Enkel voorhanden hebben bedragen als geldkoerier voor Hawala-bankiers niet voldoende voor bewezenverklaring witwassen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3198 Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich met een ander of anderen in de periode van 10 mei 2010 tot en met 11 april 2012 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Rozenburg en/of Zoetermeer heeft schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op 29 oktober 2011 te Bleiswijk met een ander of anderen een koopovereenkomst van een auto valselijk heeft laten opmaken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir, als standpunt naar voren gebracht dat het onder 1 en 2 ten gelaste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft zich als geldkoerier schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van geld met een criminele herkomst en valsheid in geschrifte gepleegd door een koopovereenkomst van een auto valselijk te laten opmaken.

Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard dat het geld toebehoort aan de NCRI, waarvoor hij financiële werkzaamheden verricht. Het geld wordt door sympathisanten van de NCRI ingezameld, via een netwerk van Hawala bankieren naar Nederland gebracht en vervolgens door verdachte naar Parijs gebracht. In het dossier wordt onderscheid gemaakt tussen Hawala bankieren en ondergronds bankieren. Het laatste zou per definitie strafbaar zijn, maar niet uitgesloten kan worden dat via Hawala bankieren crimineel geld rondgaat.

In de winkel van de persoon 2, alwaar verdachte op 11 april 2012 een geldbedrag van € 100.000,00 heeft opgehaald, is een groot geldbedrag aangetroffen. Uit het onderzoek naam 1 is niet gebleken dat persoon 2 aan Hawala bankieren deed, maar bij de transactie op 11 april 2012 is wel gebruik gemaakt van tokens, te weten een € 5-biljet. In de woning van verdachte te plaats zijn grote contante geldbedragen aangetroffen. Als wordt gekeken naar de rol van geldkoeriers bij ondergronds bankieren, blijkt dat een gebruikelijke gang van zaken te zijn. Dan wordt de woning van de geldkoerier anders dan bij Hawala bankieren als een bewaarplaats gebruikt. Uit het onderzoek naam 2 kan worden afgeleid dat verdachte op 10 mei 2010 als geldkoerier heeft gefungeerd voor een ondergronds bankier uit Groot-Brittannië en is gebleken dat dit geld een criminele herkomst heeft.

De inbeslaggenomen geldbedragen zijn niet van de NCRI en zijn er evenmin voor bestemd. Uit het dossier, waaronder verklaringen van getuigen, blijkt wel dat verdachte actief is voor de NCRI, maar niet dat hij handelde in opdracht van de NCRI of de persoon 6, secretaris van de NCRI. Uit historische verkeersgegevens blijkt niet van contact tussen verdachte en persoon 6. Verdachte heeft geen concrete verklaring afgelegd, geen legale bron van inkomsten aangetoond en, als hij wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten, dan verandert hij zijn verklaringen. De witwastypologieën die in het dossier worden genoemd ondersteunen het onderzoek van de politie en het bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, het volgende naar voren gebracht.

Witwassen

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte op 10 mei 2010 een geldbedrag van € 286.160,00 heeft opgehaald bij persoon 3. Verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard niet met persoon 3 en persoon 4 te hebben samengewerkt. Verdachte was slechts afnemer van donaties die persoon 4, een persoon 5, regelmatig voor de NCRI uit Iran regelde.

De NCRI is een verzetsbeweging tegen het Iraanse regime. Het is een overkoepelende organisatie van diverse democratische verzetsbewegingen, die zowel in Iran, als daarbuiten strijden voor een democratisch Iran. De NCRI moet voorzichtig te werk gaan, omdat weinigen de NCRI openlijk durven te steunen door bijvoorbeeld giraal geld over te maken. Gelet op die achtergrond kon verdachte niet volledig open verklaren over zijn werkzaamheden voor de NCRI, maar hij heeft consistent verklaart over de herkomst en doel van het geld. Ook de getuigen willen gezien deze achtergrond niet zeggen dat zij weten dat verdachte voor de NCRI werkt en voor de persoon 6 is het evenmin gebruikelijk volledige openheid van zaken te geven, voor zover hij al zicht heeft op alle onderdelen van het werk van de NCRI.

Verdachte kreeg van persoon 6 of een van zijn medewerkers de opdracht om het geld bij een persoon 5 in Nederland op te halen en thuis te bewaren. Die opdrachten werden in persoon of telefonisch gegeven. De naam “ naam 3 ” in de telefoon van verdachte was het mobiele nummer van persoon 6, althans zijn kantoormedewerker. Verdachte en de NCRI hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het in de auto en in de woning van verdachte aangetroffen geld van de NCRI is. Dat daarbij gebruik werd gemaakt van het systeem van persoon 5 of Hawala bankieren, wil niet zeggen dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Verdachte had daar geen weet van of opzet op.

Er is geen vaste definitie voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren, en de typologieën voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren zijn overeenkomstig. In het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 is geoordeeld dat voor witwassen het misdrijf vooraf dient te gaan aan het verwerven van de gelden en dat Hawala bankieren daaraan niet voldoet. Hoewel het Hawala bankieren zelf een misdrijf is, zijn de gelden die daarbij worden doorgegeven niet de opbrengst of verdiensten van het misdrijf. Ook als verdachte als geldkoerier zou hebben gewerkt kan niet zonder meer worden aangenomen dat het aangetroffen geld is witgewassen.

Vervalsen

Er is geen sprake van oogmerk tot misleiding. Verdachte had een auto nodig voor zijn werk voor de NCRI en het maakte voor verdachte, persoon 1 en de NCRI niet uit op wie zijn naam de auto stond. Verdachte heeft zijn rijbewijs overgelegd en de aankoop van de auto geregeld. Verdachte had geen opzet op het vervalsen van de koopakte en verdachte, persoon 1 noch de NCRI beseften dat het een probleem zou kunnen zijn als de ene persoon de koopakte tekende en de ander de auto op zijn naam kreeg. De verkoper van de auto heeft de gegevens op het formulier ingevuld en wist dat verdachte niet persoon 1 was. De verkoper kan daarom niet misleid zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Verdachte heeft verklaard dat het geld dat hij op 11 april 2012 bij de winkel van persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat daarna bij hem thuis werd aangetroffen, volledig bestaat uit donaties van sympathisanten van de NCRI, die via Hawala-bankiers (hij spreekt zelf van persoon 5 ) bij hem zijn terechtgekomen, en tijdelijk door hem worden bewaard voor de NCRI. De rechtbank hecht weinig geloof aan deze verklaring. Hoewel verdachte, zo blijkt uit het dossier, onmiskenbaar veel werk voor de NCRI verricht en zich ook bezig houdt met fondsenwerving voor de NCRI, heeft hij niets aangevoerd dat de rechtbank als concreet of verifieerbaar kan aanmerken, waaruit blijkt dat de € 100.000 die hij bij persoon 2 ophaalde, indirect afkomstig is uit Iran en/of van Iraanse sympathisanten van de NCRI. Er is niets meer dan de algemene verklaring van verdachte over een werkwijze van de NCRI, en enkele algemene verklaringen van derden over deze werkwijze. Deze algemene verklaringen zeggen niets over herkomst of bestemming van deze concrete geldbedragen. Precies hetzelfde geldt voor het de grote geldbedragen die na zijn aanhouding bij hem thuis werden aangetroffen.

Verdachte heeft ontkend dat hij op 10 mei 2010 het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag heeft opgehaald. De rechtbank hecht geen geloof aan deze ontkenning. Aan de combinatie van de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 waarbij onder meer over verdachte wordt gesproken ( persoon 7 die net langs is geweest), de observatie van die dag van verdachte die persoon 3 bezoekt, het tapgesprek tussen verdachte en persoon 3 later op die dag waarin over “1.160” wordt gesproken, de aantekening door verdachte in zijn kasboek van 17 mei 2010 “ontvangen van het geld van persoon 3 - € 1.160”, dat dit ongeveer 0,4% is van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag en het feit dat bekend is dat geldkoeriers een provisie ontvangen van tussen de 0,3% en 0,5% van de overgedragen geldbedragen, kan de rechtbank in redelijkheid geen andere conclusie verbinden dat verdachte op 10 mei 2012 als geldkoerier heeft opgetreden voor Hawala-bankiers persoon 4 en persoon 3.

Deze conclusie heeft effect op de duiding van de gebeurtenissen op 11 april 2012. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, toen hij op 11 april 2012 de € 100.000 ophaalde bij persoon 2, dat ook deed als geldkoerier van Hawala-bankiers. Nu bekend is dat geldkoeriers die werken voor Hawala-bankiers vaak grote geldbedragen in huis bewaren, acht de rechtbank aannemelijk dat hij het geld dat bij hem thuis werd aangetroffen ook onder zich had als geldkoerier van Hawala-bankiers.

De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat verdachte waarschijnlijk alle in de tenlastelegging genoemde bedragen onder zich heeft gehad als geldkoerier van Hawala-bankiers. Daaruit vloeit niet voort, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, dat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankiers verzenden en ontvangen zowel legale gelden als gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Om in het geval van Hawala-geld te kunnen spreken van geld waarvan het niet anders kan zijn dat het uit enig misdrijf afkomstig is, zullen er - om te beginnen - indicaties in het dossier moeten zijn dat sprake is van misdaadgeld. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer koeriers geld halen of brengen op adressen waar later verdovende middelen worden aangetroffen, of geld halen of brengen bij criminelen. In het onderhavige dossier ontbreken dergelijke aanwijzingen. Het dossier bevat geen enkele concrete aanwijzing over de herkomst van de € 100.000 die verdachte bij persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat bij hem thuis lag. Het dossier bevat wel aanwijzingen over de herkomst van het bedrag dat verdachte op 10 mei 2010 bij persoon 3 op heeft gehaald. Uit de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 lijkt voort te vloeien dat dit geld afkomstig is van niet-Iraniërs die oorspronkelijk uit Libanon komen en onder meer tv’s uit China exporteren naar “hier” en vanuit “hier” naar Afrika. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar een criminele herkomst uit af te leiden.

Het algemene betoog van de officier van justitie dat er een verschil zou bestaan tussen enerzijds Hawala-bankieren en anderzijds ondergronds bankieren, en dat in het tweede geval per definitie sprake is van een criminele herkomst, volgt de rechtbank niet. Het gaat om een en hetzelfde systeem waarin zowel legale als criminele gelden omgaan. Ook bij zendingen van legale gelden worden veelal tokens gebruikt. Men kan niet louter op basis van algemeenheden concluderen dat Hawala-geld een criminele herkomst heeft.

Gelet hierop is de rechtbank, nu er geen aanwijzingen zijn dat de gelden die verdachte als koerier onder zich heeft gehad uit misdrijf afkomstig waren, van oordeel dat niet is bewezen dat hij het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat vermogensbestanddelen slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan het plegen van witwashandelingen daarmee. Dat een geldbedrag wordt aangetroffen in het kader van Hawala bankieren (of ondergronds bankieren), maakt het wel voorwerp van een strafbaar feit, maar niet noodzakelijkwijs ook afkomstig uit enig misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:3046).

Aan de vraag of en in hoeverre verdachte en/of zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan deelneming aan het economisch delict “zonder vergunning verrichten van financiële transacties”, komt de rechtbank niet toe, nu dit niet is ten laste gelegd.

Feit 2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit1.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2016 verklaard dat hij de auto, met kenteken kenteken 1, op 29 oktober 2011 heeft gekocht. Verdachte heeft de koopovereenkomst getekend en tegen de verkoper gezegd dat de auto op naam van zijn vriend persoon 1 moest worden gezet. Verdachte heeft met de verkoper afgesproken dat zijn vorige auto, een Opel Astra, zou worden ingeruild. Verdachte mocht de auto pas meenemen nadat persoon 1 voor de overdracht van deze auto had getekend.

De verkoper van de Volkswagen Golf, met kenteken kenteken 1, heeft verklaard dat hij de auto heeft verkocht aan persoon 1. De eerste keer kwamen persoon 1 en verdachte naar Bleiswijk en de tweede keer kwam verdachte alleen. Dit was op 29 oktober 2011. verdachte heeft de koop toen rond gemaakt. Er is door de verkoper en verdachte een koopovereenkomst op naam van persoon 1 opgesteld, maar deze is ondertekend door verdachte.

Op 1 november 2011 kwamen verdachte en persoon 1 met zijn tweeën vanwege de overschrijving van de tenaamstelling. Bij de verkoop werd een Opel Astra, met kenteken kenteken 2, ingeruild. De verkoper zag aan het kentekenbewijs dat deze op 5 maart 2010 door persoon 1 was gekocht. verdachte heeft op 29 oktober 2011 contant € 500,00 betaald. Op 1 november 2011 heeft verdachte € 9.500,00 betaald en de Opel ingeleverd.

persoon 1 heeft verklaard dat de Opel Astra, met kenteken kenteken 2, en de Volkswagen Golf op verzoek van verdachte op zijn naam zijn gezet. verdachte mocht niet een auto op zijn naam hebben, omdat anders de sociale dienst zou vragen hoe hij aan geld komt voor een auto. verdachte had controle gehad van de sociale dienst. De Volkswagen Golf is betaald door verdachte. verdachte heeft ook de inruil van de Opel Astra gedaan. Hij moest van verdachte naar het autobedrijf komen om zijn rijbewijs te laten zien. Hij heeft het koopcontract voor de auto niet getekend, dat heeft verdachte gedaan.

Oogmerk tot misleiding

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van een oogmerk tot misleiding. Verdachte heeft een geschrift laten opmaken waarvan de inhoud in strijd is met de waarheid. Hij wist dat de gegevens in de koopovereenkomst van de auto niet juist waren en wilde zo voorkomen dat de auto op zijn naam werd gesteld met als gevolg dat derden, in het bijzonder de sociale dienst, door het verhullen van vermogen op zijn naam kunnen worden misleid.

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF