Rb: door verdachte verrichte handelingen & omstandigheden waaronder is sprake van vermoeden van witwassen. Het kan niet anders dan dat de geldbedragen geheel / gedeeltelijk, onmiddellijk / middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist

Rechtbank Amsterdam 19 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6045

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die zijn verricht zodanig zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld is onvoldoende concreet en verifieerbaar om het Openbaar Ministerie tot nader onderzoek te nopen naar een eventuele alternatieve herkomst van de geldbedragen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist.

Feiten

In de periode van 1 oktober 2009 tot en met 20 oktober 2009 heeft een teamleider van de Dienst Nationale Recherche een vijftal processen-verbaal van de Dienst IPOL ontvangen. In deze processen-verbaal is door de Britse opspo- ringsautoriteiten melding gemaakt van het feit dat de verdachten persoon 1 en persoon 2 in Nederland zouden verblijven en verantwoordelijk zouden zijn voor de invoer en verspreiding van grote hoeveelheden harddrugs, voornamelijk heroïne, via Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van deze informatie is een opsporingsonderzoek opgestart onder de naam onderzoek A.

In het kader van dit opsporingsonderzoek hebben in eerste instantie diverse onderzoeken telecommunicatie plaatsgevonden ten aanzien van de telecom- municatienummers in gebruik bij de verdachten persoon 1 en persoon 2. Naar aanleiding van de inhoud en strekking van deze opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat deze verdachten gebruik maakten van ondergronds bankieren, in het bijzonder van het zogenoemde Hawala-systeem, om de gegeneerde opbrengsten uit de handel in verdovende middelen vanuit Engeland naar Nederland en Turkije te verplaatsen. Uit de opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat er binnen het onderzoek onderzoek A minimaal veertig geldtransacties hebben plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek onderzoek A hebben diverse observaties plaatsgevonden. Tijdens deze observaties zijn diverse geldoverdrachten waargenomen. Persoon 1 en persoon 2 werden ervan verdacht als opdrachtgevers te zijn betrokken bij het witwassen van geld door middel van het ondergronds bankieren. Persoon 3 werd aangeduid als Hawala-tussenpersoon. Persoon 4 werd aangeduid als bankier in Nederland. Persoon 5 werd aangeduid als ontvanger/begunstigde van het geld in Nederland en verdachte als geldkoerier. Persoon 1 en persoon 2 en persoon 5 zijn door de rechtbank Amsterdam op 23 december 2011 onder meer veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de handel in een partij van ruim 32 kg heroïne. De verdachten persoon 3 en persoon 4 zijn veroordeeld voor het witwassen van een groot aantal geldbedragen.

Verdachte wordt verweten betrokken te zijn geweest bij acht van de veertig geldtransacties en zich daarmee schuldig te hebben gemaakt aan gewoon- tewitwassen of witwassen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het witwassen van alle ten laste gelegde geldtransacties, en daarmee het ten laste gelegde gewoontewitwassen kan worden bewezen.

Verdachte heeft bij de acht ten laste gelegde geldoverdrachten opgetreden als geldkoerier en hij heeft in het kader van Hawala-transacties grote geldbedragen in ontvangst genomen of afgegeven. Naast verdachte hebben persoon 1 en persoon 2, persoon 3, persoon 4, persoon 5 en een onbekende broker in Pakistan hierbij een rol gespeeld. Op grond van het dossier kan van een aantal telefoonnummers worden vastgesteld bij welke van de genoemde personen dat nummer in gebruik was. Op grond van de in de fouillering bij verdachte aangetroffen telefoon met simkaart en originele houder van de simkaart, kan ervan worden uitgegaan dat het telefoonnummer 1 destijds door verdachte is gebruikt. Het bij verdachte aangetroffen notitieboekje bevat een doorlopende balans van transacties betreffende persoon 1 en persoon 2. In het boekje staan benamingen voor de mededaders van verdachte. De schriften die in de straat 1 zijn aangetroffen vormen de Hawala-administratie van persoon 4 en bevatten eveneens een balans die ten behoeve van persoon 1 en persoon 2 is bijgehouden en die aansluit op de administratie die bij verdachte is aangetroffen. De betalingen op deze balans worden namelijk als ontvangsten geboekt op de balans van verdachte. Ook de aantekeningen uit de straat 2, die voor een groot deel te koppelen zijn aan de transacties met betrekking tot persoon 5 en/of Turkije, sluiten aan de bij de notities uit het boekje van verdachte. Bij lezing van de voornoemde administratie in onderlinge samenhang en in samenhang met de opgenomen tapgesprekken kan worden vastgesteld welke persoon met welke naam wordt bedoeld. In de tapgesprekken wordt regelmatig gesproken over het geven van ‘1’, ‘100’, ‘60’ etc. Uit de in beslag genomen administratie blijkt dat met deze getallen bedragen worden bedoeld met weglating van duizendtallen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde geldoverdrachten heeft de officier van justitie het volgende opgemerkt.

Geldoverdracht 26

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van de aanhouding, de tapgesprekken tussen de diverse mededaders voorafgaand en kort na de aanhouding van verdachte, de observatie, de peilgegevens, de verklaring van persoon 6 en de administratie van de straat 1. In deze administratie is op 17 november 2009 een bedrag van € 100.000,-in mindering gebracht op de balans van persoon 1 en persoon 2 met de omschrijving ‘alias verdachte’. De omschrijving ‘alias verdachte’ komt hierna niet meer terug en hieruit kan worden afgeleid dat met ‘alias verdachte’ verdachte werd aangeduid. In de aantekeningen van de straat 2 is een leeg vakje te zien bij 17 november, hetgeen waarschijnlijk duidt op de aanhouding van verdachte.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan de rolverdeling worden vastgesteld tussen verdachte en zijn mededaders, waarbij persoon 2 de opdrachtgever is, persoon 3 de tussenpersoon, persoon 4 de bankier en verdachte de koerier is. Voorts kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen administratie betrekking heeft op de geldoverdrachten.

Geldoverdracht 12 en 22

De eerder genoemde rolverdeling is bij deze transacties vrijwel identiek en blijkt uit tapgesprekken. Op 11 november is gezien dat verdachte met een doos in de auto van persoon 5 stapt en dat hij even later zonder doos weer uitstapt. Ten aanzien van transactie 22 blijkt uit sms-berichten en peilgegevens van de telefoon van persoon 5 dat hij en verdachte elkaar ontmoeten. Na de ontmoetingen vinden gesprekken plaats tussen persoon 3 en persoon 2, waarbij persoon 3 bevestigt dat hij ‘hier 1 heeft gegeven’ (transactie 12) en ‘100 hier aan naam 1’ heeft gegeven (transactie 22). Bij verdachte is een briefje aangetroffen met daarop de vermelding van het telefoonnummer van persoon 5 en de aantekening: ‘adres 1’. Dit is de straat waar verdachte persoon 5 op 14 november zou ontmoeten. In de TomTom van de auto van persoon 5 is dit adres eveneens aangetroffen. De transacties zijn terug te vinden in de administratie van verdachte en de administratie van de straat 2 en straat 1.

Geldoverdracht 4

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken op 4 november 2009 tussen persoon 1, persoon 2 en persoon 3 en de notities die bij verdachte zijn aangetroffen.

Geldoverdracht 6

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen persoon 1 en persoon 3, een observatie waarin is te zien dat verdachte bij persoon 1 en persoon 2 in een Audi stapt, de notities van verdachte en het aantreffen van een vacuümmachine.

Geldoverdracht 9

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen persoon 2, persoon 3 en persoon 5 en de sms’en tussen persoon 5 en persoon 3, het bij verdachte aangetroffen briefje met de aantekening ‘adres 1’ en het telefoonnummer van persoon 5, en de notities van verdachte.

Geldoverdracht 13

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen een Hawala broker uit Pakistan en persoon 3, en de notities van verdachte.

Geldoverdracht 17

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van de tapgesprekken tussen persoon 2 en persoon 3 en sms’en tussen persoon 3 en persoon 5, peilgegevens en de notities van verdachte.

Wetenschap van de criminele herkomst

Op grond van onderstaande omstandigheden - kort weergegeven - kan worden gesteld dat sprake is van een vermoeden van witwassen:

  • persoon 1 en persoon 2 zijn door de rechtbank veroordeeld wegens het vervoeren van heroïne en het witwassen middels undergroundbanking van de opbrengsten van de heroïnehandel;
  • verdachte is aangehouden met een contant geldbedrag van € 100.000,- en hij vervoerde het geldbedrag op een zeer riskante manier, namelijk in een kartonnen doos over straat;
  • over de geldoverdrachten wordt verhuld gecommuniceerd;
  • de overgedragen geldbedragen zijn te hoog om te kunnen doorgaan voor overmakingen via Hawala naar het land van herkomst door migranten;
  • verdachte had destijds geen legale inkomsten die het bezit van grote geldbedragen kunnen verklaren.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de herkomst van de door hem overgedragen geldbedragen, terwijl dit gezien voorgaande omstandigheden wel van hem mag worden verlangd. Gezien het voorgaande is het bestaan van een legale bron zo onwaarschijnlijk dat het niet anders kan zijn dan dat alle bedragen - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Van het subsidiair ten laste gelegde kan alleen het schuldwitwassen ten aanzien van geldoverdracht 12 en 26 worden bewezen.

De bij verdachte aan getroffen papiertjes hebben betrekking op veel meer transacties dan aan verdachte zijn ten laste gelegd. De notitieblaadjes zijn mogelijk aan verdachte, de geldloper, meegegeven om de overdracht te noteren en later weer in te leveren bij de Hawala-bankier. De papiertjes op zichzelf zijn onvoldoende om het ten laste gelegde medeplegen te bewijzen.

Geldoverdracht 12 en 26

De betrokkenheid van verdachte is gebleken op grond van de administratie die wordt ondersteund door twee heldere observaties. Hierbij kan worden aangenomen dat verdachte in de administratie van de straat 1 wordt aangeduid als ‘alias verdachte’.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde geldtransacties staat ‘alias verdachte’ niet in de administratie van de straat 1 vermeld en kan de betrokkenheid van verdachte niet worden bewezen.

Geldoverdracht 4

De tapgesprekken waarin wordt gesproken over ‘die jongen’ kunnen niet bijdragen tot enige ondersteuning van betrokkenheid van verdachte, nu ‘die jongen’ kennelijk in het spraakgebruik een algemene verwijzing is en er ook in december 2009 in tapgesprekken over ‘die jongen’ wordt gesproken. Hierdoor is allerminst komen vast te staan dat met ‘die jongen’ verdachte is bedoeld.

Geldoverdracht 6

De door verbalisant 6314 gestelde herkenning van verdachte als NN1 op 7 november blijkt onvoldoende uit de processen-verbaal en wordt niet ondersteund door een foto. De herkenning is te onspecifiek om er enige waarde aan te kunnen ontlenen. Er staat niet in het proces-verbaal hoe hij heeft vastgesteld dat hij verdachte heeft herkend.

Geldoverdracht 9, 13 en 17

Ten aanzien van deze geldoverdrachten vormen de tapgesprekken geen steun voor de betrokkenheid van verdachte bij de geldoverdrachten.

Geldoverdracht 22

Er kan niet worden vastgesteld dat de sms’en die met het nummer telefoonnummer 1 zijn verstuurd door verdachte zijn verstuurd of dat hij die dag gebruiker was van het nummer. Nu bij de aanhouding van verdachte hij de houder van de simkaart bij zich had, lijkt het erop alsof hij de simkaart net had gekregen. De sms’jes vormen bovendien geen aanwijzing voor de overdracht van een geldbedrag.

Wetenschap van de criminele herkomst

Er is niet komen vast te staan dat verdachte wist dat hetgeen in de dozen zat op 11 en 17 november geld was dat (on)middellijk afkomstig was van enig misdrijf. Dit maakt dat ten aanzien van de geldoverdrachten 12 en 26 alleen het schuldwitwassen kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte als geldkoerier betrokken is geweest bij de in de tenlastelegging genoemde geldoverdrachten.

De rechtbank gebruikt voor het bewijs de bevindingen van de verbalisanten met betrekking tot de getapte telefoongesprekken.

In de processen-verbaal van bevindingen omtrent geldtransacties in onderzoek A, geldoverdracht 1, geldoverdracht 2 en 3e geldoverdracht is vermeld dat middels stemherkenning is vastgesteld welke personen zijn te horen in de getapte telefoongesprekken, dat de identiteit van de genoemde personen eerder in het onderzoek is vastgesteld en dat na identificatie van de personen zij met hun eigen namen in het proces-verbaal zijn vermeld. Gezien deze vermeldingen gaat de rechtbank uit van de juistheid van de genoemde personen. De inhoud van de weergegeven tapgesprekken wordt bovendien bij sommige geldoverdrachten bevestigd door de bevindingen van een observatie en door de administratie die bij verdachte is aangetroffen.

De rechtbank gaat uit van de rolverdeling zoals die in het onderzoek A naar voren is gekomen. De personen die als verdachte worden genoemd in het onderzoek A komen naar voren in de verschillende tapgesprekken.

Op grond van de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de weergegeven tapgesprekken en de observatie moet worden afgeleid dat het de bedoeling was dat verdachte op 17 november 2009 het bij hem aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- zou overhandigen aan persoon 5. Verdachte en persoon 5 hadden voor hun geplande ontmoeting op 16 en 17 november 2009 telefonisch contact met elkaar. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat het telefoonnummer 1 bij verdachte in gebruik was, ook op de dagen waarop de andere tenlastegelegde geldoverdrachten hebben plaatsgevonden. Hiervoor is van belang dat het een kort tijdsbestek betreft namelijk twee weken, en dat een telefoon met voornoemd telefoonnummer op 17 november 2009 bij verdachte is aangetroffen. Daarbij heeft verdachte niet verklaard bij de politie dat hij de bij hem aangetroffen telefoon pas net in gebruik had.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de herkenning van verbalisant 6314 van verdachte bij de drie observaties.

Uit de getapte telefoongesprekken in samenhang bezien met de observaties en de bij verdachte aangetroffen notities kan worden afgeleid dat verdachte bij de ten laste gelegde geldoverdrachten als geldkoerier heeft gefungeerd. Voorts kan hieruit worden afgeleid dat in de getapte telefoongesprekken sprake is van versluierd taalgebruik en dat met ‘5’ € 5.000,- en met 100 € 100.000,- is bedoeld. Verdachte heeft geldbedragen van € 5.000,- tot € 134.000,- overgedragen ten behoeve van onder andere persoon 5 en persoon 2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte bij alle geldoverdrachten als geldkoerier was betrokken. Hiervoor is van belang dat verdachte bij de geldoverdrachten 26, 6 en 12 daadwerkelijk is gezien door verbalisanten. Voorts is van belang dat voorafgaand aan geldoverdracht 22 en 26 telefonisch contact is geweest met verdachte, dat het telefoonnummer van verdachte is genoemd in de getapte telefoongesprekken die betrekking hebben op geldoverdracht 13 en dat het adres waar de geldoverdrachten 9 en 17 hebben plaatsgevonden en de naam van de bij die geldoverdrachten betrokken persoon 5 op een papiertje in de fouillering van verdachte is gevonden. Nu voorgaande geldoverdrachten allemaal zijn vermeld in de notities die bij verdachte zijn aangetroffen op dezelfde manier als de overige geldoverdrachten, is voldoende komen vast te staan dat verdachte bij alle geldoverdrachten als geldkoerier was betrokken.

Wetenschap van de criminele herkomst

De rechtbank is van oordeel dat uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de door verdachte verrichte handelingen onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Hiervoor is het volgende van belang.

Verdachte is op 17 november 2009 aangehouden met een contant geldbedrag van € 100.000,-. Verdachte vervoerde dit geldbedrag in een kartonnen doos in bundels van 100 biljetten. Verdachte heeft op 11 november 2009 ook een geldbedrag van € 100.000,- vervoerd in een kartonnen doos. Verdachte heeft in korte tijd nog zes andere grote geldbedragen, variërend van € 5.000,-tot € 134.000,- contant vervoerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het in kartonnen dozen vervoeren en overhandigen van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard een dergelijk risico te lopen. Voorts is van belang dat over de geldoverdrachten verhuld werd gecommuniceerd. In de tapgesprekken is gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Ook verdachte heeft via de telefoon verhuld gecommuniceerd over geldoverdrachten.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag en de geldbedragen die hij heeft vervoerd afkomstig zijn van Hawala-bankieren met legaal geld. Gezien de hoogte van de geldbedragen acht de rechtbank zulks ook niet aannemelijk. Ook overigens is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat de geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. Daarentegen bevat het dossier wel indicaties dat de geldbedragen zijn verkregen middels drugshandel.

Voornoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen (zie ook: Hof Amsterdam, 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). De rechtbank is van oordeel dat verdachte een dergelijke verklaring niet heeft gegeven en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie niet verklaard over de geldbedragen. Bij de politie en ter terechtzitting van 5 juni 2014 heeft verdachte verklaard dat hij niet wist wat er in de doos zat die bij zijn aanhouding is aangetroffen. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig gezien de bij hem aangetroffen administratie, de eerdere observaties alsmede de telefonische contacten die verdachte heeft gehad en waaruit zijn betrokkenheid bij meerdere geldoverdrachten is gebleken. Verdachte heeft bovendien geen verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar om het Openbaar Ministerie tot nader onderzoek te nopen naar een eventuele alternatieve herkomst van de geldbedragen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Er kan aldus worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Gezien het aantal geldoverdrachten waarbij verdachte betrokken is geweest, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen bewezen.

Geldoverdracht 26 op 17 november 2009

Op 16 november 2009 omstreeks 18.29 uur belt persoon 5 uit naar verdachte omdat er een bericht voor hem zou zijn. Verdachte zegt dat er niets is, maar dat hij belt zodra er een bericht komt. Op 17 november 2009 vanaf 12.18 uur sms’en persoon 5 en verdachte elkaar. Uit de sms’en kan worden afgeleid dat persoon 5 om 13.35 uur naar de straat 3 zal komen. Aan de hand van mast locatiegegevens van de mobiele telefoon die in gebruik is bij persoon 5 blijkt dat de gebruiker van dit telefoonnummer zich omstreeks 12.22 uur zich nabij de straat 4 bevindt in de omgeving van de straat 3 te Amsterdam. Op camerabeelden wordt gezien dat verdachte zonder doos in zijn handen omstreeks 13.27 uur de winkel winkel A binnengaat en de winkel omstreeks 13.34 uur verlaat met een witte kartonnen doos onder zijn arm. Hij loopt richting de straat 5 en hij wordt aangehouden. Omstreeks 13.27 uur zien verbalisanten tijdens de observatie dat persoon 5 in een auto met kenteken kenteken 1 een aantal malen langzaam door de straat 3 rijdt. Persoon 5 stuurt een kennelijk een sms-bericht aan verdachte met de tekst: ‘I am waiting’.

De aanhouding van verdachte

Op 17 november 2009 omstreeks 13.25 uur wordt verdachte aangehouden op de straat 3 ter hoogte van perceel X te Amsterdam. Bij verdachte worden de volgende zaken aangetroffen:

  • een mobiele telefoon merk Nokia, voorzien van simkaart nummer 1, met het bijbehorende telefoonnummer telefoonnummer 1 (hierna genoemd: *telefoonnummer 1).
  • een notitieblokje van Ortel Mobile met daarin aantekeningen, waarin een soort van doorlopende balans, kennelijk inkomende en uitgaande bedragen zijn opgetekend.
  • een papiertje met de handgeschreven tekst: adres 1 en daarbij het kennelijke telefoonnummer: telefoonnummer 2.

De mobiele telefoon is onderzocht en uitgelezen. Voorts zijn alle aantekeningen en voorwerpen die daarvoor in aanmerking kwamen gekopieerd. In voornoemde telefoon (simkaart) wordt bij onderzoek het berichtenverkeer aangetroffen dat kennelijk met verdachte persoon 5 heeft plaatsgehad.

Bij de aanhouding is verdachte in het bezit van een witte kartonnen doos. In de doos zitten bundels met bankbiljetten. Op iedere bundel staat op het bovenste biljet 100 geschreven en iedere bundel is omwikkeld met elastiek. Het totale bedrag in de kartonnen doos blijkt € 100.000,- te zijn.

De administratie van verdachte

De bij verdachte aangetroffen administratie bestaat uit een soort doorlopende balans met bedragen, data en opmerkingen in de Pakistaanse taal “Urdu”. Deze aantekeningen zijn in het Nederlands vertaald. Vervolgens kon uit de balans worden afgeleid dat er kennelijk vaste personen waren van wie de geldkoerier geldbedragen in ontvangst nam en dat er vaste personen waren aan wie de geldkoerier bedragen overdroeg.

De herkenning van verdachte

Verdachte is door de verbalisant die hem heeft aangehouden op 17 november 2009 herkend als de persoon die hij tijdens een observatie van 7 november 2009 op de straat 5 hoek straat 3 heeft zien instappen in en op de straat 6 heeft zien uitstappen uit een auto waarin persoon 2 en persoon 1 zaten. De verbalisant heeft verdachte ook herkend als de persoon die tijdens een observatie op 11 november 2009 met een kartonnen doos uit de winkel A liep en die als bijrijder instapte in een Audi met persoon 5 als bestuurder.

Geldoverdracht 6 op 7 november 2009

Op 7 november 2009 vinden om 12.27 uur en 12.37 uur telefoongesprekken plaats tussen persoon 1 en een Hawala-tussenpersoon. In de gesprekken zegt persoon 1 onder andere dat de tussenpersoon 5 mag regelen voor 3 uur, omdat hij een winkelier moet betalen en de winkel om 4 uur dicht gaat. Hij heeft wat spullen gekocht en moet 2.500 a 3.000 betalen. De tussenpersoon zegt: ‘Ik stuur die jongen wel’. Omstreeks 13.41 uur wordt persoon 1 gebeld door een man vanuit een telefooncel op de straat 5 te Amsterdam en hij vraagt persoon 1 om naar de straat 3 te komen. Tijdens een observatie wordt waargenomen dat een Audi A2 met persoon 1 en persoon 2 (de rechtbank begrijpt: persoon 2) in de straat 5 te Amsterdam wordt geparkeerd. Om 14.08 uur wordt persoon 1 gebeld door een man vanuit voornoemde telefooncel. In het gesprek zegt persoon 1 dat hij is aangekomen en de man zegt dat hij er ook is. Tijdens de observatie wordt waargenomen dat de Audi A2 wegrijdt en op de hoek straat 3/straat 5 stopt en dat om 14.09 uur een onbekende man, die later blijkt te zijn de op 17 november 2009 aangehouden verdachte, achter in de Audi stapt. De Audi stopt in de straat 6 te Amsterdam en verdachte stapt uit en gaat een supermarkt en vervolgens de belwinkel winkel A aan de straat 3 nummer A binnen. Tijdens de observatie wordt gezien dat om 15.03 uur uit een winkel aan de adres 2 een vacuümmachine in een Mercedes wordt geladen. Persoon 1 en persoon 2 komen de winkel uit en stappen in de Mercedes. Bij desbetreffende winkel is op 7 november 2009 een vacuümmachine verkocht voor een bedrag van 2.558,50 euro.

Persoon 1 wordt in de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken ook wel aangeduid als alias persoon 1. Op de bij verdachte aangetroffen balans is op 7 november onder ‘uit’ een bedrag van € 5.000,- vermeld met daarachter de naam alias persoon 1. Het is aannemelijk dat de geldoverdrachten aan persoon 1 kennelijk werden geadministreerd onder de naam alias persoon 1.

Geldoverdracht 12 op 11 november 2009

Uit een telefoongesprek van 11 november 2009 omstreeks 12.29 uur blijkt dat de Hawala-tussenpersoon persoon 3 aan de Hawala-bankier in Nederland persoon 4 vraagt of hij ‘1’ kan regelen. Er wordt vermoed dat hier wordt verzocht of hij hier in Nederland € 100.000,- kon regelen. Persoon 3 stuurt op 11 november 2009 omstreeks 12.47 uur een sms naar persoon 5 met de tekst: ‘straat 3 nummer B.kom’. Persoon 5 stuurt omstreeks 12.49 uur een sms terug met de tekst: ‘Ik kom nu’. Omstreeks 13.30 uur belt hij dat hij eraan komt. Tijdens een observatie wordt omstreeks 13.30 uur een Audi A4 met kenteken 1 gezien op de kruising van de straat 3 met de straat 5. Er stapt een man uit die later wordt geïdentificeerd als persoon 5. Er stapt een man met een witte doos onder zijn arm bij persoon 5 in de auto. Deze man stapt vier minuten later weer uit de auto zonder witte doos.

Op de bij verdachte aangetroffen balans staat bij 11 november vermeld dat een bedrag van € 100.000,- euro is uit gegaan onder vermelding van de naam 2.

Geldoverdracht 22 op 14 november 2009

Op 14 november 2009 hebben persoon 5 en verdachte contact via de sms. Tussen 12.23 uur en 12.42 uur worden sms’en gestuurd waarin verdachte bevestigend antwoord op de vraag van persoon 5 of hij hem wil zien. Persoon 5 schrijft dat hij na zijn werk omstreeks 5 uur komt. Uit de mast locatiegegevens blijkt dat de telefoon die in gebruik is bij persoon 5 zich omstreeks 16.47 uur bevindt nabij het knooppunt Amstel te Amsterdam. Op basis van getapte telefoongesprekken op 15 november 2009, waaronder een gesprek van omstreeks 17.50 uur, waarin een Hawala-tussenpersoon wordt gebeld door persoon 2, en waarin persoon 2 zegt: ‘het is goed, het is ontvangen. En hoe heet het, had u gisteren 100 hier aan naam 1 gegeven?, en waarop de Pakistaanse tussenpersoon antwoordt: ‘Zeker, zeker, zeker.’, ontstaat het vermoeden dat op 14 november 2009 een bedrag van 100.000 euro is overgedragen door de gebruiker van *telefoonnummer 1 en persoon 5.15

Uit de getapte telefoongesprekken is gebleken dat persoon 5 ook wordt aangeduid als de man van naam 1 of de jongen van naam 1. In de balans die bij verdachte is aangetroffen staat dat er op 14 november € 100.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam 1. Het is aannemelijk dat de geldoverdrachten aan persoon 5 kennelijk werden geadministreerd onder de namen “naam 2” en “naam 1”.

Geldoverdracht 4 op 4 november 2009

Op 4 november 2009 om 16.22 uur belt persoon 2 naar persoon 3. Persoon 2 zit klem en wil een boodschap hebben. Persoon 2 heeft anderhalf nodig, maar als hij er een (1) kan krijgen is het ook goed. Persoon 3 zal het vanavond proberen te regelen.

Om 17.56 uur wordt persoon 1 gebeld door persoon 2. Persoon 2 vertelt dat hij minimaal 100 wil hebben. Persoon 1 zegt dat persoon 2 met persoon 5 moet gaan. Persoon 2 zet daar ook aan te denken want dan kan hij hem met een boodschap terugsturen.

Om 18.54 uur wordt persoon 1 gebeld door persoon 2. Persoon 2 zegt dat hij hem een boodschap gaat geven, daarna komt persoon 2 de sleutels bij persoon 1 halen.

Om 19.12 uur belt persoon 2 naar persoon 3. Persoon 2 wil weten waar hij hem kan ontmoeten. Persoon 3 zegt bij de pomp. Persoon 2 is op het straat 8 met naam 1. Persoon 2 gaat naar de winkel van naam 1 en belt als hij bij de pomp in de buurt is.

Om 19.44 uur wordt persoon 2 gebeld door persoon 3. Persoon 2 zegt dat hij daar is aan de overkant van de pomp. Persoon 3 zegt dat persoon 2 naast zijn auto moet gaan staan.

Om 19.52 uur wordt persoon 2 gebeld door persoon 3. Persoon 2 heeft de jongen ontmoet. Beiden spreken af voor morgen.

In de bij verdachte aangetroffen balans staat dat er op 4 november € 64.100,- en € 70.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam persoon 1 respectievelijk alias persoon 1.

Geldoverdracht 9 op 9 november 2009

Op 9 november 2009 om 11.25 uur wordt persoon 3, een Hawala-tussenpersoon, gebeld door persoon 2. Persoon 2 vraagt of persoon 3 1 boodschap voor naam 1 geregeld kan worden. Persoon 3 wil weten voor hoeveel. 60 of 70 zegt persoon 2.

Om 14.48 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 2. naam 1 heeft 60 nodig zegt persoon 2. Persoon 3 zegt dat hij het gaat doen, het is geen probleem. Persoon 2 zegt dat hij (de rechtbank begrijpt: een derde) die telefoon heeft.

Om 14.53 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 5, die zich de broer van naam 1 noemt. Persoon 5 zegt dat hij op een bericht aan het wachten is. Persoon 3 heeft een bericht en ze proberen af te spreken op een plek. Persoon 5 vraagt een adres op te sturen, dan rijdt hij daar naartoe.

Om 15.01 uur wordt er een sms gestuurd met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3), met de tekst: naam 1 aub regel 200 mensen zitten te wachten en stuur een adres en tijd aub.’

Om 15.18 uur ontvangt het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) een sms van het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ‘straat 7.’

Om 15.29 uur belt persoon 3 naar persoon 2 en zegt dat hij geen 200 heeft. Persoon 2 zegt dat het goed is en dat persoon 3 moet geven wat hij heeft. Persoon 2 heeft gezegd dat hij 60 zou geven.

Om 15.51 uur wordt er ge-sms’t met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ’10 min iam there’.

Uit de mast locatiegegevens van de mobiele telefoon met nummer telefoonnummer 2 blijkt dat de gebruiker zich omstreeks 15.51 uur, tijdens het verzenden van voornoemd sms-bericht, bevindt nabij Diemen in de omgeving van de straat 7 te Amsterdam.

Om 16.07 uur wordt de Hawala-tussenpersoon (de rechtbank begrijpt: persoon 3) gebeld door persoon 5. Persoon 3 vraagt of persoon 5 er is. Ja, zegt persoon 5 in de straat 7. Persoon 3 komt eraan.

Op basis van voorgaande gesprekken is af te leiden dat er in de middag van 9 november 2009 kennelijk een geldbedrag van 60.000 euro is overgedragen op de straat 7 te Amsterdam. Het exacte adres is aangetroffen in de fouillering van verdachte op een briefje waar ook het telefoonnummer telefoonnummer 2 in gebruik bij persoon 5 op stond, en in de TomTom van persoon 5.

Op 9 november is op de balans die bij verdachte is aangetroffen vermeld dat € 60.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam naam 2.

Geldoverdracht 13 op 11 november 2009

Op 11 november 2009 omstreeks 14.19 uur wordt de Hawala-tussenpersoon (telefoonnummer 3) gebeld door de Hawala-broker (telefoonnummer 4) vanuit Pakistan. De broker zegt dat het precies 70500 is. De tussenpersoon geeft de broker twee nummers namelijk nummer 2 en telefoonnummer 1. De broker zegt vervolgens: ‘is goed dan, zal ik het aan hem geven.’ De tussenpersoon zegt iets later in het gesprek: ‘U moet tegen hem zeggen dat hij het binnen 2 uurtjes moet geven anders gaat die jongen het niet in ontvangst nemen.’

Uit het gesprek is volgens de verbalisant af te leiden dat de Hawala tussenpersoon kennelijk een bedrag van 70.500 euro in ontvangst laat nemen door een geldkoerier van hem. De Hawala-tussenpersoon geeft kennelijk een token ‘nummer 2’ door alsmede een telefoonnummer telefoonnummer 1, kennelijk is dit het nummer waarop de geldkoerier kan worden benaderd.

Op 11 november staat op de balans die bij verdachte is aangetroffen dat € 70.500,- is ingekomen, onder vermelding van de naam Ahsaan.

Geldoverdracht 17 op 12 november 2009

Op 12 november 2009 om 11.43 uur wordt met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) een sms gestuurd naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ’10 min lips’.

Om 12.59 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 2. Persoon 2 vraagt of persoon 3 ‘hem’ 100 heeft gegeven. Ja, zegt persoon 3.

Uit bovenstaand gesprek kan volgens de verbalisant worden afgeleid dat op 12 november 2009 omstreeks 12.00 uur kennelijk een overdracht van 100.000 euro heeft plaatsgevonden in de omgeving van de straat 7 te Amsterdam.

Uit de mast locatiegegevens van de mobiele telefoon met nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) blijkt dat hij zich op 12 november 2009 omstreeks 11.43 uur bevindt in de omgeving van de S112 te Amsterdam. De Hawala-tussenpersoon bevindt zich op dat moment in de omgeving van de straat 7.

Op 12 november staat op de balans die bij verdachte is aangetroffen dat € 100.000,- is uitgegaan onder vermelding van de naam 2.

Bewezenverklaring

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Opvatting Hof dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen reeds daardoor w.v.v. vormden is niet juist

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648

Feiten

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juni 2011 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van €431.107,08 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In de bestreden uitspraak heeft het Hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €436.107,08 en - na aftrek van een bedrag van €5000 ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van €431.107,08 te betalen.

Het Hof heeft het oordeel dat de betrokkene door middel van het in de strafzaak bewezenverklaarde medeplegen van witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene op 4 juni 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op zijn naam een eenmanszaak heeft in- geschreven onder de naam A, die werd gedreven voor rekening van de be- trokkene.

Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof overwogen dat het zich uitsluitend heeft gebaseerd op het voordeel dat is behaald uit betalingen die door cliënten van het advocatenkantoor A zijn overgemaakt op de rekeningen ten name van A en op de privérekeningen van de betrokkene. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde medeplegen van witwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene het bedoelde voordeel heeft verkregen.

Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op de opvatting dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen via de Nederlandse rechter: toezicht is 'buitengewoon lastig'

Het Moldavische rechtssysteem is op grote schaal misbruikt om meer dan 20 miljard aan Russische tegoeden wit te wassen. Ook in Nederland is er geprobeerd om geld via de rechter wit te wassen. Toezicht daarop is volgens deken Bas Martens ‘buitengewoon lastig’.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor (gewoonte)witwassen op basis van een eenvoudige kasopstelling

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6730

Door de verdediging is aangevoerd dat de methode van de eenvoudige kasopstelling in de onderhavige zaak niet gebruikt kan worden, omdat er zowel girale als contante betalingen en ontvangsten zijn, die binnen de eenvoudige kasopstelling niet allemaal zichtbaar kunnen worden gemaakt en derhalve tot een vertekend beeld kunnen leiden. Slechts in situaties waarin alleen contant geld in omloop is, zou de eenvoudige kasopstelling gehanteerd kunnen worden.

Anders dan door de verdediging is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de gehanteerde (eenvoudige) kasopstelling wel gebruikt kan worden voor het bewijs van het aan het oordeel van het hof onderworpen feit.

De essentie van de eenvoudige kasopstelling wordt met juistheid weer- gegeven op p. 26 van het proces-verbaal van relaas: “De eenvoudige kasopstelling is slechts toepasbaar, indien betrokkene vrijwel uitsluitend zijn geldverkeer contant regelt (contante ontvangsten en uitgaven) en geen gebruik maakt van giraal betalingsverkeer, dan wel, wanneer middels dit giraal betalingsverkeer uitsluitend legale ontvangsten plaatsvinden cq [het girale betalingsverkeer] uitsluitend bestaat uit legale geldstromen.” Uit de eigen verklaringen van verdachte, aan de juistheid waarvan het hof in zoverre niet twijfelt nu uit het onderzoek het tegendeel niet valt af te leiden, volgt dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat er mogelijk giraal geld is onttrokken aan het bancair vermogen dat is aangewend voor de (legale) aankoop van auto’s, die zijn doorverkocht tegen contante betaling. Deze contante, legale en hogere inkomsten zouden vervolgens weer zijn gestort op de bank. Hierdoor zou de legale handel in auto’s kunnen leiden tot op het oog onverklaarbare onttrekkingen aan het contante vermogen, immers het verschil tussen het bedrag van de girale onttrekking en het (hogere) bedrag van de contante storting.

Het hof verwerpt deze hypothese. Alle girale transacties zijn traceerbaar, door de verbalisanten als legaal aangemerkt en - aldus in het voordeel van verdachte - bewust buiten de kasopstelling gehouden. Alleen de begin- en eindsaldo’s van het bancaire vermogen zijn vergeleken. De legale contante inkomsten – waaronder ontvangsten uit autohandel – en uitgaven zijn in de kasopstelling verwerkt.

De (contante) legale, bedrijfsmatige uitgaven zijn afgeleid uit de beschikbare boekhouding en hetgeen daar verder over is verklaard door verdachte. Voor wat betreft contante privé-uitgaven is gebruik gemaakt van de rekeningen die verdachte over kon leggen of die zijn aangetroffen. Er zijn ramingen opgesteld, al dan niet aan de hand van verklaringen van verdachte. Deze ramingen komen het hof niet als onaannemelijk over. De verdachte had de contante uitgaven waarover onduidelijkheid of onenigheid bestond aan- nemelijk kunnen en moeten maken. Van omkering van de bewijslast voor wat betreft dit aannemelijk maken is naar het oordeel van het hof geen sprake.

Het hof acht de gehanteerde kasopstelling, die tot stand is gekomen op basis van een zeer uitgebreid onderzoek, waarbij wat redelijkerwijs te onderzoeken was ook daadwerkelijk onderzocht is, deugdelijk en be- trouwbaar.

Uit die kasopstelling volgt dat er een bedrag van € 194.074,45 beschikbaar was voor contante uitgaven. De feitelijke contante uitgaven bedroegen evenwel € 621.305,61.

Voor wat betreft het geconstateerde verschil in die kasopstelling van €427.231,16 heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven. Zo heeft hij niets willen zeggen over de door hem gepretendeerde autohandel in/vanuit Duitsland. De gerelateerde opmerking van zijn boekhouder daarover is een verklaring van horen zeggen, “uit de branche”, die niet gebaseerd is op door verdachte aan die boekhouder verschafte financiële gegevens. Ook ter zitting heeft verdachte daarover niet nader verklaard.

Naar het oordeel van het hof is er in casu sprake van een onverklaarbaar bedrag aan inkomsten, groot € 427.231,16, dat als afkomstig uit enig misdrijf moet worden aangemerkt, nu het – bij het ontbreken van een niet op voorhand als onwaarschijnlijk aan te merken andersluidende verklaring – niet anders kan zijn dan dat dit uit enig misdrijf afkomstig is

Gelet op de omvang van het bedrag en de pleegperiode en op het aantreffen van hennep in een bijgebouw bij de woning van verdachte, alsmede de eerdere veroordelingen van verdachte ter zake van hennepteelt, is het hof van oordeel dat er sprake was van gewoontewitwassen van geld uit criminele activiteiten.

Bewezenverklaring

Gewoontewitwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Probleemoplossingsgericht denken bij witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen'

Anders dan bij het strafbare feit heling is ten aanzien van het delict witwassen de zogeheten ‘heler-steler’-regel naar de letter van de wet en de bedoeling van de (internationale) wetgever niet van toepassing. Ook een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf kan worden witgewassen. Sinds enige jaren heeft de Hoge Raad daarop een concrete uitzondering gecreëerd ten aanzien van het enkele verwerven of voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen, als een gedraging van de verdachte die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter heeft, ontbreekt. Die uitzondering en het begrijpen van de reikwijdte ervan leveren grote problemen op voor de strafrechtspraktijk. Dat geldt met name als bij een verdachte geldbedragen worden aangetroffen waarvan moet worden aangenomen dat deze geen legale herkomst hebben en het vermoeden bestaat dat ze rechtstreeks zijn verkregen uit misdrijven van de verdachte zelf. Het verwerven en voorhanden hebben van dat geld leveren dan niet zonder meer witwassen op.

Diverse uitspraken laten zien dat het OM, de strafrechter en de advocatuur worstelen met de reikwijdte van deze uitzondering. Ook recent heeft de Hoge Raad weer een aantal arresten gewezen waarin dat duidelijk wordt. Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad veelal, in de meeste gevallen na een overweging waarin de wetsgeschiedenis van artikel 420bis Sr werd aangehaald, dat weliswaar was komen vast te staan dat de verdachte geldbedragen had verstopt, maar dat nog niet gezegd kon worden dat de verdachte daarmee ook het grondfeit trachtte te verhullen of verbergen. In veel gevallen kon daarom het bewezen verklaarde verwerven of voorhanden hebben van het geld niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat levert een voor justitie onwenselijke situatie op, nu de strafbaarstelling van witwassen juist in een zo vroeg mogelijk stadium beoogt te voorkomen dat crimineel vermogen in het legale circuit terechtkomt. Dit volgt ook uit de criminologische beschrijving van het fenomeen witwassen, waarin sprake is van het plaatsen, versluieren en uiteindelijk integreren van het geld in het normale financiële verkeer. Met welk ander doel zal de crimineel zijn opbrengst immers hebben verstopt dan om er op enig moment profijt van te hebben? Is de boef, met andere woorden, echt straffeloos als hij zijn buit ‘alleen nog maar’ ergens heeft weggestopt? Het probleem lijkt vooral aanwezig als bestraffing voor het gronddelict uitblijft en/of blijkt dat het geld niet op een of andere manier kan worden ‘afgepakt’.

In deze bijdrage onderzoeken de auteurs of het ten laste leggen van een poging tot witwassen als mogelijke oplossing zou kunnen fungeren voor de hiervoor geschetste witwasproblematiek. Allereerst wordt daartoe in paragraaf 2 de bepaling van artikel 420bis Sr uiteengezet en wordt het probleem waarover het nu precies gaat geschetst aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad. 6 Daarbij stellen wij ons ook de vraag waarom er sprake van een probleem zou zijn. Vervolgens wordt in paragraaf 3 een tweetal arresten besproken waarin deze problematiek recent aan de orde kwam. Hierbij geven wij aan waar het bij de kwalificatievraag nu in de kern aan schortte en signaleren wij een probleem voor de opsporing. In paragraaf 4 wordt de poging tot witwassen aangedragen als een nieuwe mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie om toch tot een succesvolle vervolging over te kunnen gaan, waarbij wij die mogelijkheid vervolgens toepassen op de twee eerder besproken arresten. Paragraaf 5 sluit af met een conclusie.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

'Witwassen the sequel: verstoppen is niet verhullen – en andere preciseringen'

De afgelopen tijd heeft de Hoge Raad wederom een aantal arresten gewezen over de vraag: wat is witwassen. Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat het enkele weglopen met de ‘buit’ van een eigen misdrijf of het verstoppen daarvan nog geen witwassen oplevert. De rechter moet in dat geval motiveren wat de verdachte heeft gedaan om de herkomst te ‘verhullen’.

In de huidige serie arresten preciseert de Hoge Raad dat de verhullingseis:

  • niet hoeft te worden toegepast bij indirect uit misdrijf afkomstige gelden of voorwerpen;
  • ook van toepassing kan zijn op andere ‘witwashandelingen’ dan voorhanden hebben of verwerven, zoals overdragen, gebruik maken of omzetten ;
  • niet van toepassing is als het witwasdelict ‘verbergen of verhullen’ is tenlastegelegd;
  • niet ziet op het voorwerp zelf maar op de herkomst van het voorwerp.

Deze en eerdere arresten over de reikwijdte van witwassen kunnen boven- dien invloed hebben op de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: sprake van eigen misdrijf?

Rechtbank Amsterdam 1 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4189

De verdediging heeft betoogd dat het hier gaat om geldbedragen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf en dat dat geen witwassen oplevert. De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte dat hij de geldbedragen heeft verdiend met “verkeerde dingen” dermate vaag en algemeen is dat deze als onaannemelijk ter zijde moet worden gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat dat misdrijf door verdachte zelf is begaan. Het belang met het oog waarop de Hoge Raad eerdergenoemd vereiste heeft geformuleerd – voorkoming van dubbele bestraffing – is in het onderhavige geval dus niet in het geding. Verweer wordt verworpen. Witwassen bewezenverklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: tips voor de verdediging

Wanneer in een witwaszaak sprake is van een onbekend grondfeit, dan zal de verdediging veelal met een verhaal moeten komen. Dat verhaal moet een verklaring geven voor het geld. Aan de hand van de verklaring kan de rechter vaststellen dat het een legale herkomst heeft. Vaak is de legale herkomst moeilijk sluitend te bewijzen. Afspraken worden niet op papier gezet, er wordt een slordige administratie gevoerd etc. Hoewel de herkomst dan werkelijk legaal is, is dat dan niet evident. De verdediging moet dan terugvallen op de feiten en omstandigheden die wel vast staan. Van groot belang is het om de betrouwbaarheid van de verklaring niet te ondergraven door te terughoudend te zijn.

Op de nieuwe blog, Fraude en bijzonder strafrecht, van Dirk van Leeuwen worden drie tips voor de presentatie besproken. Deze kwamen eerder al aan bod tijdens de Verdiepingscursus Witwassen, georganiseerd door Bijzonder-Strafrecht.nl Academie en gehouden op vrijdag 27 juni jl.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1588

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 4 februari 2013 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en voor 2 (schuldwitwassen, meermalen gepleegd) veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren.

Mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal bij het hof, heeft cassatie ingesteld, evenals mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, die dat namens verdachte heeft gedaan.

Middel

Het door verdachte ingestelde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen en overdragen van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, is de bewezenverklaring - mede in het licht van hetgeen de verdachte ter terechtzitting omtrent dat geld heeft verklaard - niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Wijziging Uitvoeringsbesluit Wwft

Het Wijzigingsbesluit financiële markten 2015 bevat als onderdeel van de jaarlijkse wijzigingscyclus van nationale regelgeving op het terrein van de financiële markten een aantal wijzigingen van algemene maatregelen van bestuur die hun grondslag hebben in de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet financiële markten BES (Wfm BES) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Verduidelijking indicatoren ongebruikelijke transacties

In de toezichtspraktijk van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is gebleken dat behoefte bestaat om per type instelling te verduidelijken welke indicatoren bepalend zijn voor het doen van een melding van een ongebruikelijke transactie. De wijziging van de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Uitvoeringsbesluit Wwft) strekt daartoe: In de bijlage is per type instelling een uitputtende lijst opgenomen met voor die instelling toepasselijke indicatoren.

Ook zijn, voortvloeiend uit een wens van de toezichthouders, voor een aantal typen instellingen de indicatoren aangepast of aangevuld. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om op onderdelen de formulering van bepaalde indicatoren aan te scherpen, zonder daarmee materieel gezien wijziging te beogen.

De bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft is verder aangevuld met indicatoren voor instellingen die onlangs onder de reikwijdte van de Wwft zijn gebracht (de instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe), per 1 januari 2014) of per 1 januari 2015 onder die reikwijdte zullen komen (het pandhuis en de tussenpersoon die bemiddelt bij koop en verkoop van bepaalde goederen van grote waarde, ingevolge de Wijzigingswet financiële markten 2015).

Print Friendly and PDF ^