Consultatie Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn

Op 5 juli 2016 is de concept Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn ter consultatie aangeboden. Het concept wetsvoorstel strekt tot implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en tot het geven van uitvoering aan Verordening informatie bij geldovermakingen. De richtlijn dient op 26 juni 2017 in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd te zijn. Dit is ook de datum waarop de verordening van toepassing wordt. 

Achtergrond

De richtlijn is de vierde richtlijn waarmee op Europees niveau wordt beoogd het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme aan te pakken. De richtlijn vervangt de derde anti-witwasrichtlijn en vult het bestaande instrumentarium op dit terrein verder aan. In Nederland zijn deze regels opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Eerdere richtlijnen

De eerste richtlijn, richtlijn 91/308/EG richtte zich met name op witwassen in termen van drugsmisdrijven en bevatte uitsluitend verplichtingen voor de financiële sector. Dit toepassingsbereik werd met de tweede richtlijn, richtlijn 2001/97/EG uitgebreid, zowel voor wat betreft strafbare feiten als ten aanzien van categorieën beroepen en personen die onder de verplichtingen van de richtlijn kwamen te vallen. De uitbreiding van de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: FATF) in juni 2003 vormde aanleiding voor de derde anti-witwasrichtlijn, richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en een uitvoeringsrichtlijn, richtlijn 2006/70/EG van de Europese Commissie. De derde anti-witwasrichtlijn richtte zich, conform de FATF-aanbevelingen, ook op het financieren van terrorisme, bevatte aangescherpte regels met betrekking tot identificatie en de verificatie van de identiteit van de cliënt en schreef voor dat, afhankelijk van het risico op witwassen of financieren van terrorisme in een concreet geval, een verscherpt of vereenvoudigd cliëntenonderzoek moet of kan worden verricht. De onderhavige vierde richtlijn vervangt de derde anti-witwasrichtlijn en vult het bestaande instrumentarium om witwassen en financieren van terrorisme tegen te gaan verder aan. In de richtlijn zijn de aanpassingen van de aanbevelingen van FATF (de herziene FATF-aanbevelingen) uit 2012 verwerkt.

Inhoud richtlijn

De richtlijn bestendigt de twee kernverplichtingen van de Wwft, te weten de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid. Daarbij wordt meer dan voorheen uitgegaan van een risico gebaseerde benadering. Het toepassingsbereik van de richtlijn is voorts uitgebreid naar nieuwe categorieën instellingen, te weten de aanbieders van kansspeldiensten en personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen in het geval daarbij contante betalingen worden gedaan of ontvangen van €10.000,- of meer.

Daarnaast introduceren zowel de richtlijn, als de verordening een kader voor het bestuursrechtelijk sanctioneren van overtredingen van bepalingen ter implementatie van de richtlijn en bepalingen uit de verordening.

De richtlijn verplicht lidstaten ook om een centraal register voor uiteindelijk belanghebbenden (UBO-register) in te richten. Dit zal middels een afzonderlijk wetsvoorstel gebeuren, dat op een later moment zal worden geconsulteerd.

Doelgroep

Verwacht wordt dat onder meer de volgende instellingen geraakt worden door de regeling:

Banken, betaalinstellingen, beleggingsondernemingen, beleggingsinstellingen, elektronischgeldinstellingen, wisselinstellingen, verzekeraars, belastingadviseurs, accountants, advocaten, notarissen, trustkantoren, handelaren in grootwaarde, makelaars, kansspelaanbieders, taxateurs en pandhuizen.

 

Voor meer informatie: 

 

Zie ook: 

 

Print Friendly and PDF ^

Hawala-bankieren: Vrijspraak witwassen, veroordeling voor medeplegen art. 2:3a Wft.

Rechtbank Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4867 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van illegale geldtransacties. De verdachte heeft gedurende een half jaar veelvuldig grote contante geldbedragen buiten het formele geldcircuit verplaatst, uitbetaald of ontvangen. De verdachte heeft samen met anderen de voornoemde geldtransfers bedrijfsmatig als betaaldienstverlener verricht zonder te beschikken over een daartoe door de Nederlandse Bank verleende vergunning, dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling. De verdachte heeft zich zodoende onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht.

Verdachte heeft voorts ongeveer 95 gram hasjiesj voorhanden gehad. Hasjiesj is een voor de volksgezondheid schadelijke stof en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst.

Feiten 1 en 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met anderen meerdere geldbedragen krachtens (gewoonte)witgewassen. In de voornoemde periode heeft de verdachte dertien keer geld overgedragen en een substantieel geldbedrag voorhanden gehad in zijn woning in het kader van een criminele vorm van Hawala-bankieren. De feiten en omstandigheden in deze zaak en de werkwijze met betrekking tot het bankieren zijn zodanig dat kan worden geoordeeld dat het geld van voorafgaande misdrijven afkomstig is. De verdachten maakten gebruik van versluierende taal en op de handelingen die in deze zaak zijn waargenomen, zijn verschillende FATF typologieën van toepassing. De verdachte heeft daar geen enkele, laat staan verifieerbare, verklaring omtrent de herkomst van het geld tegenovergesteld. Voorts kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, strafbaar gesteld op grond van de Wet financieel toezicht. De verdachte brengt en haalt zelf geld. Bij hem thuis is een token aangetroffen van een overdracht, die binnen de onderzoeksperiode valt. Dat duidt op zelf geld transporteren. Hij bemiddelde ook bij een tweetal transacties waarbij het daadwerkelijke ophalen of brengen door een ander, in casu medeverdachte 1 werd gedaan. Dan heeft hij de rol van onderbankier.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van vermogensbestanddelen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan in de zin van artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de jurisprudentie kan niet worden volstaan met de typologieën van witwassen, indien duidelijk is dat het transacties in het kader van Hawala-bankieren betreft. Het dossier bevat geen aanwijzing die wijst op een ander gronddelict, anders dan de betrokkenheid van cliënt als koerier bij het Hawala-bankieren, waaruit de gelden zouden zijn voortgevloeid. Tevens kan niet worden bewezen dat cliënt op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen.

Daarnaast is vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, nu de verdachte slechts als koerier heeft gewerkt en deze feitelijke gedraging onvoldoende is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte op het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Beoordeling rechtbank

‘van misdrijf afkomstig’

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier de schriftelijke weergave van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten bevindt met telefoonnummers die aan de verdachte en respectievelijk medeverdachte 1 worden toegeschreven. De gesprekken en berichten hebben een versluierend, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van ‘het toevertrouwde’, er worden nummers en adressen doorgegeven en soms worden kennelijk telefoonnummers van contactpersonen doorgegeven. Ook is er sprake van zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als legitimatie voor de afleveraars van de geldbedragen, zoals bij Hawala-bankieren gebruikelijk is. Tevens is gebleken dat door de verdachte met diverse contacten afspraken worden gemaakt die deels zijn geobserveerd, waarbij het vermoeden is ontstaan dat hierbij geldbedragen worden ontvangen of afgeleverd. De waarnemingen bij observaties op 14 november 2012 en 21 februari 2013 sluiten aan op de informatie in tapgesprekken en berichten. Op 14 november 2012 is na een overdracht een geldbedrag van 17.400 euro aangetroffen bij een medeverdachte, waarbij betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte medeverdachte 1 aannemelijk is. Tevens is bij een doorzoeking van de woning van de verdachte een geldbedrag van 99.860 euro aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als koerier ter zake van Hawala-bankieren geld van A naar B bracht. Tevens heeft hij verklaard dat het geld, dat tijdens de doorzoeking in zijn woning in beslag genomen is, de voorraad betreft die hij als koerier van Hawala-bankieren voorhanden had en niet zijn eigen geld betreft.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreet misdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de verdachte betrokken was bij het zogenoemde Hawala-bankieren. Voorts is het niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk dat hij het onder hem in beslag genomen geld uit dien hoofde voorhanden had. Gelet daarop en op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren is het enkele voorkomen van omstandigheden zoals hier aan de orde - wat er ook zij van een verschijningsvorm die doet denken aan voorbeelden uit de reeks witwas-typologieën - in dit geval onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met witwassen. Nu het dossier overigens geen op witwassen duidende aanwijzingen bevat die niet door verdachtes werkzaamheden binnen het Hawala-bankieren (kunnen) worden verklaard en niet is komen vast te staan dat de bij hem aangetroffen geldbedragen zien op mogelijke opbrengsten of verdiensten daaruit en evenmin is gebleken dat verdachte op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen uit strafbare feiten door anderen gepleegd dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Beoordeling van de rechtbank ten aanzien van feit 2

‘medeplegen’

Aan de verdachte wordt onder 2 verweten dat hij - tezamen en in vereniging met anderen - zonder vergunning betaaldiensten heeft verricht door geldtransacties en/of geldtransfers uit te voeren en/of gelden heeft ontvangen en/of beschikbaar gesteld en/of gehouden, namelijk ten aanzien van de geldbedragen opgenomen in het onder 2 ten laste gelegde.

Overdracht 26 september 2012

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten kwam naar voren dat de verdachte op 26 september 2012 een telefoonnummer ontving van zijn opdrachtgever in Marokko. De verdachte neemt contact op met dit telefoonnummer en maakt een afspraak met een NN-man. De verdachte stuurt medeverdachte 1 naar de ontmoeting met NN-man en laat de NN-man weten dat hij ‘het toevertrouwde moet geven’. NN-man heeft nummer ‘26’. Na de ontmoeting laat medeverdachte 1 aan de verdachte weten dat alles klopt, de verdachte rapporteert dit vervolgens weer terug naar zijn opdrachtgever in Marokko.

Overdacht 14 november 2012

Op 12 november 2012 werd verdachte gebeld door één van zijn Marokkaanse opdrachtgevers, genaamd opdrachtgever . opdrachtgever zei tegen verdachte dat hij woensdag gebeld zou worden door iemand aan wie hij 17.400 moet geven. Op 14 november 2012 werd verdachte gebeld door een NN-man, die later medeverdachte 2 genaamd bleek te zijn. De verdachte en medeverdachte 2 spraken af elkaar te ontmoeten in de adres . Tijdens observatie werd gezien dat verdachte in het voertuig van medeverdachte 2 plaatsnam. De verdachte belde vervolgens met opdrachtgever . Uit dat gesprek bleek dat verdachte dacht dat zijn contact "zou geven". opdrachtgever zei dat verdachte "moet geven". verdachte belde vervolgens naar medeverdachte 1 en zei dat medeverdachte 1 17.400 moet geven aan iemand die hij naar hem stuurt. Tijdens observatie werd gezien dat medeverdachte 2 een ontmoeting had met medeverdachte 1 in Nieuwegein. Beiden namen vervolgens korte tijd plaats in de auto van medeverdachte 1 , waarna beiden weer plaats namen in hun eigen auto. medeverdachte 1 belde vervolgens met verdachte en zei dat "hij hem het toevertrouwde heeft gegeven". medeverdachte 2 belde vervolgens met verdachte en zei dat het goed was; hij alleen biljetten van 20 had gekregen; hij het niet geteld had en het zo mee zou nemen. Kort hierna werd medeverdachte 2 op heterdaad aangehouden en werd in zijn auto een stoffen zak met 17.400 euro aangetroffen.

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten is gebleken dat ook bij de andere ten laste gelegde transacties de verdachte contact had met één van zijn opdrachtgevers in Marokko, de verdachte contact opneemt met een derde, in die gesprekken veelal (huis)nummers worden genoemd en er vervolgens een ontmoeting plaatsvindt tussen de verdachte en die derde, waarna de verdachte tot slot weer contact opneemt met zijn opdrachtgever in Marokko.

Gelet op de afgeluisterde tapgesprekken tussen de verdachte en één van de opdrachtgevers in Marokko en de hoogte van de inbeslaggenomen geldbedragen stelt de rechtbank vast dat de in de gesprekken genoemde nummers, getallen betreffen die staan voor het geldbedrag dat dient te worden overgedragen. Deze ‘nummers’ dienen voor de juiste hoogte van het geldbedrag te worden vermenigvuldigd met 1000.

Artikel 2:3a, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. De Wft onderscheidt in dit verband zeven soorten betaaldiensten (welke afkomstig zijn uit de bijlage bij de Europese richtlijn voor betaaldiensten 2007/64/EG), waaronder geldtransfers, die als volgt nader worden omschreven:

Van het verlenen van de dienst ‘geldtransfer’ is sprake als, zonder dat een rekening wordt geopend, van een betaler geld wordt ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken rechtstreeks aan een begunstigde dan wel aan een andere betalingsdienstverlener die de gelden aan de uiteindelijk begunstigde uitkeert.

Geldtransfers (of moneytransfers) worden in de praktijk vooral verleend ten behoeve van het overmaken van geld naar begunstigden in het buitenland, met name naar landen met een minder ontwikkeld banksysteem en waar het gebruik van bankrekeningen minder voorkomt. Ook voor onverwachte spoedbetalingen wordt wel van geldtransfers gebruik gemaakt.

Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage aan het delict dient van voldoende intellectueel of materieel gewicht te zijn.

Nu de verdachte zeer intensief contact onderhield met zijn opdrachtgevers in Marokko, er sprake was van een hoge frequentie aan transacties, de verdachte een groot geldbedrag in zijn woning voorhanden had en ten minste in twee gevallen medeverdachte 1 aanstuurde in het kader van Hawala-bankieren, behelst het feitelijk handelen van de verdachte meer dan het slechts fungeren als geldkoerier. De verdachte heeft met zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan het strafbare feit. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger en heeft samen met anderen het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend.

Feiten 3 en 4

De officier van justitie acht het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De ploertendoder is in de woning van de verdachte aangetroffen. Dat is een ploertendoder als genoemd in art 2 lid 1 onder g van de Regeling wapens en munitie, ofwel een wapen van de categorie 1 onder 3 van de WWM (als bedoeld onder artikel 2, lid 1, WWM).

De hasj is in de berging van de woning van de verdachte aangetroffen. Het plakje is positief getest op THC. Ook het NFI heeft vastgesteld dat het hasjiesj betreft.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de enkele vondst van beide zaken in de berging en de woonkamer onvoldoende wettig bewijs is voor de wetenschap en dus van het voorhanden hebben van beide zaken. Er kwam veel familie bij de verdachte thuis. Bovendien heeft de schoonvader van verdachte enkele dagen in de woonkamer gelogeerd. Er bestaat een reële mogelijkheid dat een ander de voorwerpen daar heeft geplaatst.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt vast dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een lade van een kast in de woonkamer een ploertendoder is aangetroffen. Daarnaast is in de berging van voornoemde woning in een doos en daarin een plastic zak met een plakje hasj aangetroffen.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat de eigenaar tevens gebruiker van een pand in beginsel geacht wordt wetenschap te hebben van zich in dat pand bevindende goederen. Daarnaast constateert de rechtbank dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht en dus zelf geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de ploertendoder en de hasj in zijn woning.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat de woonkamer van de woning van verdachte een centrale plaats in de woning is, die tevens makkelijk toegankelijk is voor anderen dan de verdachte, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van mevrouw getuige , inhoudende dat haar schoonvader een aantal nachten bij hen in de woonkamer logeerde. De rechtbank acht het onder voornoemde omstandigheden niet uitgesloten dat een ander dan verdachte de ploertendoder in de lade van de kast heeft achtergelaten, hetgeen namens verdachte, bij monde van diens advocaat naar voren is gebracht. Daar komt bij dat uit het dossier geen enkel feit of omstandigheid naar voren is gekomen waaruit het bewustzijn van de aanwezigheid van het wapen in de woning kan worden afgeleid. Niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad dan wel dat het wapen zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

Dit is anders voor het onder 4 tenlastegelegde feit. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hasj in de berging van zijn woning voorhanden heeft gehad. De hasj bevond zich in de berging van de woning van de verdachte, wat naar het oordeel van de rechtbank een minder toegankelijke plek in de woning is. Gesteld noch gebleken is dat ook anderen toegang hadden tot deze berging. Derhalve kan het niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de drugs. De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 175 dagen. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Intensivering samenwerking FIU-Nederland en de meldplichtige instellingen in de strijd tegen terrorisme financiering

Vanuit de verantwoordelijkheid van de private meldplichtige instellingen en de wettelijke taakstelling en bevoegdheden van de FIU-Nederland wordt in het belang van het voorkomen en bestrijden van witwassen en de financiering van terrorisme doorlopend gezocht naar mogelijkheden om cruciale informatie uit te wisselen. Een expliciete wettelijke mogelijkheid is het, onder voorwaarden, delen van politiegegevens met derden op grond van artikel 20 van de Wet politiegegevens (WPG). De FIU-Nederland ontvangt ongebruikelijke transacties van meldende instellingen op basis van de verplichting die deze instellingen daartoe hebben ingevolge de Wwft (Wet ter voorkoming van Witwassen en Financieren van Terrorisme). Deze transacties worden bij de FIU-Nederland opgeslagen in een hoogbeveiligde database die uitsluitend toegankelijk is voor medewerkers van de FIU-Nederland. Transacties die door de meldende instellingen niet als ongebruikelijk worden aangemerkt en dan ook niet bij de FIU-Nederland worden gemeld zijn niet inzichtelijk voor de FIU medewerkers. Gemelde ongebruikelijke transacties worden uitsluitend aan de opsporingsautoriteiten en inlichtingendiensten beschikbaar gesteld nadat zij op grond van onderzoek en analyse verdacht verklaard zijn door het hoofd van de FIU-Nederland. Indien na onderzoek en analyse geen grond gevonden wordt voor verdachtverklaring, blijven de transacties ongebruikelijk en worden daarmee ook niet beschikbaar gesteld aan de opsporingsautoriteiten en inlichtingendiensten.

Indicatoren

De FIU-Nederland en de grootbanken werken al jaren in gezamenlijkheid aan het zo goed mogelijk detecteren van transacties die onder andere te maken kunnen hebben met terrorismefinanciering.Dit gebeurt door het ter beschikking stellen aan onder andere deze banken van profielen en indicatoren van financieel gedrag die aan deze terrorismefinanciering te verbinden zijn. De banken en andere meldplichtige instellingen gaan op basis van deze profielen en indicatoren verder onderzoek instellen naar transacties, als onderdeel van hun reguliere verplichtingen in het kader van de Wwft. Als in dit onderzoek ongebruikelijke transacties worden gedetecteerd, worden deze gemeld bij de FIU-Nederland.

Op basis van analyses van de FIU-Nederland van de gemelde transacties en ook op basis van internationaal opgedane nieuwe inzichten, kunnen er na verloop van tijd weer nieuwe indicatoren en profielen worden gedeeld met de meldende instellingen. Het ter beschikking stellen van deze profielen en indicatoren is overigens een wettelijke taak van de FIU-Nederland ingevolge de Wwft. De meest recente ontwikkeling is dat de FIU-Nederland gebruik gaat maken van artikel 20 WPG (Wet politiegegevens).

Juridisch kader

Artikel 20 WPG (Wet politiegegevens) regelt de mogelijkheid om politiegegevens onder strikte voorwaarden en voor een specifiek doel te verstrekken aan relevante derden, bijvoorbeeld in de private sector. Hiermee geeft dit wetsartikel een mogelijkheid om de spanning die bestaat tussen het beschermen van privacy gevoelige gegevens enerzijds en de noodzaak ernstige vormen van criminaliteit te bestrijden anderzijds te wegen en te regelen.

Dit maakt het mogelijk dat de FIU-Nederland voor een specifieke doelstelling, onder specifieke randvoorwaarden en waarborgen, op individuele basis, namen van mensen aan bijvoorbeeld banken kan verstrekken. De ongebruikelijke transacties die als gevolg hiervan gemeld worden in relatie tot deze namen,  zijn uitsluitend toegankelijk voor medewerkers van de FIU-Nederland. Met andere woorden: geen enkele andere instelling (ook niet de politie) kan de FIU-Nederland verzoeken een naam te verstrekken in het kader van artikel 20 WPG.

Op dit moment is door de verantwoordelijke voor de WPG data, een besluit genomen dat het mogelijk maakt dat de FIU-Nederland namen van mogelijke betrokkenen bij terrorismefinanciering kan delen met bepaalde banken. Dit gebeurt onder voorwaarden die enerzijds betrekking hebben op de doelbinding (onderkennen van terrorismefinanciering) van de informatieverstrekking, anderzijds op het garanderen van de geheimhouding van de verstrekte gegevens.

De FIU-Nederland is zich bewust van de verantwoordelijkheid die ze heeft voor de zorgvuldige toepassing van deze mogelijkheid en heeft het volste vertrouwen in de samenwerking met de betrokken banken. De betreffende banken hebben te kennen gegeven dat ze vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid graag ook op deze manier met de FIU-Nederland willen samenwerken.

Bron: FIU Nederland 

 

Meer weten? Kom dan op 7 oktober 2016 naar de Cursus Witwasbestrijding.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Online Public Response to Dutch News About Money Laundering

In this paper the authors analyze how Dutch Public Prosecution’s press releases about money laundering and underground banking are received by producers and consumers of online news reports. First, a closer look is taken at how journalists (re)framed six official press releases in 75 news reports. It turns out that journalists do not regularly adopt the success frame that the Public Prosecution uses in its press releases. Furthermore, the role of the Public Prosecution Service or the police is downplayed. The moral message that “crime should not pay” receives no coverage in news reports. Second, the authors analyze how the news reports generated 276 online comments.

The authors distinguish three ways in which online commenters respond to news reports; they (1) appreciate, (2) downplay or (3) condemn the authorities’ success. Commenters are particularly likely to downplay or condemn the police’s success. When a news report focuses on ‘underground bankers’, commenters often express a negative opinion about the effort to curb money laundering. It also appears that readers did not always understand the use of a term like underground banking.

Lees verder:

 

Meer weten? Kom dan op vrijdag 7 oktober 2016 naar de Cursus Witwasbestrijding. Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Cursus Witwasbestrijding | vrijdag 7 oktober 2016

Tijdens deze cursus wordt onder meer ingegaan op de aanpak van witwassen in Nederland en de Europese invloeden daarop (FATF en Europese Unie). Daarnaast wordt een kijkje in de keuken gegeven van de Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland en het proces van melding tot verdachtverklaring besproken. De cursus wordt afgesloten met een door de FIOD opgezette ‘witwasgame’, waarbij van de deelnemer wordt vereist zich te verplaatsen in een witwasser. Doel hiervan is onder meer het (beter) leren onderkennen van witwassignalen.   

Programma

Deel I: Anita van Dis

  • Introductie
  • Witwasbestrijding in NL
  • Invloed FATF en EU op witwasbeleid
  • Typologieën
  • WWFT & WED meldplicht en aanpak OM

 

Deel II: Sonja Corstanje

  • Werkwijze van FIU in de praktijk
  • Van melding tot aan verdachtverklaring
  • Casussen

 

Deel III: Dick Crijns

  • ‘Witwasgame’

Het Anti Money Laundering Centre van de FIOD heeft specifiek ten behoeve van witwastraining een ‘game’ ontwikkeld. Inmiddels is deze game voor diverse groepen ingezet als lesmiddel. Doel van de game is de cursist zich te laten verplaatsen in de positie van de witwasser. Na de game onderkennen de deelnemers meer signalen van witwassen en zijn ze in staat anders naar situaties te kijken. Minimaal 100 nieuwe signalen passeren de revue terwijl deelnemers er zelf nieuwe bij bedenken. Deelname aan de game vergt voorafgaand aan de cursus een voorbereiding van de cursist van ongeveer 30 minuten.

 

Sprekers

  • Anita van Dis - Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Sonja Corstanje, Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland
  • Dick Crijns, Landelijk coördinerend vaktechnisch coördinator opsporing FIOD en tevens verbonden aan het Anti Money Laundering Centre (AMLC) van de FIOD

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Leden van de zittende en staande magistratuur
  • Leden van toezicht- en opsporingsteams
  • Handhavers
  • Overheidsjuristen
  • Bedrijfsjuristen

Maximum aantal deelnemers: 25

 

Praktische Informatie

Datum: Vrijdag 7 oktober 2016

Tijd: Gehele dag

Locatie: Anti Money Laundering Centre (AMLC) van de FIOD Utrechtseweg 297, gebouw C, De Bilt

Kosten: € 250,- excl. BTW* Deze prijs is inclusief:

  • Digitale reader
  • Lunch
  • Consumpties

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig”

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197 De verdachte is bij arrest van 16 december 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. In het genoemde arrest heeft het hof tevens beslist tot verbeurdverklaring van twee inbeslaggenomen geldbedragen van, respectievelijk, CHF 27.400,- en CHF 7.600,-.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte op 10 september 2010 te Schiphol bij zich had van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is vervolgens van oordeel dat uit de navolgende feiten en omstandigheden voortvloeit dat er (zonder meer) sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen jegens de verdachte.

Op 10 september 2010 wilde de verdachte aankomsthal 1 op Schiphol via de zogenoemde groene doorgang verlaten. De verdachte had op dat moment een geldbedrag van 35.000 Zwitserse Franken (ongeveer 26.900 euro) bij zich. Van dit geldbedrag heeft de verdachte niet op eigen initiatief aangifte gedaan bij de douane ondanks het bestaan van de verplichting daartoe. De verdachte verklaarde desgevraagd door de douane dat hij niets had aan te geven en dat hij 5.000 Zwitserse Franken bij zich had, zijnde een aanzienlijk lager geldbedrag dan dat de verdachte na verder onderzoek feitelijk bij zich bleek te hebben. Het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond onder meer uit 92 biljetten van 50 Zwitserse Franken en 274 biljetten van 100 Zwitserse Franken.

Het fysiek vervoeren van grote geldbedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Uit het desgevraagd tegenover de douane noemen van een aanzienlijk lager geldbedrag, leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was van de verdachte om de meldgrens te ontduiken. Daarbij komt dat er sprake was van een grote hoeveelheid contant geld. Aldus is een drietal typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan, een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Nederland was gekomen om meerdere auto's te kopen die hij in Nigeria wilde verkopen. Hij heeft een eigen bedrijf genaamd [A] , dat in Lagos, Nigeria, is gevestigd en dat geen vestigingsadres heeft. De verdachte had in Nigeria Nigeriaanse Naira's omgewisseld naar Zwitserse Franken en is toen naar Zwitserland gegaan om auto's te kopen. Een goede vriend van hem die hij sinds 2007 kent uit Spanje, had hem gezegd dat hij in Nederland wel geschikte auto's kon vinden. Hij wist desgevraagd geen achternaam van deze vriend te noemen. De verdachte heeft voorts verklaard dat zijn zus [betrokkene 2] namens hem voor [A] handelt.

Deze verklaring van de verdachte is weinig concreet en niet verifieerbaar, nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen.

De verdachte kon geen visitekaartje van zijn bedrijf tonen en heeft evenmin documenten overgelegd die betrekking hebben op het inkopen of verkopen van auto's. Evenmin heeft de verdachte documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar is van genoemd bedrijf in Lagos, Nigeria.

De namens de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën kunnen evenmin dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel. Doordat het fotokopieën betreft, kan de authenticiteit van de documenten niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat de twee 'bills of loading' als consignee niet het door de verdachte genoemde bedrijf [A] vermelden, maar een naam van een persoon, die de zus van de verdachte zou zijn: [betrokkene 2] . De verdachte heeft eerst in zijn derde verhoor op 23 september 2010 de naam van zijn zuster genoemd: [betrokkene 2] . Deze naam komt gedeeltelijk overeen met de naam zoals vermeld op voornoemde 'bills of loading'. Uit de naam zelf blijkt niet van een familiebetrekking tussen deze persoon en de verdachte, terwijl ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de 'bills of loading' vermelde persoon niet is aangetoond.

In de namens de verdachte eveneens in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van 'exchange receipts' van een bedrijf dat zich noemt ' [B] Ltd.', valt, naast de in het oog springende spelfout, op dat de wisselkoers van de Zwitserse Frank en de Euro in de periode die door de bonnen wordt bestreken, namelijk 4 augustus 2010 tot en met 7 september 2010, tegenover de Nigeriaanse Naira niet zou zijn veranderd. Om de genoemde redenen moet aan de authenticiteit van de (slechts in fotokopie beschikbare) bonnen ernstig worden getwijfeld.

Ook in de periode nadat dit hof ter terechtzitting van 25 april 2012 het verzoek van de verdediging tot het horen als getuige van [betrokkene 2] heeft toegewezen, aan welk verzoek blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de Raadsheer-Commissaris op grond van de veiligheidssituatie in Nigeria niet kon worden voldaan, heeft de verdachte geen nadere stukken aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist."

Middel

De middelen 2 tot en met 10 komen met verschillende sterk samenhangende klachten tegen de bewezenverklaring op.

  • middel 2 komt op tegen het aannemen door het hof van een redelijk vermoeden van schuld aan witwasdelicten;
  • middel 3 behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat de verdachte niet op eigen initiatief aangifte heeft gedaan van het geld dat hij bij zich had en desgevraagd bij de douane een te laag bedrag heeft opgegeven kennelijk ter ontduiking van de meldgrens;
  • middel 4 betreft de klacht dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is;
  • middel 5 bevat de stelling dat in tegenstelling tot het oordeel van het hof, de verdachte van meet af aan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag;
  • middel 6 voegt hieraan nog toe dat de verklaringen van de verdachte, anders dan het hof heeft aangenomen, verifieerbaar waren;
  • middel 7 behelst de klacht dat ondanks de omstandigheid dat het hof opdracht heeft gegeven tot het instellen van een nader onderzoek naar A, aan dit onderzoek geen uitvoering is gegeven en het hof vervolgens ten onrechte voorrang heeft gegeven aan het belang van een voortvarende afdoening. Gesteld wordt dat het hof daarbij, door nader bewijs van de verdachte te verlangen, de bewijslast op ontoelaatbare wijze heeft omgekeerd;
  • middel 8 borduurt op middel 7 voort doordat daarin de stelling wordt betrokken dat nu het nadere onderzoek dat door het hof is gelast niet is uitgevoerd, het hof niet had mogen concluderen dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf en dat de verdachte dit wist;
  • in middel 9 wordt de stelling betrokken dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de verdachte gegeven verklaring niet waarschijnlijk is;
  • in middel 10 wordt tenslotte opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de door de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van stukken niet kunnen dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel, nu de verdachte daarnaast een originele “Affadavit of facts”van betrokkene 2 heeft overgelegd, die zijn verklaring ondersteunt.

Beoordeling Hoge Raad

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM0787, NJ 2010/456, rov. 2.5).

In zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de daarin vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover de middelen daarover klagen, zijn zij tevergeefs voorgesteld.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het Hof dat "het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist" niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard leent zich dit oordeel niet voor verdere toetsing in cassatie.

De middelen falen in zoverre.

Conclusie AG

5.5. Bij de beoordeling van de middelen kan het volgende worden vooropgesteld. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreek verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij geldt dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat het specifieke misdrijf waaruit het geld afkomstig is in de bewijsmiddelen nauwkeurig wordt aangeduid. Hoewel bij aanwezigheid van een witwasvermoeden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geld, blijft de (primaire) bewijslast van het Openbaar Ministerie in een dergelijk geval in ieder geval in zoverre overeind, dat het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de voor het aannemen van witwassen noodzakelijke criminele herkomst van het geld kan worden afgeleid nog altijd van het Openbaar Ministerie moet komen. Dat van de verdachte in het voorkomende geval mag worden verlangd dat hij een verklaring voor de herkomst van aangetroffen geld geeft, houdt immers op zichzelf genomen nog niet in dat het dan ook aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

5.6. Zoals blijkt uit de hierboven onder 5.3 aangehaalde (nadere) bewijsoverwegingen, heeft het hof in casu geoordeeld dat – gelet op het zich voordoen van een drietal zogeheten ‘witwastypologieën’ – sprake is van een vermoeden van witwassen en dat op grond daarvan van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, wat er ook zij van de door de steller van het middel naar voren gebrachte bezwaren tegen dit oordeel, niet onbegrijpelijk, zodat het tweede middel faalt.

5.7. Het hof heeft uit de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van verbalisanten en de als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde verklaringen van de verdachte kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde datum op Schiphol is aangetroffen in het bezit van een grote hoeveelheid contant geld (CHF 35.000,-) en dat hij de bedoeling had daarvan geen aangifte te doen bij de douane. Hoewel de genoemde bewijsmiddelen mede inhouden dat de verdachte heeft verklaard dat hij wel aangifte wilde doen en dat het door een verbalisant in eerste instantie van hem gehoorde bedrag aan meegebracht geld van slechts CHF 5.000,- verkeerd was verstaan, heeft het hof deze verklaring zo kunnen lezen, dat zij het vermoeden van witwasgedragingen van de verdachte alleen maar (nader) illustreren. Het derde middel treft derhalve geen doel.

5.8. De overige middelen bevatten twee klachten die hier nadere bespreking behoeven. Allereerst wordt in de middelen in algemene zin gesteld dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. Daarnaast bevatten de middelen nog een meer bijzondere klacht ten aanzien van het oordeel van het hof dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen (bills of lading) en twee bewijzen van wisseltransacties (exchange receipts) niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag.

5.9. Door de verdachte is steeds gesteld dat hij het contante geld bij zich had om voor zijn bedrijf A in Europa tweedehands auto’s op te kopen en deze naar Nigeria te verschepen. Ter terechtzitting van 25 april 2012 heeft het hof het bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van betrokkene 2 als getuige toegewezen en de zaak met het oog op het verhoor van deze getuige verwezen naar de raadsheer-commissaris. Tevens heeft het hof op de betreffende zitting aan de advocaat-generaal bij het hof verzocht om te bevorderen dat “via de geëigende kanalen onderzoek wordt gedaan naar de onderneming A te Lagos, Nigeria”. Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 is vervolgens via een rechtshulpverzoek geprobeerd om getuige betrokkene 2 te laten horen. Dit rechtshulpverzoek heeft (enkel) de mogelijkheid van een rogatoire commissie naar Nigeria opgeleverd, van welke mogelijkheid echter om veiligheidsredenen is afgezien.

5.10. Vervolgens is op de terechtzitting van 2 december 2014 zowel het getuigenverzoek van de verdediging als het verzoek aan de advocaat-generaal tot nader onderzoek naar het (beweerdelijke) bedrijf van de verdachte weer aan de orde geweest. Het proces-verbaal van de betreffende zitting vermeldt in dit verband het volgende:

“De voorzitter maakt melding van de appelschriftuur, waarin wordt verzocht om het horen als getuige van [betrokkene 2] .

De advocaat-generaal reageert dat de zaak eerder op zitting is geweest op 25 april 2012 en dat de zaak toen is verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van deze getuige. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de raadsheer-commissaris blijkt dat het niet mogelijk is gebleken de getuige te horen. De advocaat-generaal zegt voorts dat zij niet heeft kunnen terugvinden in het dossier dat er onderzoek is gedaan naar [A] te Lagos, Nigeria. Er is contact geweest met het ministerie en daaruit is gebleken dat er onderzoek kan worden verricht, maar dat niet gegarandeerd kan worden dat er enig resultaat uit zal volgen. Zij verzet zich tegen aanhouding van de zaak om alsnog onderzoek te doen verrichten naar genoemd bedrijf, aangezien er zoveel zaken in het dossier niet kloppen, en er zoveel aanwijzingen zijn dat in deze zaak sprake is van witwassen dat onderzoek naar eerdergenoemd bedrijf in het land van herkomst van de verdachte overbodig is.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof mede dat er weliswaar opdracht is gegeven aan het Openbaar Ministerie onderzoek te doen naar [A] , welke opdracht niet is uitgevoerd, doch nu de verdachte zelf geen nadere stukken heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunten en nu niet te verwachten valt dat genoemd onderzoek binnen afzienbare termijn zal kunnen worden afgewikkeld, noch dat de getuige binnen afzienbare termijn gehoord zal kunnen worden, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende afdoening van de zaak zwaarder weegt dan het belang bij uitvoering van deze opdrachten.”

5.11. Ter terechtzitting van 2 december 2014 heeft het hof dus geoordeeld dat het belang van de verdachte bij het alsnog laten uitvoeren van het verzochte onderzoek door het Openbaar Ministerie en het wachten op een mogelijkheid om de verzochte getuige alsnog te horen inmiddels minder zwaar woog dan het belang van een voortvarende afdoening van de zaak. In het bestreden arrest heeft het hof vervolgens overwogen dat de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld “weinig concreet en niet verifieerbaar [is], nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen”.

5.12. Zowel gelet op het ter terechtzitting van 25 april 2012 gedane verzoek van het hof aan de advocaat-generaal om nader onderzoek naar het bedrijf van de verdachte als op de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2014 vermelde woorden van de advocaat-generaal dat dergelijk nader onderzoek mogelijk is, vind ik het oordeel van het hof in het bestreden arrest niet zonder meer begrijpelijk. In de toewijzing van het getuigenverzoek van de verdediging op de zitting van 25 april 2012 en het door het hof gedane verzoek om nader onderzoek naar A in Lagos, ligt immers besloten dat de door de verdachte gegeven verklaring in ieder geval voldoende concreet was om deze door nader onderzoek te (laten) verifiëren. Dat het hof daarop later kennelijk is teruggekomen vergt mijns inziens dan ook een nadere en begrijpelijke motivering.

5.13. De vervolgvraag is of het hof een dergelijke motivering in het arrest heeft gegeven. Het hof heeft onder meer overwogen dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen en twee bewijzen van wisseltransacties niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot zijn autohandel. In dit verband overweegt het hof in het bijzonder dat de genoemde (kopieën van) cognossementen niet de naam van het bedrijf A maar de naam van betrokkene 2 vermelden en dat van de gestelde familieverwantschap tussen de verdachte en deze vrouw niet is gebleken. Ook deze overweging vind ik niet begrijpelijk, aangezien niet valt in te zien waarom de bewijswaarde van de cognossementen af zou hangen van het bestaan van een familieverwantschap tussen betrokkene 2en de verdachte. Daar komt nog bij dat het hof heeft overwogen dat “ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de ‘bills of loading’ vermelde persoon niet is aangetoond”, terwijl onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zich een door de raadsman ter zitting van 25 april 2012 overgelegde originele ‘Affidavit of Facts’ afkomstig van “The High Court of Lagos State” bevindt, inhoudende een verklaring van betrokkene 2en twee foto’s van deze betrokkene 2en de verdachte samen. Hierin verklaart betrokkene 2onder andere dat zij de zuster is van de verdachte en directeur is van A Nig, hetgeen zou blijken uit haar ID card en dat zij belast is met de dagelijkse gang van zaken in dat bedrijf met betrekking tot de import van auto’s, bussen en onderdelen die haar broer naar Nigeria verscheept. Verder verklaart zij dat zij geld heeft overgemaakt naar haar broer, de verdachte, om tweedehands auto’s en onderdelen in Nederland te kopen. Uit het arrest blijkt niet dat het hof zich over (de betrouwbaarheid van) dit document heeft uitgelaten, terwijl hierin toch onmiskenbaar steun kan worden gevonden voor de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld.

5.14. Ook de overweging van het hof dat de door de verdediging aangeleverde (kopieën) van bewijzen van wisseltransacties om verschillende redenen twijfels over de authenticiteit daarvan oproepen vormt mijns inziens geen toereikende motivering van het oordeel dat de verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. De betrouwbaarheid van de aangeleverde bewijzen van wisseltransacties en cognossementen had immers bij uitstek het voorwerp kunnen vormen van het nadere onderzoek door het Openbaar Ministerie waarom het hof ter terechtzitting van 25 april 2012 zelf heeft verzocht. Ik acht derhalve de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed. Dat het hof nog heeft overwogen dat de verdachte na de terechtzitting van 25 april 2012 geen nadere stukken heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten maakt dit niet anders, nu niet duidelijk is hoe deze overweging zich verhoudt tot het op deze terechtzitting van 25 april 2012 zelf gedane verzoek van het hof om nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

6. De middelen vier tot en met tien slagen voor zover daarin wordt betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Lees hier de volledige uitspraak.

Cursus Witwasbestrijding Vrijdag 7 oktober 2016.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

'Eenvoudig witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf en ne bis in idem'

Het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot bestrijding van het verwerven en voorhanden hebben van uit misdrijf afkomstige voorwerpen beoogt de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf af te schaffen. Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond is door de Hoge Raad ontwikkeld om onredelijke en automatische verdubbeling van strafbaarheid te voorkomen. In het geval afscheid moet worden genomen van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan het ne bis in idem-beginsel, in geval van ongelijktijdige vervolging, enige bescherming bieden aan verdachte tegen onredelijke verdubbeling van strafbaarheid.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Enkel voorhanden hebben bedragen als geldkoerier voor Hawala-bankiers niet voldoende voor bewezenverklaring witwassen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3198 Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich met een ander of anderen in de periode van 10 mei 2010 tot en met 11 april 2012 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Rozenburg en/of Zoetermeer heeft schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op 29 oktober 2011 te Bleiswijk met een ander of anderen een koopovereenkomst van een auto valselijk heeft laten opmaken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir, als standpunt naar voren gebracht dat het onder 1 en 2 ten gelaste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft zich als geldkoerier schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van geld met een criminele herkomst en valsheid in geschrifte gepleegd door een koopovereenkomst van een auto valselijk te laten opmaken.

Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard dat het geld toebehoort aan de NCRI, waarvoor hij financiële werkzaamheden verricht. Het geld wordt door sympathisanten van de NCRI ingezameld, via een netwerk van Hawala bankieren naar Nederland gebracht en vervolgens door verdachte naar Parijs gebracht. In het dossier wordt onderscheid gemaakt tussen Hawala bankieren en ondergronds bankieren. Het laatste zou per definitie strafbaar zijn, maar niet uitgesloten kan worden dat via Hawala bankieren crimineel geld rondgaat.

In de winkel van de persoon 2, alwaar verdachte op 11 april 2012 een geldbedrag van € 100.000,00 heeft opgehaald, is een groot geldbedrag aangetroffen. Uit het onderzoek naam 1 is niet gebleken dat persoon 2 aan Hawala bankieren deed, maar bij de transactie op 11 april 2012 is wel gebruik gemaakt van tokens, te weten een € 5-biljet. In de woning van verdachte te plaats zijn grote contante geldbedragen aangetroffen. Als wordt gekeken naar de rol van geldkoeriers bij ondergronds bankieren, blijkt dat een gebruikelijke gang van zaken te zijn. Dan wordt de woning van de geldkoerier anders dan bij Hawala bankieren als een bewaarplaats gebruikt. Uit het onderzoek naam 2 kan worden afgeleid dat verdachte op 10 mei 2010 als geldkoerier heeft gefungeerd voor een ondergronds bankier uit Groot-Brittannië en is gebleken dat dit geld een criminele herkomst heeft.

De inbeslaggenomen geldbedragen zijn niet van de NCRI en zijn er evenmin voor bestemd. Uit het dossier, waaronder verklaringen van getuigen, blijkt wel dat verdachte actief is voor de NCRI, maar niet dat hij handelde in opdracht van de NCRI of de persoon 6, secretaris van de NCRI. Uit historische verkeersgegevens blijkt niet van contact tussen verdachte en persoon 6. Verdachte heeft geen concrete verklaring afgelegd, geen legale bron van inkomsten aangetoond en, als hij wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten, dan verandert hij zijn verklaringen. De witwastypologieën die in het dossier worden genoemd ondersteunen het onderzoek van de politie en het bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, het volgende naar voren gebracht.

Witwassen

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte op 10 mei 2010 een geldbedrag van € 286.160,00 heeft opgehaald bij persoon 3. Verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard niet met persoon 3 en persoon 4 te hebben samengewerkt. Verdachte was slechts afnemer van donaties die persoon 4, een persoon 5, regelmatig voor de NCRI uit Iran regelde.

De NCRI is een verzetsbeweging tegen het Iraanse regime. Het is een overkoepelende organisatie van diverse democratische verzetsbewegingen, die zowel in Iran, als daarbuiten strijden voor een democratisch Iran. De NCRI moet voorzichtig te werk gaan, omdat weinigen de NCRI openlijk durven te steunen door bijvoorbeeld giraal geld over te maken. Gelet op die achtergrond kon verdachte niet volledig open verklaren over zijn werkzaamheden voor de NCRI, maar hij heeft consistent verklaart over de herkomst en doel van het geld. Ook de getuigen willen gezien deze achtergrond niet zeggen dat zij weten dat verdachte voor de NCRI werkt en voor de persoon 6 is het evenmin gebruikelijk volledige openheid van zaken te geven, voor zover hij al zicht heeft op alle onderdelen van het werk van de NCRI.

Verdachte kreeg van persoon 6 of een van zijn medewerkers de opdracht om het geld bij een persoon 5 in Nederland op te halen en thuis te bewaren. Die opdrachten werden in persoon of telefonisch gegeven. De naam “ naam 3 ” in de telefoon van verdachte was het mobiele nummer van persoon 6, althans zijn kantoormedewerker. Verdachte en de NCRI hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het in de auto en in de woning van verdachte aangetroffen geld van de NCRI is. Dat daarbij gebruik werd gemaakt van het systeem van persoon 5 of Hawala bankieren, wil niet zeggen dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Verdachte had daar geen weet van of opzet op.

Er is geen vaste definitie voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren, en de typologieën voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren zijn overeenkomstig. In het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 is geoordeeld dat voor witwassen het misdrijf vooraf dient te gaan aan het verwerven van de gelden en dat Hawala bankieren daaraan niet voldoet. Hoewel het Hawala bankieren zelf een misdrijf is, zijn de gelden die daarbij worden doorgegeven niet de opbrengst of verdiensten van het misdrijf. Ook als verdachte als geldkoerier zou hebben gewerkt kan niet zonder meer worden aangenomen dat het aangetroffen geld is witgewassen.

Vervalsen

Er is geen sprake van oogmerk tot misleiding. Verdachte had een auto nodig voor zijn werk voor de NCRI en het maakte voor verdachte, persoon 1 en de NCRI niet uit op wie zijn naam de auto stond. Verdachte heeft zijn rijbewijs overgelegd en de aankoop van de auto geregeld. Verdachte had geen opzet op het vervalsen van de koopakte en verdachte, persoon 1 noch de NCRI beseften dat het een probleem zou kunnen zijn als de ene persoon de koopakte tekende en de ander de auto op zijn naam kreeg. De verkoper van de auto heeft de gegevens op het formulier ingevuld en wist dat verdachte niet persoon 1 was. De verkoper kan daarom niet misleid zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Verdachte heeft verklaard dat het geld dat hij op 11 april 2012 bij de winkel van persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat daarna bij hem thuis werd aangetroffen, volledig bestaat uit donaties van sympathisanten van de NCRI, die via Hawala-bankiers (hij spreekt zelf van persoon 5 ) bij hem zijn terechtgekomen, en tijdelijk door hem worden bewaard voor de NCRI. De rechtbank hecht weinig geloof aan deze verklaring. Hoewel verdachte, zo blijkt uit het dossier, onmiskenbaar veel werk voor de NCRI verricht en zich ook bezig houdt met fondsenwerving voor de NCRI, heeft hij niets aangevoerd dat de rechtbank als concreet of verifieerbaar kan aanmerken, waaruit blijkt dat de € 100.000 die hij bij persoon 2 ophaalde, indirect afkomstig is uit Iran en/of van Iraanse sympathisanten van de NCRI. Er is niets meer dan de algemene verklaring van verdachte over een werkwijze van de NCRI, en enkele algemene verklaringen van derden over deze werkwijze. Deze algemene verklaringen zeggen niets over herkomst of bestemming van deze concrete geldbedragen. Precies hetzelfde geldt voor het de grote geldbedragen die na zijn aanhouding bij hem thuis werden aangetroffen.

Verdachte heeft ontkend dat hij op 10 mei 2010 het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag heeft opgehaald. De rechtbank hecht geen geloof aan deze ontkenning. Aan de combinatie van de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 waarbij onder meer over verdachte wordt gesproken ( persoon 7 die net langs is geweest), de observatie van die dag van verdachte die persoon 3 bezoekt, het tapgesprek tussen verdachte en persoon 3 later op die dag waarin over “1.160” wordt gesproken, de aantekening door verdachte in zijn kasboek van 17 mei 2010 “ontvangen van het geld van persoon 3 - € 1.160”, dat dit ongeveer 0,4% is van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag en het feit dat bekend is dat geldkoeriers een provisie ontvangen van tussen de 0,3% en 0,5% van de overgedragen geldbedragen, kan de rechtbank in redelijkheid geen andere conclusie verbinden dat verdachte op 10 mei 2012 als geldkoerier heeft opgetreden voor Hawala-bankiers persoon 4 en persoon 3.

Deze conclusie heeft effect op de duiding van de gebeurtenissen op 11 april 2012. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, toen hij op 11 april 2012 de € 100.000 ophaalde bij persoon 2, dat ook deed als geldkoerier van Hawala-bankiers. Nu bekend is dat geldkoeriers die werken voor Hawala-bankiers vaak grote geldbedragen in huis bewaren, acht de rechtbank aannemelijk dat hij het geld dat bij hem thuis werd aangetroffen ook onder zich had als geldkoerier van Hawala-bankiers.

De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat verdachte waarschijnlijk alle in de tenlastelegging genoemde bedragen onder zich heeft gehad als geldkoerier van Hawala-bankiers. Daaruit vloeit niet voort, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, dat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankiers verzenden en ontvangen zowel legale gelden als gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Om in het geval van Hawala-geld te kunnen spreken van geld waarvan het niet anders kan zijn dat het uit enig misdrijf afkomstig is, zullen er - om te beginnen - indicaties in het dossier moeten zijn dat sprake is van misdaadgeld. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer koeriers geld halen of brengen op adressen waar later verdovende middelen worden aangetroffen, of geld halen of brengen bij criminelen. In het onderhavige dossier ontbreken dergelijke aanwijzingen. Het dossier bevat geen enkele concrete aanwijzing over de herkomst van de € 100.000 die verdachte bij persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat bij hem thuis lag. Het dossier bevat wel aanwijzingen over de herkomst van het bedrag dat verdachte op 10 mei 2010 bij persoon 3 op heeft gehaald. Uit de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 lijkt voort te vloeien dat dit geld afkomstig is van niet-Iraniërs die oorspronkelijk uit Libanon komen en onder meer tv’s uit China exporteren naar “hier” en vanuit “hier” naar Afrika. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar een criminele herkomst uit af te leiden.

Het algemene betoog van de officier van justitie dat er een verschil zou bestaan tussen enerzijds Hawala-bankieren en anderzijds ondergronds bankieren, en dat in het tweede geval per definitie sprake is van een criminele herkomst, volgt de rechtbank niet. Het gaat om een en hetzelfde systeem waarin zowel legale als criminele gelden omgaan. Ook bij zendingen van legale gelden worden veelal tokens gebruikt. Men kan niet louter op basis van algemeenheden concluderen dat Hawala-geld een criminele herkomst heeft.

Gelet hierop is de rechtbank, nu er geen aanwijzingen zijn dat de gelden die verdachte als koerier onder zich heeft gehad uit misdrijf afkomstig waren, van oordeel dat niet is bewezen dat hij het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat vermogensbestanddelen slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan het plegen van witwashandelingen daarmee. Dat een geldbedrag wordt aangetroffen in het kader van Hawala bankieren (of ondergronds bankieren), maakt het wel voorwerp van een strafbaar feit, maar niet noodzakelijkwijs ook afkomstig uit enig misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:3046).

Aan de vraag of en in hoeverre verdachte en/of zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan deelneming aan het economisch delict “zonder vergunning verrichten van financiële transacties”, komt de rechtbank niet toe, nu dit niet is ten laste gelegd.

Feit 2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit1.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2016 verklaard dat hij de auto, met kenteken kenteken 1, op 29 oktober 2011 heeft gekocht. Verdachte heeft de koopovereenkomst getekend en tegen de verkoper gezegd dat de auto op naam van zijn vriend persoon 1 moest worden gezet. Verdachte heeft met de verkoper afgesproken dat zijn vorige auto, een Opel Astra, zou worden ingeruild. Verdachte mocht de auto pas meenemen nadat persoon 1 voor de overdracht van deze auto had getekend.

De verkoper van de Volkswagen Golf, met kenteken kenteken 1, heeft verklaard dat hij de auto heeft verkocht aan persoon 1. De eerste keer kwamen persoon 1 en verdachte naar Bleiswijk en de tweede keer kwam verdachte alleen. Dit was op 29 oktober 2011. verdachte heeft de koop toen rond gemaakt. Er is door de verkoper en verdachte een koopovereenkomst op naam van persoon 1 opgesteld, maar deze is ondertekend door verdachte.

Op 1 november 2011 kwamen verdachte en persoon 1 met zijn tweeën vanwege de overschrijving van de tenaamstelling. Bij de verkoop werd een Opel Astra, met kenteken kenteken 2, ingeruild. De verkoper zag aan het kentekenbewijs dat deze op 5 maart 2010 door persoon 1 was gekocht. verdachte heeft op 29 oktober 2011 contant € 500,00 betaald. Op 1 november 2011 heeft verdachte € 9.500,00 betaald en de Opel ingeleverd.

persoon 1 heeft verklaard dat de Opel Astra, met kenteken kenteken 2, en de Volkswagen Golf op verzoek van verdachte op zijn naam zijn gezet. verdachte mocht niet een auto op zijn naam hebben, omdat anders de sociale dienst zou vragen hoe hij aan geld komt voor een auto. verdachte had controle gehad van de sociale dienst. De Volkswagen Golf is betaald door verdachte. verdachte heeft ook de inruil van de Opel Astra gedaan. Hij moest van verdachte naar het autobedrijf komen om zijn rijbewijs te laten zien. Hij heeft het koopcontract voor de auto niet getekend, dat heeft verdachte gedaan.

Oogmerk tot misleiding

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van een oogmerk tot misleiding. Verdachte heeft een geschrift laten opmaken waarvan de inhoud in strijd is met de waarheid. Hij wist dat de gegevens in de koopovereenkomst van de auto niet juist waren en wilde zo voorkomen dat de auto op zijn naam werd gesteld met als gevolg dat derden, in het bijzonder de sociale dienst, door het verhullen van vermogen op zijn naam kunnen worden misleid.

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Rechtbank acht verklaring verdachte dat hij met spaargeld naar een ondergrondse bankier is gegaan niet geloofwaardig

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3199

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich met een ander of anderen op 12 april 2012 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 67.485,00.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, het volgende naar voren gebracht.

De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een onrechtmatige staande houding en aanhouding van verdachte en doorzoeking van de auto van verdachte. Uit het dossier volgt niet dat sprake is geweest van een voldoende redelijk vermoeden van schuld van het plegen van een strafbaar feit. Onduidelijk is op grond van welke wettelijke bevoegdheid de auto is doorzocht. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op en door het schenden van deze belangrijke voorschriften is verdachte ernstig in zijn belangen geschaad, zodat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bewijsuitsluiting dient te volgen en verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft verder bepleit dat, onder verwijzing naar de in haar pleitaantekeningen opgenomen jurisprudentie, niet kan worden bewezen dat sprake is van witwassen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2016 verklaard dat hij het geld al bij zich had op het moment dat hij naar de winkel ging. Uit het dossier blijkt niet dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Verder zijn door de officier van justitie omstandigheden naar voren gebracht die zien op de situatie dat het geld van verdachte afkomstig was uit kennelijk door hemzelf gepleegde feiten. Dan moet echter worden vastgesteld dat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval is.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek naam 1 is na observaties op 4 en 5 april 2012 naar voren gekomen dat er vermoedelijk in geld werd gehandeld in het winkelpand “Tropische Winkel medeverdachte ”, gevestigd aan het adres 2 nummer X te Amsterdam (hierna: het winkelpand). Het vermoeden was dat er vanuit dit pand grote contante geldbedragen in plastic tassen werden meegenomen. Dit vermoeden was ook in eerdere opsporingsonderzoeken (naam 3 en naam 4) naar voren gekomen.

Op 11 april 2012 werd een observatie verricht op het winkelpand. Gezien werd dat een man zonder iets in zijn handen de winkel binnengaat en naar buiten komt met in zijn hand een witte plastic tas. De vulling van de tas heeft een vierkante vorm. De man, naar later blijkt persoon 1, stapt in een auto en rijdt weg. Omdat het vermoeden bestaat dat deze man een tas met geld had opgehaald bij het winkelpand, werd in overleg met de officier van justitie besloten om de man staande te laten aanhouden door de politie. In de auto werd een witte plastic tas aangetroffen met een groot contant geldbedrag.

Ook op 12 april 2012 werd een observatie verricht op het winkelpand. Om 14:48 uur wordt gezien dat een man de winkel inloopt zonder iets in zijn handen en uit de zaak komt lopen met een gevulde Albert Heijn-tas in zijn hand. Deze tas lijkt gevuld met een vierkant pakket. Gezien onder meer de vorm van de tas is het vermoeden dat de man, naar later blijkt persoon 2, een tas met geld heeft opgehaald. De man stapt in een auto en rijdt weg. Om 15:23 uur is deze auto aan de kant gezet. Naast de bestuurder op de passagiersstoel stond een Albert Heijn-tas die gevuld was met een grote hoeveelheid contant geld.

Om 15:34 uur ziet verbalisant nummer 1 een man, naar later blijkt verdachte, op het adres 2 lopen. De verdachte loopt eerst langs het winkelpand en gaat even later naar binnen zonder iets in zijn handen. Om 15:45 ziet de verbalisant dat verdachte uit het winkelpand komt lopen met in zijn handen meerdere tassen, waaronder een Albert Heijn-tas die goed gevuld lijkt. Gezien voorgaande bevindingen is het vermoeden dat verdachte een tas met geld in ontvangst heeft genomen vanuit het winkelpand. De verbalisanten nummer 2 en nummer 3 zien dat verdachte naar een geparkeerde Renault loopt, met kenteken kenteken. Hij legt de twee doorzichtige tasjes met vermoedelijk sinaasappels in de kofferbak en de verbalisanten zien dat verdachte de Albert Heijn-tas met een grotere zorgvuldigheid dieper weglegt in de kofferbak. Verdachte rijdt vervolgens om 15:56 uur weg met de auto.

Verdachte wordt kort daarna, om 16:00 uur, op verzoek van het onderzoeksteam door de politie aan de kant gezet ter hoogte van de Gooiseweg te Amsterdam en staande gehouden. Aan verdachte wordt gevraagd de kofferbak te openen ten einde te kijken of er daadwerkelijk geld in de Albert Heijn-tas zat. In de kofferbak van de Renault wordt door de politie een Albert Heijn-tas aangetroffen, weggestopt in een blauwe krat. In de tas zaten diverse bundels van € 20-biljetten. Verdachte is hierop aangehouden ter zake van witwassen.

Het totale geldbedrag van € 67.485,00 bestond uit 3.374 bankbiljetten van € 20 en 1 van € 5. Op 12 april 2012 is de winkelier T. medeverdachte aangehouden en heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het winkelpand. Tijdens deze doorzoeking werden op diverse plaatsen grote contante geldbedragen aangetroffen, totaal € 304.600,00.

Na het onderzoek naar de onder verdachte en medeverdachte inbeslaggenomen telefoons met respectievelijk nummers telefoonnummer 2 en telefoonnummer 1 is gebleken dat sms-berichten over en weer zijn gestuurd:

Artikel 359a Sv

De hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leveren een redelijk vermoeden van schuld op, zodat de verbalisanten gerechtigd waren verdachte aan te houden en zijn auto te doorzoeken. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat de politie de auto van verdachte op verzoek van het onderzoeksteam aan de kant heeft gezet, waardoor nog onverminderd sprake was van een heterdaadsituatie als bedoeld in artikel 96b Sv. Daarmee is de bevoegdheid tot het ter in beslagneming doorzoeken van de auto gegeven en deze bevoegdheid omvat het kijken van de zich in de kofferbak van die auto bevindende plastic tas, zodat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het op artikel 359a Sv gebaseerde verweer niet voldoet aan de eisen die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hieraan moeten worden gesteld (HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3541), zodat alleen al op die grond aan dit verweer voorbij had kunnen worden gegaan.

Afkomstig uit misdrijf

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Vermoeden witwassen

De rechtbank heeft in rubriek 4.4.2. vastgesteld dat verdachte is aangehouden met een grote hoeveelheid contant geld. Hoewel er geen direct bewijs is dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is, is gelet op de hoogte en samenstelling van het geldbedrag, zijnde 3.374 biljetten van € 20 en 1 biljet van € 5, het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd. Dit vermoeden wordt versterkt door het veiligheidsrisico dat van een dergelijke wijze van vervoer van een dergelijk bedrag uitgaat, het feit dat verdachte zich begeeft in een winkel waarover sterke aanwijzingen bestaan dat er ondergrondse geldtransacties plaatsvinden en het feit dat verdachte het geld wegstopt in zijn kofferbak.

Dat er aanwijzingen bestaan dat verdachte geld heeft opgehaald bij een ondergronds bankier, doet aan het bovenstaande niet af. Er bestaan immers onvoldoende aanwijzingen dat verdachte onderdeel was van de organisatie die zich met dergelijke illegale transacties bezig hield of alleen tegen betaling optrad als geldkoerier voor een dergelijke organisatie. Gelet hierop houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte weliswaar gebruik heeft gemaakt van ondergronds bankieren, maar gezien kan worden als een begunstigde van een transactie, hetgeen een vermoeden van witwassen niet wegneemt, maar eerder versterkt.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie en de rechter-commissaris geen verklaring willen afleggen over de herkomst van het geld en heeft later betwist dat hij tijdens zijn voorgeleiding voor de inspecteur van politie verbalisant 1 op 12 april 2012 heeft gezegd: “Iemand had geld gewisseld en dat moest ik ophalen. In Amsterdam bij een meneer die ik niet ken. Het was op het adres 2.” De rechtbank kan derhalve niet anders dan concluderen dat verdachte vanaf zijn aanhouding geen verklaring heeft willen afleggen over de herkomst van het geld.

Verdachte heeft, voor het eerst ter terechtzitting van 13 mei 2016 en dus ruim vier jaar na zijn aanhouding, de volgende verklaring over de herkomst van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag afgelegd. Verdachte stelt op 12 april 2012 met het spaargeld van zijn vriendin en zijn moeder naar het winkelpand te zijn gegaan. Dat spaargeld bestond aanvankelijk uit biljetten van € 20 en € 50. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat bij zijn aanhouding alleen biljetten van € 20 zijn aangetroffen. Het geld zat in zijn jas toen hij naar binnen ging. Verdachte wilde het geld laten overmaken naar de vader van zijn vriendin in Suriname ten behoeve van het laten bouwen van een familiehuis. Hij heeft in de winkel gevraagd naar de kosten van deze transactie en heeft ervan afgezien omdat de kosten te hoog waren. Hoewel verdachte van tevoren telefonisch contact heeft gehad met de eigenaar van de winkel, heeft hij op dat moment niet gevraagd naar de koers dan wel de kosten om het geld te laten versturen naar Suriname.

Ook eerst ter zitting heeft de verdediging stukken overgelegd die deze verklaring zouden moeten ondersteunen, te weten een begroting van een project “ naam 5 ” in Suriname uit 2008 en een huuroverkomst van een safeloket bij de Rabobank in de periode van 3 september 2008 tot 17 oktober 2012.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte over de herkomst van het geldbedrag niet aannemelijk en gaat daaraan dan ook voorbij. Om te beginnen is al niet geloofwaardig dat verdachte het aangetroffen geld al bij zich had toen hij naar binnen ging. Vast staat dat verdachte het geldbedrag bestaande uit maar liefst 3.375 bankbiljetten in een Albert Heijn-tas droeg toen hij naar buiten kwam. Gesteld noch gebleken is waarom hij het geld dan, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in zijn jas zou hebben gedragen toen hij ermee naar binnenliep. Aangezien het niet in de rede ligt dat een dergelijke tas door de winkelier is verstrekt, gelet op het feit dat deze tas van een ander winkelbedrijf is en de overige boodschappen in voor deze winkel kenmerkende witte plastic tasjes zijn aangetroffen, moet de conclusie zijn dat verdachte deze plastic tas al bij zich had vóór het binnengaan. Verdachte heeft voor deze verschillende wijze van vervoer van het geld voorafgaand en na afloop van het bezoek aan de winkel geen plausibele verklaring gegeven. Verder is de stelling van verdachte, dat het geld zou zijn gespaard door zijn vriendin en moeder, geenszins onderbouwd. Vragen met betrekking tot waarvan en wanneer het dan zou zijn gespaard, kon verdachte ter zitting niet concreet beantwoorden, anders dan dat het beetje bij beetje zou zijn gegaan en onder meer van de kinderbijslag. Wie beetje bij beetje spaart van bijvoorbeeld de kinderbijslag pleegt dat evenwel te doen door geld van zijn betaalrekening, waarop de kinderbijslag wordt ontvangen, over te maken op een spaarrekening, en niet door grote hoeveelheden contant geld, uitsluitend bestaande uit biljetten van € 20, te verzamelen al dan niet in een safeloket in Baarle-Nassau. Verder heeft verdachte een bankafschrift overlegd waaruit blijkt dat zijn vriendin een geldlening is aangegaan, maar iedere uitleg over hoe, wanneer en waarom het girale bedrag van die lening deels of geheel is omgezet in de stapel biljetten van € 20 in zijn plastic zak ontbreekt. Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoet de verklaring die verdachte heeft afgelegd niet aan de vereisten dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn. Bij deze stand van zaken kan niet van het openbaar ministerie worden verwacht dat het nader onderzoek doet naar de door verdachte gestelde herkomst van het geld.

Conclusie

Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dat het geldbedrag dat verdachte voorhanden heeft gehad onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, en dat verdachte dat wist. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat het geldbedrag afkomstig is uit een eigen misdrijf.

Het ten laste gelegde gewoontewitwassen en medeplegen acht de rechtbank niet bewezen, nu daarvoor geen bewijs voorhanden is.

Bewezenverklaring

  • Witwassen

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft samen met zijn zus gedurende enkele jaren van misdrijf afkomstig goud en sieraden verkocht aan een onderneming te Leidschendam

Gerechtshof Den Haag 2 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1570 Uit registercontrole bij onderneming 1 te Leidschendam is gebleken dat de verdachte in de periode van 17 juni 2009 tot en met 26 april 2012 meerdere keren goud heeft verkocht met een waarde van ongeveer € 19.000,-. Verder is uit die registercontrole gebleken dat de medeverdachte in de periode van 9 april 2009 tot en met 11 april 2012 meerdere keren goud en sieraden heeft verkocht met een waarde van ongeveer € 31.000,-. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de medeverdachte, zijn zus, dat voor hem deed.

Aldus is er door en voor de verdachte in drie jaar tijd voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- aan goud en sieraden verkocht.

Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de verdachte in de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 10.035,-, € 8.903,-, € 6.557,-, € 8.337, € 14.930,- en € 3.580,- aan loon heeft ontvangen. Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de verdachte de verkochte voorwerpen niet door middel van besparing heeft kunnen verkrijgen.

Tijdens de genoemde registercontrole is gebleken dat het ingeleverde goud meerdere malen bestond uit gesmolten blokjes goud. Het hof is van oordeel dat het verkopen van blokjes goud door de verdachte en zijn zus als particulieren, alsmede de hoeveelheid en de frequentie waarin dat gebeurde, omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden dat het goud uit enig misdrijf is verkregen.

Onder de gegeven omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete en specifieke verklaring geeft voor de herkomst van de verkochte voorwerpen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de herkomst er van is gelegen in handel, onder andere op de website Marktplaats.nl. Enerzijds heeft de verdachte naar eigen zeggen goedkoop sloopgoud ingekocht zodat hij dat tegen een meerprijs kon verkopen. Anderzijds kocht hij (kapotte) horloges op die hij repareerde en vervolgens met winst verkocht dan wel inruilde in Antwerpen tegen goudresten.

Het hof stelt vast dat verdachte geen administratie van deze transacties heeft bijgehouden. Evenmin heeft verdachte een concrete reconstructie van het verloop van de diverse transacties overgelegd. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard geen enkele administratie van zijn handel te hebben bijgehouden.

Hoewel het hof het aannemelijk acht dat de verdachte handelde via Markplaats.nl, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte daarmee zoveel heeft verdiend dan wel de beschikking heeft gekregen over ingekochte voorwerpen met een zodanige waarde dat hij in staat was om in genoemde periode voor een bedrag van ongeveer € 50.000,- aan goud in te (doen) leveren. De enkele lijst advertenties op markplaats.nl die aan verdachte kunnen worden verbonden is onvoldoende om dit aannemelijk te kunnen achten, nu deze lijst geen inzicht geeft in de aan de individuele transacties te koppelen vervolgtransacties (via Marktplaats.nl, Antwerpen of onderneming 1, etc.) en de eventuele opbrengst daarvan.

Het hof is van oordeel dat nu de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van de verkochte voorwerpen als niet-aannemelijk terzijde moet worden geschoven, het niet anders kan zijn dan dat de verkochte voorwerpen, die in de tenlastelegging worden vermeld, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
  • Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III. Verdachte heeft een geladen gasrevolver met munitie voorhanden gehad.

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^