op het toebrengen van pijn. De verdediging stelt dat de verklaring van getuige G1 in beide scenario's past en dat bij het alternatieve scenario geen opzet op mishandeling kan worden bewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2023 doet de verdediging een voorwaardelijk verzoek: als het hof komt tot een bewezenverklaring waarbij de verklaringen van de aangeefster en getuige G1 voor het bewijs worden gebruikt, wil de verdediging beiden als getuige horen.

Middel

Namens de verdachte stellen de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een cassatiemiddel voor. Het middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de aangeefster en getuige G1 niet verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof wijst het verzoek af en toetst daarbij aan het noodzakelijkheidscriterium, omdat niet binnen twee weken na het instellen van het hoger beroep een appelschriftuur met getuigenverzoeken is ingediend. Het hof overweegt dat de verdediging het verzoek zeer beperkt heeft onderbouwd, dat de voorhanden processtukken voldoende duidelijk zijn en dat de noodzaak tot het horen van de getuigen ontbreekt. Daarnaast oordeelt het hof dat de verdediging in een eerdere onderzoeksfase had moeten verzoeken tot het horen van de getuigen en niet pas bij de inhoudelijke behandeling.

Het hof onderbouwt dit tijdigheidsargument door te wijzen op het procesverloop. De zaak is op 20 mei 2022 behandeld door de politierechter in aanwezigheid van de raadsvrouw. Op 23 mei 2022 is hoger beroep ingesteld zonder appelschriftuur. Op een rolzitting van 10 oktober 2022 volstaat de raadsvrouw met een toelichting op het doel van het hoger beroep zonder onderzoekswensen op te geven. Vervolgens is de zaak tweemaal aangehouden op verzoek van de verdediging, wegens verhindering van de raadsman en ziekte van de verdachte, zonder dat bij die gelegenheden getuigenverzoeken zijn ingediend. Ook in aanloop naar de inhoudelijke behandeling zijn geen verzoeken ingediend. Gevraagd naar de reden voor het late verzoek geeft de raadsvrouw als verklaring dat vrijspraak hoe dan ook was aangewezen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is. Aan het verzoek is immers ten grondslag gelegd dat de verdachte het tenlastegelegde betwist en dat de eerder afgelegde verklaringen van de aangeefster en getuige G1 een belastende strekking hebben. De Hoge Raad wijst erop dat zowel de rechtbank als het hof de bewezenverklaring mede hebben aangenomen op grond van die door de verdachte betwiste verklaringen, zonder dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuigen te ondervragen. Het hof heeft daarbij niet ervan blijk gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar zijn arrest van 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576), het zogenoemde post-Keskin-arrest, waarin het toetsingskader voor het gebruik van belastende getuigenverklaringen nader is uitgewerkt.

Ten aanzien van het tijdigheidsargument van het hof oordeelt de Hoge Raad dat de stukken niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken meer te hebben. Evenmin blijkt dat aan de verdediging in een eerder stadium van de appelfase uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had, waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en dat op die vraag door de verdediging niet is gereageerd. De Hoge Raad verwijst hier naar zijn arrest van 14 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1519), rechtsoverwegingen 3.4 tot en met 3.7.3, waarin de voorwaarden zijn geformuleerd waaronder het niet eerder indienen van getuigenverzoeken de verdediging kan worden tegengeworpen. Ook in zoverre is het oordeel van het hof niet begrijpelijk.

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde (de mishandeling) en de strafoplegging. De aan de verdachte wegens het onder 2 bewezenverklaarde opgelegde schadevergoedingsmaatregel blijft in stand. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om ten aanzien van de vernietigde onderdelen opnieuw te worden berecht en afgedaan. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

De beslissing van de Hoge Raad bevestigt het belang van de post-Keskin-rechtspraak: wanneer de verdediging betwist wat belastende getuigen hebben verklaard en die verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, moet het hof nagaan of de procedure als geheel eerlijk is verlopen. Het enkele feit dat een getuigenverzoek laat in de procedure wordt gedaan, rechtvaardigt de afwijzing ervan niet zonder meer, tenzij aan de specifieke voorwaarden uit HR:2025:1519 is voldaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^