Artikel: Efficiënte genoegdoening of obstakel?

Het strafproces draait allang niet meer alleen om de berechting van de verdachte. Waar het slachtoffer aanvankelijk lange tijd is genegeerd als volwaardig procesdeelnemer en geen proces­positie toebedeeld had gekregen in de wettelijke regeling of de zittingszaal, is in de afgelopen decennia intensief vorm en inhoud gegeven aan diens strafvorderlijke emancipatie. Dit heeft ertoe geleid dat het slachtoffer weliswaar meer bescherming krijgt in het strafproces en meer gelegenheid heeft van zich te laten horen om de loop en uitkomst van het strafproces te beïnvloeden, maar ook dat het strafproces als zodanig niet eenvoudiger of doelmatiger is geworden en zelfs niet altijd soelaas biedt voor de genoegdoening en schadecompensatie aan het slachtoffer. Er zijn veel praktische obstakels die de ­effectuering van slachtofferrechten in het strafproces bemoeilijken en voor alle procesdeelnemers – rechter, officier van justitie, verdediging én slachtoffer – nadelige gevolgen met zich brengen. Wellicht dat dit voortvloeit uit een onmatigheid in het denken over slachtofferemancipatie: nog voordat nieuwe voorzieningen ten behoeve van het slachtoffer hun beslag hebben ge­kregen, worden andere gecreëerd om die positie nog verder te verbeteren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Collectieve actie voor personenschade van benadeelde partijen in het strafproces?

In deze bijdrage richt ik mij op de positie van een stichting of vereniging die op grond van artikel 3:305a BW (hierna: 305a-organisatie) ten behoeve van partijen die benadeeld zijn door de verdachte (hierna: benadeelde(n) of slachtoffer(s)) hun schadevergoeding vordert bij de strafrechter. Met de ­inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA)-regeling per 1 januari 2020 kunnen 305a-organisaties (verenigingen en stichtingen) collectieve schadevergoedingsvorderingen instellen bij de rechter. Het verbod op het instellen van een rechtsvordering tot schade­vergoeding in geld (art. 3:305a lid 3 (oud) BW) is hiermee vervallen. In de meeste gevallen wordt deze collectieve schade­vergoedings­vordering ingesteld bij de burgerlijke rechter. Echter, benadeelden die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit kunnen zich met hun civiele schade­vergoedingsvordering voegen in het strafproces. Deze benadeelden zijn alleen ontvankelijk in hun vordering als de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd en de schade rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.Daarnaast kan de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vergoeding van misdrijfschade: naar een trauma-geïnformeerde aanpak

De mogelijkheden voor slachtoffers en nabestaanden van criminaliteit om misdrijfschade geheel of gedeeltelijk vergoed te krijgen, zijn de afgelopen decennia fors uitgebreid. Allereerst is het door de inwerkingtreding van de Wet Terwee halverwege de jaren negentig voor hen aantrekkelijker geworden om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij; de hoogte van het bedrag waarvoor zij schadevergoeding kunnen vorderen, is sindsdien niet meer tot een maximum beperkt. Dit betekent dat ook vorderingen van hoge schadebedragen aan de strafrechter kunnen worden voorgelegd. Daarnaast heeft de wet ook de voorwaarden waaronder slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven een financiële tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven kunnen krijgen voor psychisch letsel versoepeld; het vereiste dat dit letsel het gevolg moest zijn van door het misdrijf veroorzaakt fysiek letsel kwam te vervallen. Ten slotte heeft ook de inwerkingtreding van de Wet vergoeding affectieschade in 2019 de mogelijkheden tot het verkrijgen van een schadevergoeding via het strafproces en een tegemoetkoming uit het genoemde schadefonds vergroot. Dit soort schade kwam daarvoor immers niet voor zo’n vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking. Met name voor de nabestaanden van door een misdrijf overleden slachtoffers is deze wetswijziging erg belangrijk geweest. Hoewel geld nooit het verdriet en de pijn kan wegnemen die met het verlies van een dierbare gepaard gaan, kan het voor hen wel voelen als een bron van erkenning.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Het nemo tenetur-beginsel en het dilemma van de gedaagde verdachte

Hoewel het zijn van verdachte in zijn algemeenheid al nicht unkompliziert is, krijgen sommige verdachten te maken met aanvullende juridische procedures die hun positie er niet bepaald eenvoudiger op kunnen maken. De casus die ten grondslag lag aan het in deze bijdrage te bespreken arrest van de Hoge Raad illustreert dat. Het arrest draait om een verdachte die niet alleen strafrechtelijk vervolgd wordt, maar tegelijkertijd in een civiele procedure is betrokken door het (beweerdelijke) slachtoffer van het feit waar de strafrechtelijke vervolging op ziet. Deze ‘gedaagde verdachte’ krijgt een aanvullend dilemma voor de kiezen: voert hij verweer in de civiele procedure, dan kan alles wat hij aanvoert tegen hem worden gebruikt in zijn strafzaak, terwijl hij in die strafzaak nu juist gebruik kan maken van zijn recht om te zwijgen (art. 29 Wetboek van ­Strafvordering; Sv). Voert hij daarentegen geen (of onvoldoende) verweer in de civiele zaak, dan moeten de vorderingen van het slachtoffer in principe worden toegewezen (art. 149 Rv).

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Verruimd procesbelang vanwege mogelijke Bibob-problematiek

Onderhavige uitspraak gaat over een procedure tegen respectievelijk een geweigerde omgevingsvergunning, een last onder dwangsom en de invordering van die last. Tegen die besluiten zijn verschillende gronden van hoger beroep aangevoerd, waaraan in deze notenkraker verder nagenoeg geheel voorbijgegaan wordt. Het enige dat hier wordt besproken is het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aangenomen procesbelang van de oorspronkelijke adressant van die besluiten. Met name wordt aandacht besteed aan de reden waarom procesbelang wordt aangenomen bij de procedure tegen de last onder dwangsom en welke consequenties de uitspraak van de Afdeling op dat punt heeft. Die consequenties lijken mij namelijk behoorlijk ver strekken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Het jaarverslag Ondernemingskamer 2025 door de bril van het bijzonder strafrecht

Het jaarverslag Ondernemingskamer 2025 toont een forse toename van zaken (201 tegenover 139 in 2024) en een breder palet aan onderwerpen. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk zijn drie rode draden van belang. Tegenstrijdig belang speelde een hoofdrol in onder meer Nexperia, i3 Holding en Eukairos (voorheen Centric), met feitencomplexen die ook strafrechtelijk in beeld kunnen komen. Het Openbaar Ministerie zette in de Centric-zaak na ruim twintig jaar weer artikel 2:345 lid 2 BW in, met een wanbeleidsvaststelling op 11 december 2025 als resultaat. De Nexperia-spoedbeschikkingen verbinden ten slotte het enquêterecht met de Wet beschikbaarheid goederen, de Amerikaanse Entity List en het bredere sanctierechtelijke kader.

Read More
Print Friendly and PDF ^

De klok tikt: de Nederlandse e-evidence implementatie ontleed

In een eerder artikel heb ik een overzicht gegeven van het e-evidencepakket van de Europese Unie (EU), met de nadruk op de gevolgen voor datagedreven bedrijven. Dat artikel verscheen begin 2023, kort na het bereiken van een politiek akkoord over de tekst van de Verordening en de Richtlijn. Inmiddels zijn we ruim drie jaar verder. De Verordening en de Richtlijn zijn formeel vastgesteld en gepubliceerd, en er is een belangrijke volgende stap gezet: de Nederlandse wetgever heeft een wetsvoorstel ingediend ter implementatie van het pakket: de Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (hierna: de Uitvoeringswet). Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is inmiddels uitgebracht en verwerkt in het wetsvoorstel. Het is nu niet langer de vraag óf deze regelgeving er komt, maar hoe dienstaanbieders zich hierop moeten voorbereiden. De Verordening wordt toepasselijk per 18 augustus 2026, en bestaande dienstaanbieders hebben tot diezelfde datum om een geadresseerde aan te wijzen. De klok tikt dus.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan collectieven: een appel en een peer naast elkaar gelegd

Artikel 6:166 lid 1 BW biedt de civielrechtelijke grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid van groepsdeelnemers als in groepsverband onrechtmatige schade is toegebracht. In verschillende zaken, zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk, waarin sprake is van twee of meer veroordeelden wordt die hoofdelijke aansprakelijkheid betwist. Een voorbeeld biedt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 april 2025. De daders betwisten dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, omdat zij niet zijn veroordeeld voor openlijk geweld maar voor mishandeling en zij daarom ieder voor zich alleen aansprakelijk zijn voor het zelf toegebrachte letsel. Het hof verwerpt dit standpunt en komt tot het oordeel dat beide daders op grond van artikel 6:166 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die in groepsverband is toegebracht. Deze hoofdelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid heeft vergaande consequenties voor een groepsdeelnemer, namelijk de individuele verplichting om (in beginsel) volledige schade­vergoeding te bieden aan de benadeelde. Deze vorm van ‘collectieve aansprakelijkheid’ (in het civiele recht ook wel groeps­aansprakelijkheid genoemd), inclusief een remedie die voor alle groepsdeelnemers hetzelfde is, komt in zijn zuiverste vorm niet voor in het strafrecht. Wel kent het strafrecht een ruime deelnemingsregeling en delictsbepalingen die zien op bij­dragen aan collectieven, zoals openlijke geweldpleging en deel­name aan een criminele organisatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Strafbaarstelling van ‘ongeoorloofde beïnvloeding’ in Nederland: (niet langer) klem tussen Europese verplichting en nationale aarzeling

Toen in februari 2025 een artikel verscheen in NRC waarin werd gesteld dat het openbaar ministerie en de Rijksrecherche het Ministerie van Justitie en Veiligheid zouden hebben verzocht om de Nederlandse corruptiewetgeving aan te scherpen, herleefde het debat over een vorm van corruptie genaamd ‘ongeoorloofde beïnvloeding’ (ook wel: ‘handel in invloed’ of ‘influence peddling’). Dat ongeoorloofde beïnvloeding niet strafbaar is gesteld in Nederland zou er namelijk voor zorgen dat de huidige corruptiewetgeving ontoereikend is om corruptie te vervolgen. De (ambtelijke) corruptiewetgeving in Nederland bestaat uitsluitend uit de actieve en passieve ambtelijke omkopingsbepalingen van, respectievelijk, artikel 177 en 363 Sr. Bij ongeoorloofde beïnvloeding gaat het – kort gezegd – om een vorm van corruptie waarbij iemand uit de nabije kring van een ambtenaar zijn of haar invloed op die ambtenaar verhandelt aan een derde, in ruil voor een onverschuldigd voordeel. Een dergelijke strafbaarstelling zou een breder scala aan gedragingen criminaliseren dan de huidige Nederlandse omkopingsbepalingen. Naar aanleiding van het artikel in NRC werden Kamervragen gesteld. Het antwoord van de Minister van Justitie en Veiligheid kwam er, kort gezegd, op neer dat hij wat betreft het ontbreken van een strafbaarstelling van ongeoorloofde beïnvloeding niet direct een lacune ziet, gelet op de reikwijdte van de huidige omkopingsbepalingen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Effectief ingrijpen bij bedrijfsschandalen en het grote belang van goed geregelde, gewaarborgde vertrouwelijkheid

In haar column op Advocatie benadrukt Francien Rense (partner bij Greenberg Traurig) het bijzondere belang van vertrouwelijkheid en het professioneel verschoningsrecht bij bedrijfsschandalen. Zij signaleert dat het recente rechtsvergelijkende onderzoek naar het verschoningsrecht, aangeboden aan de Tweede Kamer, de praktijk rondom ondernemingen en bedrijven onderbelicht laat, terwijl juist daar de grootste uitdagingen spelen. Daardoor ontstaat het risico dat onterecht de indruk wordt bevestigd dat ondernemingen onderzoeken tegenwerken met hun beroep op het verschoningsrecht. Rense pleit voor een vervolgonderzoek dat specifiek ingaat op de waarborging van het verschoningsrecht in fraudezaken en zaken waarin ondernemingen en hun leiders zijn betrokken.

Read More
Print Friendly and PDF ^