Rb: door verdachte verrichte handelingen & omstandigheden waaronder is sprake van vermoeden van witwassen. Het kan niet anders dan dat de geldbedragen geheel / gedeeltelijk, onmiddellijk / middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist

Rechtbank Amsterdam 19 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6045

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die zijn verricht zodanig zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld is onvoldoende concreet en verifieerbaar om het Openbaar Ministerie tot nader onderzoek te nopen naar een eventuele alternatieve herkomst van de geldbedragen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist.

Feiten

In de periode van 1 oktober 2009 tot en met 20 oktober 2009 heeft een teamleider van de Dienst Nationale Recherche een vijftal processen-verbaal van de Dienst IPOL ontvangen. In deze processen-verbaal is door de Britse opspo- ringsautoriteiten melding gemaakt van het feit dat de verdachten persoon 1 en persoon 2 in Nederland zouden verblijven en verantwoordelijk zouden zijn voor de invoer en verspreiding van grote hoeveelheden harddrugs, voornamelijk heroïne, via Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van deze informatie is een opsporingsonderzoek opgestart onder de naam onderzoek A.

In het kader van dit opsporingsonderzoek hebben in eerste instantie diverse onderzoeken telecommunicatie plaatsgevonden ten aanzien van de telecom- municatienummers in gebruik bij de verdachten persoon 1 en persoon 2. Naar aanleiding van de inhoud en strekking van deze opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat deze verdachten gebruik maakten van ondergronds bankieren, in het bijzonder van het zogenoemde Hawala-systeem, om de gegeneerde opbrengsten uit de handel in verdovende middelen vanuit Engeland naar Nederland en Turkije te verplaatsen. Uit de opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat er binnen het onderzoek onderzoek A minimaal veertig geldtransacties hebben plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek onderzoek A hebben diverse observaties plaatsgevonden. Tijdens deze observaties zijn diverse geldoverdrachten waargenomen. Persoon 1 en persoon 2 werden ervan verdacht als opdrachtgevers te zijn betrokken bij het witwassen van geld door middel van het ondergronds bankieren. Persoon 3 werd aangeduid als Hawala-tussenpersoon. Persoon 4 werd aangeduid als bankier in Nederland. Persoon 5 werd aangeduid als ontvanger/begunstigde van het geld in Nederland en verdachte als geldkoerier. Persoon 1 en persoon 2 en persoon 5 zijn door de rechtbank Amsterdam op 23 december 2011 onder meer veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de handel in een partij van ruim 32 kg heroïne. De verdachten persoon 3 en persoon 4 zijn veroordeeld voor het witwassen van een groot aantal geldbedragen.

Verdachte wordt verweten betrokken te zijn geweest bij acht van de veertig geldtransacties en zich daarmee schuldig te hebben gemaakt aan gewoon- tewitwassen of witwassen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het witwassen van alle ten laste gelegde geldtransacties, en daarmee het ten laste gelegde gewoontewitwassen kan worden bewezen.

Verdachte heeft bij de acht ten laste gelegde geldoverdrachten opgetreden als geldkoerier en hij heeft in het kader van Hawala-transacties grote geldbedragen in ontvangst genomen of afgegeven. Naast verdachte hebben persoon 1 en persoon 2, persoon 3, persoon 4, persoon 5 en een onbekende broker in Pakistan hierbij een rol gespeeld. Op grond van het dossier kan van een aantal telefoonnummers worden vastgesteld bij welke van de genoemde personen dat nummer in gebruik was. Op grond van de in de fouillering bij verdachte aangetroffen telefoon met simkaart en originele houder van de simkaart, kan ervan worden uitgegaan dat het telefoonnummer 1 destijds door verdachte is gebruikt. Het bij verdachte aangetroffen notitieboekje bevat een doorlopende balans van transacties betreffende persoon 1 en persoon 2. In het boekje staan benamingen voor de mededaders van verdachte. De schriften die in de straat 1 zijn aangetroffen vormen de Hawala-administratie van persoon 4 en bevatten eveneens een balans die ten behoeve van persoon 1 en persoon 2 is bijgehouden en die aansluit op de administratie die bij verdachte is aangetroffen. De betalingen op deze balans worden namelijk als ontvangsten geboekt op de balans van verdachte. Ook de aantekeningen uit de straat 2, die voor een groot deel te koppelen zijn aan de transacties met betrekking tot persoon 5 en/of Turkije, sluiten aan de bij de notities uit het boekje van verdachte. Bij lezing van de voornoemde administratie in onderlinge samenhang en in samenhang met de opgenomen tapgesprekken kan worden vastgesteld welke persoon met welke naam wordt bedoeld. In de tapgesprekken wordt regelmatig gesproken over het geven van ‘1’, ‘100’, ‘60’ etc. Uit de in beslag genomen administratie blijkt dat met deze getallen bedragen worden bedoeld met weglating van duizendtallen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde geldoverdrachten heeft de officier van justitie het volgende opgemerkt.

Geldoverdracht 26

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van de aanhouding, de tapgesprekken tussen de diverse mededaders voorafgaand en kort na de aanhouding van verdachte, de observatie, de peilgegevens, de verklaring van persoon 6 en de administratie van de straat 1. In deze administratie is op 17 november 2009 een bedrag van € 100.000,-in mindering gebracht op de balans van persoon 1 en persoon 2 met de omschrijving ‘alias verdachte’. De omschrijving ‘alias verdachte’ komt hierna niet meer terug en hieruit kan worden afgeleid dat met ‘alias verdachte’ verdachte werd aangeduid. In de aantekeningen van de straat 2 is een leeg vakje te zien bij 17 november, hetgeen waarschijnlijk duidt op de aanhouding van verdachte.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan de rolverdeling worden vastgesteld tussen verdachte en zijn mededaders, waarbij persoon 2 de opdrachtgever is, persoon 3 de tussenpersoon, persoon 4 de bankier en verdachte de koerier is. Voorts kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen administratie betrekking heeft op de geldoverdrachten.

Geldoverdracht 12 en 22

De eerder genoemde rolverdeling is bij deze transacties vrijwel identiek en blijkt uit tapgesprekken. Op 11 november is gezien dat verdachte met een doos in de auto van persoon 5 stapt en dat hij even later zonder doos weer uitstapt. Ten aanzien van transactie 22 blijkt uit sms-berichten en peilgegevens van de telefoon van persoon 5 dat hij en verdachte elkaar ontmoeten. Na de ontmoetingen vinden gesprekken plaats tussen persoon 3 en persoon 2, waarbij persoon 3 bevestigt dat hij ‘hier 1 heeft gegeven’ (transactie 12) en ‘100 hier aan naam 1’ heeft gegeven (transactie 22). Bij verdachte is een briefje aangetroffen met daarop de vermelding van het telefoonnummer van persoon 5 en de aantekening: ‘adres 1’. Dit is de straat waar verdachte persoon 5 op 14 november zou ontmoeten. In de TomTom van de auto van persoon 5 is dit adres eveneens aangetroffen. De transacties zijn terug te vinden in de administratie van verdachte en de administratie van de straat 2 en straat 1.

Geldoverdracht 4

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken op 4 november 2009 tussen persoon 1, persoon 2 en persoon 3 en de notities die bij verdachte zijn aangetroffen.

Geldoverdracht 6

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen persoon 1 en persoon 3, een observatie waarin is te zien dat verdachte bij persoon 1 en persoon 2 in een Audi stapt, de notities van verdachte en het aantreffen van een vacuümmachine.

Geldoverdracht 9

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen persoon 2, persoon 3 en persoon 5 en de sms’en tussen persoon 5 en persoon 3, het bij verdachte aangetroffen briefje met de aantekening ‘adres 1’ en het telefoonnummer van persoon 5, en de notities van verdachte.

Geldoverdracht 13

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van tapgesprekken tussen een Hawala broker uit Pakistan en persoon 3, en de notities van verdachte.

Geldoverdracht 17

Deze geldoverdracht kan worden bewezen op grond van de tapgesprekken tussen persoon 2 en persoon 3 en sms’en tussen persoon 3 en persoon 5, peilgegevens en de notities van verdachte.

Wetenschap van de criminele herkomst

Op grond van onderstaande omstandigheden - kort weergegeven - kan worden gesteld dat sprake is van een vermoeden van witwassen:

  • persoon 1 en persoon 2 zijn door de rechtbank veroordeeld wegens het vervoeren van heroïne en het witwassen middels undergroundbanking van de opbrengsten van de heroïnehandel;
  • verdachte is aangehouden met een contant geldbedrag van € 100.000,- en hij vervoerde het geldbedrag op een zeer riskante manier, namelijk in een kartonnen doos over straat;
  • over de geldoverdrachten wordt verhuld gecommuniceerd;
  • de overgedragen geldbedragen zijn te hoog om te kunnen doorgaan voor overmakingen via Hawala naar het land van herkomst door migranten;
  • verdachte had destijds geen legale inkomsten die het bezit van grote geldbedragen kunnen verklaren.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de herkomst van de door hem overgedragen geldbedragen, terwijl dit gezien voorgaande omstandigheden wel van hem mag worden verlangd. Gezien het voorgaande is het bestaan van een legale bron zo onwaarschijnlijk dat het niet anders kan zijn dan dat alle bedragen - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Van het subsidiair ten laste gelegde kan alleen het schuldwitwassen ten aanzien van geldoverdracht 12 en 26 worden bewezen.

De bij verdachte aan getroffen papiertjes hebben betrekking op veel meer transacties dan aan verdachte zijn ten laste gelegd. De notitieblaadjes zijn mogelijk aan verdachte, de geldloper, meegegeven om de overdracht te noteren en later weer in te leveren bij de Hawala-bankier. De papiertjes op zichzelf zijn onvoldoende om het ten laste gelegde medeplegen te bewijzen.

Geldoverdracht 12 en 26

De betrokkenheid van verdachte is gebleken op grond van de administratie die wordt ondersteund door twee heldere observaties. Hierbij kan worden aangenomen dat verdachte in de administratie van de straat 1 wordt aangeduid als ‘alias verdachte’.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde geldtransacties staat ‘alias verdachte’ niet in de administratie van de straat 1 vermeld en kan de betrokkenheid van verdachte niet worden bewezen.

Geldoverdracht 4

De tapgesprekken waarin wordt gesproken over ‘die jongen’ kunnen niet bijdragen tot enige ondersteuning van betrokkenheid van verdachte, nu ‘die jongen’ kennelijk in het spraakgebruik een algemene verwijzing is en er ook in december 2009 in tapgesprekken over ‘die jongen’ wordt gesproken. Hierdoor is allerminst komen vast te staan dat met ‘die jongen’ verdachte is bedoeld.

Geldoverdracht 6

De door verbalisant 6314 gestelde herkenning van verdachte als NN1 op 7 november blijkt onvoldoende uit de processen-verbaal en wordt niet ondersteund door een foto. De herkenning is te onspecifiek om er enige waarde aan te kunnen ontlenen. Er staat niet in het proces-verbaal hoe hij heeft vastgesteld dat hij verdachte heeft herkend.

Geldoverdracht 9, 13 en 17

Ten aanzien van deze geldoverdrachten vormen de tapgesprekken geen steun voor de betrokkenheid van verdachte bij de geldoverdrachten.

Geldoverdracht 22

Er kan niet worden vastgesteld dat de sms’en die met het nummer telefoonnummer 1 zijn verstuurd door verdachte zijn verstuurd of dat hij die dag gebruiker was van het nummer. Nu bij de aanhouding van verdachte hij de houder van de simkaart bij zich had, lijkt het erop alsof hij de simkaart net had gekregen. De sms’jes vormen bovendien geen aanwijzing voor de overdracht van een geldbedrag.

Wetenschap van de criminele herkomst

Er is niet komen vast te staan dat verdachte wist dat hetgeen in de dozen zat op 11 en 17 november geld was dat (on)middellijk afkomstig was van enig misdrijf. Dit maakt dat ten aanzien van de geldoverdrachten 12 en 26 alleen het schuldwitwassen kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte als geldkoerier betrokken is geweest bij de in de tenlastelegging genoemde geldoverdrachten.

De rechtbank gebruikt voor het bewijs de bevindingen van de verbalisanten met betrekking tot de getapte telefoongesprekken.

In de processen-verbaal van bevindingen omtrent geldtransacties in onderzoek A, geldoverdracht 1, geldoverdracht 2 en 3e geldoverdracht is vermeld dat middels stemherkenning is vastgesteld welke personen zijn te horen in de getapte telefoongesprekken, dat de identiteit van de genoemde personen eerder in het onderzoek is vastgesteld en dat na identificatie van de personen zij met hun eigen namen in het proces-verbaal zijn vermeld. Gezien deze vermeldingen gaat de rechtbank uit van de juistheid van de genoemde personen. De inhoud van de weergegeven tapgesprekken wordt bovendien bij sommige geldoverdrachten bevestigd door de bevindingen van een observatie en door de administratie die bij verdachte is aangetroffen.

De rechtbank gaat uit van de rolverdeling zoals die in het onderzoek A naar voren is gekomen. De personen die als verdachte worden genoemd in het onderzoek A komen naar voren in de verschillende tapgesprekken.

Op grond van de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de weergegeven tapgesprekken en de observatie moet worden afgeleid dat het de bedoeling was dat verdachte op 17 november 2009 het bij hem aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- zou overhandigen aan persoon 5. Verdachte en persoon 5 hadden voor hun geplande ontmoeting op 16 en 17 november 2009 telefonisch contact met elkaar. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat het telefoonnummer 1 bij verdachte in gebruik was, ook op de dagen waarop de andere tenlastegelegde geldoverdrachten hebben plaatsgevonden. Hiervoor is van belang dat het een kort tijdsbestek betreft namelijk twee weken, en dat een telefoon met voornoemd telefoonnummer op 17 november 2009 bij verdachte is aangetroffen. Daarbij heeft verdachte niet verklaard bij de politie dat hij de bij hem aangetroffen telefoon pas net in gebruik had.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de herkenning van verbalisant 6314 van verdachte bij de drie observaties.

Uit de getapte telefoongesprekken in samenhang bezien met de observaties en de bij verdachte aangetroffen notities kan worden afgeleid dat verdachte bij de ten laste gelegde geldoverdrachten als geldkoerier heeft gefungeerd. Voorts kan hieruit worden afgeleid dat in de getapte telefoongesprekken sprake is van versluierd taalgebruik en dat met ‘5’ € 5.000,- en met 100 € 100.000,- is bedoeld. Verdachte heeft geldbedragen van € 5.000,- tot € 134.000,- overgedragen ten behoeve van onder andere persoon 5 en persoon 2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte bij alle geldoverdrachten als geldkoerier was betrokken. Hiervoor is van belang dat verdachte bij de geldoverdrachten 26, 6 en 12 daadwerkelijk is gezien door verbalisanten. Voorts is van belang dat voorafgaand aan geldoverdracht 22 en 26 telefonisch contact is geweest met verdachte, dat het telefoonnummer van verdachte is genoemd in de getapte telefoongesprekken die betrekking hebben op geldoverdracht 13 en dat het adres waar de geldoverdrachten 9 en 17 hebben plaatsgevonden en de naam van de bij die geldoverdrachten betrokken persoon 5 op een papiertje in de fouillering van verdachte is gevonden. Nu voorgaande geldoverdrachten allemaal zijn vermeld in de notities die bij verdachte zijn aangetroffen op dezelfde manier als de overige geldoverdrachten, is voldoende komen vast te staan dat verdachte bij alle geldoverdrachten als geldkoerier was betrokken.

Wetenschap van de criminele herkomst

De rechtbank is van oordeel dat uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de door verdachte verrichte handelingen onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Hiervoor is het volgende van belang.

Verdachte is op 17 november 2009 aangehouden met een contant geldbedrag van € 100.000,-. Verdachte vervoerde dit geldbedrag in een kartonnen doos in bundels van 100 biljetten. Verdachte heeft op 11 november 2009 ook een geldbedrag van € 100.000,- vervoerd in een kartonnen doos. Verdachte heeft in korte tijd nog zes andere grote geldbedragen, variërend van € 5.000,-tot € 134.000,- contant vervoerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het in kartonnen dozen vervoeren en overhandigen van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard een dergelijk risico te lopen. Voorts is van belang dat over de geldoverdrachten verhuld werd gecommuniceerd. In de tapgesprekken is gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Ook verdachte heeft via de telefoon verhuld gecommuniceerd over geldoverdrachten.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag en de geldbedragen die hij heeft vervoerd afkomstig zijn van Hawala-bankieren met legaal geld. Gezien de hoogte van de geldbedragen acht de rechtbank zulks ook niet aannemelijk. Ook overigens is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat de geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. Daarentegen bevat het dossier wel indicaties dat de geldbedragen zijn verkregen middels drugshandel.

Voornoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen (zie ook: Hof Amsterdam, 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). De rechtbank is van oordeel dat verdachte een dergelijke verklaring niet heeft gegeven en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie niet verklaard over de geldbedragen. Bij de politie en ter terechtzitting van 5 juni 2014 heeft verdachte verklaard dat hij niet wist wat er in de doos zat die bij zijn aanhouding is aangetroffen. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig gezien de bij hem aangetroffen administratie, de eerdere observaties alsmede de telefonische contacten die verdachte heeft gehad en waaruit zijn betrokkenheid bij meerdere geldoverdrachten is gebleken. Verdachte heeft bovendien geen verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar om het Openbaar Ministerie tot nader onderzoek te nopen naar een eventuele alternatieve herkomst van de geldbedragen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Er kan aldus worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Gezien het aantal geldoverdrachten waarbij verdachte betrokken is geweest, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen bewezen.

Geldoverdracht 26 op 17 november 2009

Op 16 november 2009 omstreeks 18.29 uur belt persoon 5 uit naar verdachte omdat er een bericht voor hem zou zijn. Verdachte zegt dat er niets is, maar dat hij belt zodra er een bericht komt. Op 17 november 2009 vanaf 12.18 uur sms’en persoon 5 en verdachte elkaar. Uit de sms’en kan worden afgeleid dat persoon 5 om 13.35 uur naar de straat 3 zal komen. Aan de hand van mast locatiegegevens van de mobiele telefoon die in gebruik is bij persoon 5 blijkt dat de gebruiker van dit telefoonnummer zich omstreeks 12.22 uur zich nabij de straat 4 bevindt in de omgeving van de straat 3 te Amsterdam. Op camerabeelden wordt gezien dat verdachte zonder doos in zijn handen omstreeks 13.27 uur de winkel winkel A binnengaat en de winkel omstreeks 13.34 uur verlaat met een witte kartonnen doos onder zijn arm. Hij loopt richting de straat 5 en hij wordt aangehouden. Omstreeks 13.27 uur zien verbalisanten tijdens de observatie dat persoon 5 in een auto met kenteken kenteken 1 een aantal malen langzaam door de straat 3 rijdt. Persoon 5 stuurt een kennelijk een sms-bericht aan verdachte met de tekst: ‘I am waiting’.

De aanhouding van verdachte

Op 17 november 2009 omstreeks 13.25 uur wordt verdachte aangehouden op de straat 3 ter hoogte van perceel X te Amsterdam. Bij verdachte worden de volgende zaken aangetroffen:

  • een mobiele telefoon merk Nokia, voorzien van simkaart nummer 1, met het bijbehorende telefoonnummer telefoonnummer 1 (hierna genoemd: *telefoonnummer 1).
  • een notitieblokje van Ortel Mobile met daarin aantekeningen, waarin een soort van doorlopende balans, kennelijk inkomende en uitgaande bedragen zijn opgetekend.
  • een papiertje met de handgeschreven tekst: adres 1 en daarbij het kennelijke telefoonnummer: telefoonnummer 2.

De mobiele telefoon is onderzocht en uitgelezen. Voorts zijn alle aantekeningen en voorwerpen die daarvoor in aanmerking kwamen gekopieerd. In voornoemde telefoon (simkaart) wordt bij onderzoek het berichtenverkeer aangetroffen dat kennelijk met verdachte persoon 5 heeft plaatsgehad.

Bij de aanhouding is verdachte in het bezit van een witte kartonnen doos. In de doos zitten bundels met bankbiljetten. Op iedere bundel staat op het bovenste biljet 100 geschreven en iedere bundel is omwikkeld met elastiek. Het totale bedrag in de kartonnen doos blijkt € 100.000,- te zijn.

De administratie van verdachte

De bij verdachte aangetroffen administratie bestaat uit een soort doorlopende balans met bedragen, data en opmerkingen in de Pakistaanse taal “Urdu”. Deze aantekeningen zijn in het Nederlands vertaald. Vervolgens kon uit de balans worden afgeleid dat er kennelijk vaste personen waren van wie de geldkoerier geldbedragen in ontvangst nam en dat er vaste personen waren aan wie de geldkoerier bedragen overdroeg.

De herkenning van verdachte

Verdachte is door de verbalisant die hem heeft aangehouden op 17 november 2009 herkend als de persoon die hij tijdens een observatie van 7 november 2009 op de straat 5 hoek straat 3 heeft zien instappen in en op de straat 6 heeft zien uitstappen uit een auto waarin persoon 2 en persoon 1 zaten. De verbalisant heeft verdachte ook herkend als de persoon die tijdens een observatie op 11 november 2009 met een kartonnen doos uit de winkel A liep en die als bijrijder instapte in een Audi met persoon 5 als bestuurder.

Geldoverdracht 6 op 7 november 2009

Op 7 november 2009 vinden om 12.27 uur en 12.37 uur telefoongesprekken plaats tussen persoon 1 en een Hawala-tussenpersoon. In de gesprekken zegt persoon 1 onder andere dat de tussenpersoon 5 mag regelen voor 3 uur, omdat hij een winkelier moet betalen en de winkel om 4 uur dicht gaat. Hij heeft wat spullen gekocht en moet 2.500 a 3.000 betalen. De tussenpersoon zegt: ‘Ik stuur die jongen wel’. Omstreeks 13.41 uur wordt persoon 1 gebeld door een man vanuit een telefooncel op de straat 5 te Amsterdam en hij vraagt persoon 1 om naar de straat 3 te komen. Tijdens een observatie wordt waargenomen dat een Audi A2 met persoon 1 en persoon 2 (de rechtbank begrijpt: persoon 2) in de straat 5 te Amsterdam wordt geparkeerd. Om 14.08 uur wordt persoon 1 gebeld door een man vanuit voornoemde telefooncel. In het gesprek zegt persoon 1 dat hij is aangekomen en de man zegt dat hij er ook is. Tijdens de observatie wordt waargenomen dat de Audi A2 wegrijdt en op de hoek straat 3/straat 5 stopt en dat om 14.09 uur een onbekende man, die later blijkt te zijn de op 17 november 2009 aangehouden verdachte, achter in de Audi stapt. De Audi stopt in de straat 6 te Amsterdam en verdachte stapt uit en gaat een supermarkt en vervolgens de belwinkel winkel A aan de straat 3 nummer A binnen. Tijdens de observatie wordt gezien dat om 15.03 uur uit een winkel aan de adres 2 een vacuümmachine in een Mercedes wordt geladen. Persoon 1 en persoon 2 komen de winkel uit en stappen in de Mercedes. Bij desbetreffende winkel is op 7 november 2009 een vacuümmachine verkocht voor een bedrag van 2.558,50 euro.

Persoon 1 wordt in de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken ook wel aangeduid als alias persoon 1. Op de bij verdachte aangetroffen balans is op 7 november onder ‘uit’ een bedrag van € 5.000,- vermeld met daarachter de naam alias persoon 1. Het is aannemelijk dat de geldoverdrachten aan persoon 1 kennelijk werden geadministreerd onder de naam alias persoon 1.

Geldoverdracht 12 op 11 november 2009

Uit een telefoongesprek van 11 november 2009 omstreeks 12.29 uur blijkt dat de Hawala-tussenpersoon persoon 3 aan de Hawala-bankier in Nederland persoon 4 vraagt of hij ‘1’ kan regelen. Er wordt vermoed dat hier wordt verzocht of hij hier in Nederland € 100.000,- kon regelen. Persoon 3 stuurt op 11 november 2009 omstreeks 12.47 uur een sms naar persoon 5 met de tekst: ‘straat 3 nummer B.kom’. Persoon 5 stuurt omstreeks 12.49 uur een sms terug met de tekst: ‘Ik kom nu’. Omstreeks 13.30 uur belt hij dat hij eraan komt. Tijdens een observatie wordt omstreeks 13.30 uur een Audi A4 met kenteken 1 gezien op de kruising van de straat 3 met de straat 5. Er stapt een man uit die later wordt geïdentificeerd als persoon 5. Er stapt een man met een witte doos onder zijn arm bij persoon 5 in de auto. Deze man stapt vier minuten later weer uit de auto zonder witte doos.

Op de bij verdachte aangetroffen balans staat bij 11 november vermeld dat een bedrag van € 100.000,- euro is uit gegaan onder vermelding van de naam 2.

Geldoverdracht 22 op 14 november 2009

Op 14 november 2009 hebben persoon 5 en verdachte contact via de sms. Tussen 12.23 uur en 12.42 uur worden sms’en gestuurd waarin verdachte bevestigend antwoord op de vraag van persoon 5 of hij hem wil zien. Persoon 5 schrijft dat hij na zijn werk omstreeks 5 uur komt. Uit de mast locatiegegevens blijkt dat de telefoon die in gebruik is bij persoon 5 zich omstreeks 16.47 uur bevindt nabij het knooppunt Amstel te Amsterdam. Op basis van getapte telefoongesprekken op 15 november 2009, waaronder een gesprek van omstreeks 17.50 uur, waarin een Hawala-tussenpersoon wordt gebeld door persoon 2, en waarin persoon 2 zegt: ‘het is goed, het is ontvangen. En hoe heet het, had u gisteren 100 hier aan naam 1 gegeven?, en waarop de Pakistaanse tussenpersoon antwoordt: ‘Zeker, zeker, zeker.’, ontstaat het vermoeden dat op 14 november 2009 een bedrag van 100.000 euro is overgedragen door de gebruiker van *telefoonnummer 1 en persoon 5.15

Uit de getapte telefoongesprekken is gebleken dat persoon 5 ook wordt aangeduid als de man van naam 1 of de jongen van naam 1. In de balans die bij verdachte is aangetroffen staat dat er op 14 november € 100.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam 1. Het is aannemelijk dat de geldoverdrachten aan persoon 5 kennelijk werden geadministreerd onder de namen “naam 2” en “naam 1”.

Geldoverdracht 4 op 4 november 2009

Op 4 november 2009 om 16.22 uur belt persoon 2 naar persoon 3. Persoon 2 zit klem en wil een boodschap hebben. Persoon 2 heeft anderhalf nodig, maar als hij er een (1) kan krijgen is het ook goed. Persoon 3 zal het vanavond proberen te regelen.

Om 17.56 uur wordt persoon 1 gebeld door persoon 2. Persoon 2 vertelt dat hij minimaal 100 wil hebben. Persoon 1 zegt dat persoon 2 met persoon 5 moet gaan. Persoon 2 zet daar ook aan te denken want dan kan hij hem met een boodschap terugsturen.

Om 18.54 uur wordt persoon 1 gebeld door persoon 2. Persoon 2 zegt dat hij hem een boodschap gaat geven, daarna komt persoon 2 de sleutels bij persoon 1 halen.

Om 19.12 uur belt persoon 2 naar persoon 3. Persoon 2 wil weten waar hij hem kan ontmoeten. Persoon 3 zegt bij de pomp. Persoon 2 is op het straat 8 met naam 1. Persoon 2 gaat naar de winkel van naam 1 en belt als hij bij de pomp in de buurt is.

Om 19.44 uur wordt persoon 2 gebeld door persoon 3. Persoon 2 zegt dat hij daar is aan de overkant van de pomp. Persoon 3 zegt dat persoon 2 naast zijn auto moet gaan staan.

Om 19.52 uur wordt persoon 2 gebeld door persoon 3. Persoon 2 heeft de jongen ontmoet. Beiden spreken af voor morgen.

In de bij verdachte aangetroffen balans staat dat er op 4 november € 64.100,- en € 70.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam persoon 1 respectievelijk alias persoon 1.

Geldoverdracht 9 op 9 november 2009

Op 9 november 2009 om 11.25 uur wordt persoon 3, een Hawala-tussenpersoon, gebeld door persoon 2. Persoon 2 vraagt of persoon 3 1 boodschap voor naam 1 geregeld kan worden. Persoon 3 wil weten voor hoeveel. 60 of 70 zegt persoon 2.

Om 14.48 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 2. naam 1 heeft 60 nodig zegt persoon 2. Persoon 3 zegt dat hij het gaat doen, het is geen probleem. Persoon 2 zegt dat hij (de rechtbank begrijpt: een derde) die telefoon heeft.

Om 14.53 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 5, die zich de broer van naam 1 noemt. Persoon 5 zegt dat hij op een bericht aan het wachten is. Persoon 3 heeft een bericht en ze proberen af te spreken op een plek. Persoon 5 vraagt een adres op te sturen, dan rijdt hij daar naartoe.

Om 15.01 uur wordt er een sms gestuurd met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3), met de tekst: naam 1 aub regel 200 mensen zitten te wachten en stuur een adres en tijd aub.’

Om 15.18 uur ontvangt het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) een sms van het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ‘straat 7.’

Om 15.29 uur belt persoon 3 naar persoon 2 en zegt dat hij geen 200 heeft. Persoon 2 zegt dat het goed is en dat persoon 3 moet geven wat hij heeft. Persoon 2 heeft gezegd dat hij 60 zou geven.

Om 15.51 uur wordt er ge-sms’t met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ’10 min iam there’.

Uit de mast locatiegegevens van de mobiele telefoon met nummer telefoonnummer 2 blijkt dat de gebruiker zich omstreeks 15.51 uur, tijdens het verzenden van voornoemd sms-bericht, bevindt nabij Diemen in de omgeving van de straat 7 te Amsterdam.

Om 16.07 uur wordt de Hawala-tussenpersoon (de rechtbank begrijpt: persoon 3) gebeld door persoon 5. Persoon 3 vraagt of persoon 5 er is. Ja, zegt persoon 5 in de straat 7. Persoon 3 komt eraan.

Op basis van voorgaande gesprekken is af te leiden dat er in de middag van 9 november 2009 kennelijk een geldbedrag van 60.000 euro is overgedragen op de straat 7 te Amsterdam. Het exacte adres is aangetroffen in de fouillering van verdachte op een briefje waar ook het telefoonnummer telefoonnummer 2 in gebruik bij persoon 5 op stond, en in de TomTom van persoon 5.

Op 9 november is op de balans die bij verdachte is aangetroffen vermeld dat € 60.000,- uit is gegaan onder vermelding van de naam naam 2.

Geldoverdracht 13 op 11 november 2009

Op 11 november 2009 omstreeks 14.19 uur wordt de Hawala-tussenpersoon (telefoonnummer 3) gebeld door de Hawala-broker (telefoonnummer 4) vanuit Pakistan. De broker zegt dat het precies 70500 is. De tussenpersoon geeft de broker twee nummers namelijk nummer 2 en telefoonnummer 1. De broker zegt vervolgens: ‘is goed dan, zal ik het aan hem geven.’ De tussenpersoon zegt iets later in het gesprek: ‘U moet tegen hem zeggen dat hij het binnen 2 uurtjes moet geven anders gaat die jongen het niet in ontvangst nemen.’

Uit het gesprek is volgens de verbalisant af te leiden dat de Hawala tussenpersoon kennelijk een bedrag van 70.500 euro in ontvangst laat nemen door een geldkoerier van hem. De Hawala-tussenpersoon geeft kennelijk een token ‘nummer 2’ door alsmede een telefoonnummer telefoonnummer 1, kennelijk is dit het nummer waarop de geldkoerier kan worden benaderd.

Op 11 november staat op de balans die bij verdachte is aangetroffen dat € 70.500,- is ingekomen, onder vermelding van de naam Ahsaan.

Geldoverdracht 17 op 12 november 2009

Op 12 november 2009 om 11.43 uur wordt met het nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) een sms gestuurd naar het nummer telefoonnummer 3 (in gebruik bij persoon 3) met de tekst: ’10 min lips’.

Om 12.59 uur wordt persoon 3 gebeld door persoon 2. Persoon 2 vraagt of persoon 3 ‘hem’ 100 heeft gegeven. Ja, zegt persoon 3.

Uit bovenstaand gesprek kan volgens de verbalisant worden afgeleid dat op 12 november 2009 omstreeks 12.00 uur kennelijk een overdracht van 100.000 euro heeft plaatsgevonden in de omgeving van de straat 7 te Amsterdam.

Uit de mast locatiegegevens van de mobiele telefoon met nummer telefoonnummer 2 (in gebruik bij persoon 5) blijkt dat hij zich op 12 november 2009 omstreeks 11.43 uur bevindt in de omgeving van de S112 te Amsterdam. De Hawala-tussenpersoon bevindt zich op dat moment in de omgeving van de straat 7.

Op 12 november staat op de balans die bij verdachte is aangetroffen dat € 100.000,- is uitgegaan onder vermelding van de naam 2.

Bewezenverklaring

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF