'Probleemoplossingsgericht denken bij witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen'

Anders dan bij het strafbare feit heling is ten aanzien van het delict witwassen de zogeheten ‘heler-steler’-regel naar de letter van de wet en de bedoeling van de (internationale) wetgever niet van toepassing. Ook een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf kan worden witgewassen. Sinds enige jaren heeft de Hoge Raad daarop een concrete uitzondering gecreëerd ten aanzien van het enkele verwerven of voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen, als een gedraging van de verdachte die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter heeft, ontbreekt. Die uitzondering en het begrijpen van de reikwijdte ervan leveren grote problemen op voor de strafrechtspraktijk. Dat geldt met name als bij een verdachte geldbedragen worden aangetroffen waarvan moet worden aangenomen dat deze geen legale herkomst hebben en het vermoeden bestaat dat ze rechtstreeks zijn verkregen uit misdrijven van de verdachte zelf. Het verwerven en voorhanden hebben van dat geld leveren dan niet zonder meer witwassen op.

Diverse uitspraken laten zien dat het OM, de strafrechter en de advocatuur worstelen met de reikwijdte van deze uitzondering. Ook recent heeft de Hoge Raad weer een aantal arresten gewezen waarin dat duidelijk wordt. Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad veelal, in de meeste gevallen na een overweging waarin de wetsgeschiedenis van artikel 420bis Sr werd aangehaald, dat weliswaar was komen vast te staan dat de verdachte geldbedragen had verstopt, maar dat nog niet gezegd kon worden dat de verdachte daarmee ook het grondfeit trachtte te verhullen of verbergen. In veel gevallen kon daarom het bewezen verklaarde verwerven of voorhanden hebben van het geld niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat levert een voor justitie onwenselijke situatie op, nu de strafbaarstelling van witwassen juist in een zo vroeg mogelijk stadium beoogt te voorkomen dat crimineel vermogen in het legale circuit terechtkomt. Dit volgt ook uit de criminologische beschrijving van het fenomeen witwassen, waarin sprake is van het plaatsen, versluieren en uiteindelijk integreren van het geld in het normale financiële verkeer. Met welk ander doel zal de crimineel zijn opbrengst immers hebben verstopt dan om er op enig moment profijt van te hebben? Is de boef, met andere woorden, echt straffeloos als hij zijn buit ‘alleen nog maar’ ergens heeft weggestopt? Het probleem lijkt vooral aanwezig als bestraffing voor het gronddelict uitblijft en/of blijkt dat het geld niet op een of andere manier kan worden ‘afgepakt’.

In deze bijdrage onderzoeken de auteurs of het ten laste leggen van een poging tot witwassen als mogelijke oplossing zou kunnen fungeren voor de hiervoor geschetste witwasproblematiek. Allereerst wordt daartoe in paragraaf 2 de bepaling van artikel 420bis Sr uiteengezet en wordt het probleem waarover het nu precies gaat geschetst aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad. 6 Daarbij stellen wij ons ook de vraag waarom er sprake van een probleem zou zijn. Vervolgens wordt in paragraaf 3 een tweetal arresten besproken waarin deze problematiek recent aan de orde kwam. Hierbij geven wij aan waar het bij de kwalificatievraag nu in de kern aan schortte en signaleren wij een probleem voor de opsporing. In paragraaf 4 wordt de poging tot witwassen aangedragen als een nieuwe mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie om toch tot een succesvolle vervolging over te kunnen gaan, waarbij wij die mogelijkheid vervolgens toepassen op de twee eerder besproken arresten. Paragraaf 5 sluit af met een conclusie.

Lees verder:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF