Witwassen: HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig”

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197 De verdachte is bij arrest van 16 december 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. In het genoemde arrest heeft het hof tevens beslist tot verbeurdverklaring van twee inbeslaggenomen geldbedragen van, respectievelijk, CHF 27.400,- en CHF 7.600,-.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte op 10 september 2010 te Schiphol bij zich had van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof is vervolgens van oordeel dat uit de navolgende feiten en omstandigheden voortvloeit dat er (zonder meer) sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen jegens de verdachte.

Op 10 september 2010 wilde de verdachte aankomsthal 1 op Schiphol via de zogenoemde groene doorgang verlaten. De verdachte had op dat moment een geldbedrag van 35.000 Zwitserse Franken (ongeveer 26.900 euro) bij zich. Van dit geldbedrag heeft de verdachte niet op eigen initiatief aangifte gedaan bij de douane ondanks het bestaan van de verplichting daartoe. De verdachte verklaarde desgevraagd door de douane dat hij niets had aan te geven en dat hij 5.000 Zwitserse Franken bij zich had, zijnde een aanzienlijk lager geldbedrag dan dat de verdachte na verder onderzoek feitelijk bij zich bleek te hebben. Het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond onder meer uit 92 biljetten van 50 Zwitserse Franken en 274 biljetten van 100 Zwitserse Franken.

Het fysiek vervoeren van grote geldbedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Uit het desgevraagd tegenover de douane noemen van een aanzienlijk lager geldbedrag, leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was van de verdachte om de meldgrens te ontduiken. Daarbij komt dat er sprake was van een grote hoeveelheid contant geld. Aldus is een drietal typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan, een vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Nederland was gekomen om meerdere auto's te kopen die hij in Nigeria wilde verkopen. Hij heeft een eigen bedrijf genaamd [A] , dat in Lagos, Nigeria, is gevestigd en dat geen vestigingsadres heeft. De verdachte had in Nigeria Nigeriaanse Naira's omgewisseld naar Zwitserse Franken en is toen naar Zwitserland gegaan om auto's te kopen. Een goede vriend van hem die hij sinds 2007 kent uit Spanje, had hem gezegd dat hij in Nederland wel geschikte auto's kon vinden. Hij wist desgevraagd geen achternaam van deze vriend te noemen. De verdachte heeft voorts verklaard dat zijn zus [betrokkene 2] namens hem voor [A] handelt.

Deze verklaring van de verdachte is weinig concreet en niet verifieerbaar, nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen.

De verdachte kon geen visitekaartje van zijn bedrijf tonen en heeft evenmin documenten overgelegd die betrekking hebben op het inkopen of verkopen van auto's. Evenmin heeft de verdachte documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar is van genoemd bedrijf in Lagos, Nigeria.

De namens de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën kunnen evenmin dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel. Doordat het fotokopieën betreft, kan de authenticiteit van de documenten niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat de twee 'bills of loading' als consignee niet het door de verdachte genoemde bedrijf [A] vermelden, maar een naam van een persoon, die de zus van de verdachte zou zijn: [betrokkene 2] . De verdachte heeft eerst in zijn derde verhoor op 23 september 2010 de naam van zijn zuster genoemd: [betrokkene 2] . Deze naam komt gedeeltelijk overeen met de naam zoals vermeld op voornoemde 'bills of loading'. Uit de naam zelf blijkt niet van een familiebetrekking tussen deze persoon en de verdachte, terwijl ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de 'bills of loading' vermelde persoon niet is aangetoond.

In de namens de verdachte eveneens in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van 'exchange receipts' van een bedrijf dat zich noemt ' [B] Ltd.', valt, naast de in het oog springende spelfout, op dat de wisselkoers van de Zwitserse Frank en de Euro in de periode die door de bonnen wordt bestreken, namelijk 4 augustus 2010 tot en met 7 september 2010, tegenover de Nigeriaanse Naira niet zou zijn veranderd. Om de genoemde redenen moet aan de authenticiteit van de (slechts in fotokopie beschikbare) bonnen ernstig worden getwijfeld.

Ook in de periode nadat dit hof ter terechtzitting van 25 april 2012 het verzoek van de verdediging tot het horen als getuige van [betrokkene 2] heeft toegewezen, aan welk verzoek blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de Raadsheer-Commissaris op grond van de veiligheidssituatie in Nigeria niet kon worden voldaan, heeft de verdachte geen nadere stukken aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geldbedrag. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist."

Middel

De middelen 2 tot en met 10 komen met verschillende sterk samenhangende klachten tegen de bewezenverklaring op.

  • middel 2 komt op tegen het aannemen door het hof van een redelijk vermoeden van schuld aan witwasdelicten;
  • middel 3 behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat de verdachte niet op eigen initiatief aangifte heeft gedaan van het geld dat hij bij zich had en desgevraagd bij de douane een te laag bedrag heeft opgegeven kennelijk ter ontduiking van de meldgrens;
  • middel 4 betreft de klacht dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is;
  • middel 5 bevat de stelling dat in tegenstelling tot het oordeel van het hof, de verdachte van meet af aan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag;
  • middel 6 voegt hieraan nog toe dat de verklaringen van de verdachte, anders dan het hof heeft aangenomen, verifieerbaar waren;
  • middel 7 behelst de klacht dat ondanks de omstandigheid dat het hof opdracht heeft gegeven tot het instellen van een nader onderzoek naar A, aan dit onderzoek geen uitvoering is gegeven en het hof vervolgens ten onrechte voorrang heeft gegeven aan het belang van een voortvarende afdoening. Gesteld wordt dat het hof daarbij, door nader bewijs van de verdachte te verlangen, de bewijslast op ontoelaatbare wijze heeft omgekeerd;
  • middel 8 borduurt op middel 7 voort doordat daarin de stelling wordt betrokken dat nu het nadere onderzoek dat door het hof is gelast niet is uitgevoerd, het hof niet had mogen concluderen dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf en dat de verdachte dit wist;
  • in middel 9 wordt de stelling betrokken dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de verdachte gegeven verklaring niet waarschijnlijk is;
  • in middel 10 wordt tenslotte opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de door de verdachte in september 2010 aan de Belastingdienst/FIOD overhandigde fotokopieën van stukken niet kunnen dienen ter onderbouwing van de gestelde autohandel, nu de verdachte daarnaast een originele “Affadavit of facts”van betrokkene 2 heeft overgelegd, die zijn verklaring ondersteunt.

Beoordeling Hoge Raad

Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM0787, NJ 2010/456, rov. 2.5).

In zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de daarin vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover de middelen daarover klagen, zijn zij tevergeefs voorgesteld.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het Hof dat "het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist" niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard leent zich dit oordeel niet voor verdere toetsing in cassatie.

De middelen falen in zoverre.

Conclusie AG

5.5. Bij de beoordeling van de middelen kan het volgende worden vooropgesteld. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreek verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij geldt dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat het specifieke misdrijf waaruit het geld afkomstig is in de bewijsmiddelen nauwkeurig wordt aangeduid. Hoewel bij aanwezigheid van een witwasvermoeden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geld, blijft de (primaire) bewijslast van het Openbaar Ministerie in een dergelijk geval in ieder geval in zoverre overeind, dat het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de voor het aannemen van witwassen noodzakelijke criminele herkomst van het geld kan worden afgeleid nog altijd van het Openbaar Ministerie moet komen. Dat van de verdachte in het voorkomende geval mag worden verlangd dat hij een verklaring voor de herkomst van aangetroffen geld geeft, houdt immers op zichzelf genomen nog niet in dat het dan ook aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

5.6. Zoals blijkt uit de hierboven onder 5.3 aangehaalde (nadere) bewijsoverwegingen, heeft het hof in casu geoordeeld dat – gelet op het zich voordoen van een drietal zogeheten ‘witwastypologieën’ – sprake is van een vermoeden van witwassen en dat op grond daarvan van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, wat er ook zij van de door de steller van het middel naar voren gebrachte bezwaren tegen dit oordeel, niet onbegrijpelijk, zodat het tweede middel faalt.

5.7. Het hof heeft uit de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van verbalisanten en de als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde verklaringen van de verdachte kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde datum op Schiphol is aangetroffen in het bezit van een grote hoeveelheid contant geld (CHF 35.000,-) en dat hij de bedoeling had daarvan geen aangifte te doen bij de douane. Hoewel de genoemde bewijsmiddelen mede inhouden dat de verdachte heeft verklaard dat hij wel aangifte wilde doen en dat het door een verbalisant in eerste instantie van hem gehoorde bedrag aan meegebracht geld van slechts CHF 5.000,- verkeerd was verstaan, heeft het hof deze verklaring zo kunnen lezen, dat zij het vermoeden van witwasgedragingen van de verdachte alleen maar (nader) illustreren. Het derde middel treft derhalve geen doel.

5.8. De overige middelen bevatten twee klachten die hier nadere bespreking behoeven. Allereerst wordt in de middelen in algemene zin gesteld dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. Daarnaast bevatten de middelen nog een meer bijzondere klacht ten aanzien van het oordeel van het hof dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen (bills of lading) en twee bewijzen van wisseltransacties (exchange receipts) niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag.

5.9. Door de verdachte is steeds gesteld dat hij het contante geld bij zich had om voor zijn bedrijf A in Europa tweedehands auto’s op te kopen en deze naar Nigeria te verschepen. Ter terechtzitting van 25 april 2012 heeft het hof het bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van betrokkene 2 als getuige toegewezen en de zaak met het oog op het verhoor van deze getuige verwezen naar de raadsheer-commissaris. Tevens heeft het hof op de betreffende zitting aan de advocaat-generaal bij het hof verzocht om te bevorderen dat “via de geëigende kanalen onderzoek wordt gedaan naar de onderneming A te Lagos, Nigeria”. Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 is vervolgens via een rechtshulpverzoek geprobeerd om getuige betrokkene 2 te laten horen. Dit rechtshulpverzoek heeft (enkel) de mogelijkheid van een rogatoire commissie naar Nigeria opgeleverd, van welke mogelijkheid echter om veiligheidsredenen is afgezien.

5.10. Vervolgens is op de terechtzitting van 2 december 2014 zowel het getuigenverzoek van de verdediging als het verzoek aan de advocaat-generaal tot nader onderzoek naar het (beweerdelijke) bedrijf van de verdachte weer aan de orde geweest. Het proces-verbaal van de betreffende zitting vermeldt in dit verband het volgende:

“De voorzitter maakt melding van de appelschriftuur, waarin wordt verzocht om het horen als getuige van [betrokkene 2] .

De advocaat-generaal reageert dat de zaak eerder op zitting is geweest op 25 april 2012 en dat de zaak toen is verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van deze getuige. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2014 van de raadsheer-commissaris blijkt dat het niet mogelijk is gebleken de getuige te horen. De advocaat-generaal zegt voorts dat zij niet heeft kunnen terugvinden in het dossier dat er onderzoek is gedaan naar [A] te Lagos, Nigeria. Er is contact geweest met het ministerie en daaruit is gebleken dat er onderzoek kan worden verricht, maar dat niet gegarandeerd kan worden dat er enig resultaat uit zal volgen. Zij verzet zich tegen aanhouding van de zaak om alsnog onderzoek te doen verrichten naar genoemd bedrijf, aangezien er zoveel zaken in het dossier niet kloppen, en er zoveel aanwijzingen zijn dat in deze zaak sprake is van witwassen dat onderzoek naar eerdergenoemd bedrijf in het land van herkomst van de verdachte overbodig is.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof mede dat er weliswaar opdracht is gegeven aan het Openbaar Ministerie onderzoek te doen naar [A] , welke opdracht niet is uitgevoerd, doch nu de verdachte zelf geen nadere stukken heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunten en nu niet te verwachten valt dat genoemd onderzoek binnen afzienbare termijn zal kunnen worden afgewikkeld, noch dat de getuige binnen afzienbare termijn gehoord zal kunnen worden, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende afdoening van de zaak zwaarder weegt dan het belang bij uitvoering van deze opdrachten.”

5.11. Ter terechtzitting van 2 december 2014 heeft het hof dus geoordeeld dat het belang van de verdachte bij het alsnog laten uitvoeren van het verzochte onderzoek door het Openbaar Ministerie en het wachten op een mogelijkheid om de verzochte getuige alsnog te horen inmiddels minder zwaar woog dan het belang van een voortvarende afdoening van de zaak. In het bestreden arrest heeft het hof vervolgens overwogen dat de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld “weinig concreet en niet verifieerbaar [is], nu de verdachte geen enkele verdere informatie heeft kunnen verschaffen op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek zou kunnen (doen) instellen”.

5.12. Zowel gelet op het ter terechtzitting van 25 april 2012 gedane verzoek van het hof aan de advocaat-generaal om nader onderzoek naar het bedrijf van de verdachte als op de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2014 vermelde woorden van de advocaat-generaal dat dergelijk nader onderzoek mogelijk is, vind ik het oordeel van het hof in het bestreden arrest niet zonder meer begrijpelijk. In de toewijzing van het getuigenverzoek van de verdediging op de zitting van 25 april 2012 en het door het hof gedane verzoek om nader onderzoek naar A in Lagos, ligt immers besloten dat de door de verdachte gegeven verklaring in ieder geval voldoende concreet was om deze door nader onderzoek te (laten) verifiëren. Dat het hof daarop later kennelijk is teruggekomen vergt mijns inziens dan ook een nadere en begrijpelijke motivering.

5.13. De vervolgvraag is of het hof een dergelijke motivering in het arrest heeft gegeven. Het hof heeft onder meer overwogen dat de door de verdediging aangeleverde fotokopieën van twee cognossementen en twee bewijzen van wisseltransacties niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen van de verdachte met betrekking tot zijn autohandel. In dit verband overweegt het hof in het bijzonder dat de genoemde (kopieën van) cognossementen niet de naam van het bedrijf A maar de naam van betrokkene 2 vermelden en dat van de gestelde familieverwantschap tussen de verdachte en deze vrouw niet is gebleken. Ook deze overweging vind ik niet begrijpelijk, aangezien niet valt in te zien waarom de bewijswaarde van de cognossementen af zou hangen van het bestaan van een familieverwantschap tussen betrokkene 2en de verdachte. Daar komt nog bij dat het hof heeft overwogen dat “ook anderszins een (familie)band tussen de verdachte en de op de ‘bills of loading’ vermelde persoon niet is aangetoond”, terwijl onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zich een door de raadsman ter zitting van 25 april 2012 overgelegde originele ‘Affidavit of Facts’ afkomstig van “The High Court of Lagos State” bevindt, inhoudende een verklaring van betrokkene 2en twee foto’s van deze betrokkene 2en de verdachte samen. Hierin verklaart betrokkene 2onder andere dat zij de zuster is van de verdachte en directeur is van A Nig, hetgeen zou blijken uit haar ID card en dat zij belast is met de dagelijkse gang van zaken in dat bedrijf met betrekking tot de import van auto’s, bussen en onderdelen die haar broer naar Nigeria verscheept. Verder verklaart zij dat zij geld heeft overgemaakt naar haar broer, de verdachte, om tweedehands auto’s en onderdelen in Nederland te kopen. Uit het arrest blijkt niet dat het hof zich over (de betrouwbaarheid van) dit document heeft uitgelaten, terwijl hierin toch onmiskenbaar steun kan worden gevonden voor de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld.

5.14. Ook de overweging van het hof dat de door de verdediging aangeleverde (kopieën) van bewijzen van wisseltransacties om verschillende redenen twijfels over de authenticiteit daarvan oproepen vormt mijns inziens geen toereikende motivering van het oordeel dat de verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven. De betrouwbaarheid van de aangeleverde bewijzen van wisseltransacties en cognossementen had immers bij uitstek het voorwerp kunnen vormen van het nadere onderzoek door het Openbaar Ministerie waarom het hof ter terechtzitting van 25 april 2012 zelf heeft verzocht. Ik acht derhalve de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed. Dat het hof nog heeft overwogen dat de verdachte na de terechtzitting van 25 april 2012 geen nadere stukken heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunten maakt dit niet anders, nu niet duidelijk is hoe deze overweging zich verhoudt tot het op deze terechtzitting van 25 april 2012 zelf gedane verzoek van het hof om nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

6. De middelen vier tot en met tien slagen voor zover daarin wordt betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Lees hier de volledige uitspraak.

Cursus Witwasbestrijding Vrijdag 7 oktober 2016.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF