Bitcoins, autohandel en een onbeantwoord verweer: Hoge Raad vernietigt ontnemingsuitspraak van ruim zeshonderdduizend euro

Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:439

De Hoge Raad vernietigt een ontnemingsuitspraak van het gerechtshof Den Haag waarbij EUR 613.260,92 aan wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld in verband met gewoontewitwassen met bitcoins. De betrokkene voerde aan dat hij rond 2012 bijna 2.000 bitcoins legaal had gekocht voor EUR 12.000 uit inkomsten van autohandel en dat de exponentiële waardestijging van bitcoin het bedrag in 2017 verklaart. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan dit onderbouwde verweer, waaronder de borgstellingsverklaring en meerdere getuigenverklaringen. Daarmee is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de kasopstelling op grond van artikel 36e lid 3 Sr ontoereikend gemotiveerd. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verbeurdverklaring in mindering op ontnemingsmaatregel: rechtbank past reparatoir karakter toe bij handel in amfetaminehoudende tabletten

Rechtbank Rotterdam 25 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2571

De rechtbank Rotterdam legt in een ontnemingsprocedure aan een veroordeelde de verplichting op tot betaling van 63.500 euro aan de staat. De veroordeelde is eerder veroordeeld voor de handel in afslanktabletten die amfetamine bevatten, in strijd met de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op 77.807,19 euro, gebaseerd op een ontnemingsrapport van de NVWA. De rechtbank gaat voor de berekening uit van een ruimere pleegperiode dan de bewezen verklaarde periode, namelijk vanaf 1 januari 2021. Na aftrek van een in de strafzaak verbeurd verklaard geldbedrag van 14.307,19 euro resteert een betalingsverplichting van 63.500 euro. De maximale duur van de gijzeling bij uitblijven van betaling wordt vastgesteld op 371 dagen.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een ontnemingsprocedure als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De veroordeelde, een natuurlijk persoon geboren in 1986, is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2026 veroordeeld voor onder meer het handelen in afslanktabletten die amfetamine bevatten. Deze tabletten kwalificeren als geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet. De veroordeelde handelt zonder de daarvoor vereiste vergunningen en verzwijgt het schadelijke karakter van de tabletten. De bewezen verklaarde pleegperiode in de strafzaak loopt van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022. Het vonnis in de strafzaak is ten tijde van de ontnemingsprocedure nog niet onherroepelijk.

De ontnemingszaak wordt gelijktijdig met de strafzaak behandeld op de zittingen van 4 en 25 februari 2026. De zaak wordt bij verstek behandeld, met een gemachtigde raadsvrouw als vertegenwoordiger van de veroordeelde. De procedure vindt plaats voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank Rotterdam.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Dit artikel biedt de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld, alsmede andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. De onderliggende veroordeling betreft feiten in strijd met de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet, te weten het handelen in afslanktabletten die de verboden stof amfetamine bevatten, zonder vergunning en onder verzwijging van het schadelijke karakter van de tabletten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert, na wijziging van de vordering ter zitting, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van 77.807,19 euro. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling van ditzelfde bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Openbaar Ministerie baseert zich op artikel 36e, tweede lid, Sr en stelt dat sprake is van voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten en van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. De officier van justitie stemt er daarbij mee in dat bedragen die door twee getuigen zijn overgemaakt in mindering worden gebracht op de berekende opbrengst, omdat deze betalingen niet gerelateerd zijn aan de handel in afslanktabletten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stemt in met de matiging van de ontnemingsvordering tot een bedrag van 77.807,19 euro. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging voert geen zelfstandige verweren ten aanzien van de grondslag, de berekeningswijze of de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, anders dan het standpunt dat de bedragen van de twee getuigen in mindering moeten worden gebracht.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat in het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde de strafbare feiten heeft begaan. Op basis van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de NVWA concludeert de rechtbank dat de veroordeelde door middel van deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat er voldoende aanwijzingen bestaan, in die zin dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het gaat daarbij om dezelfde feiten gedurende een langere periode, namelijk vanaf 1 januari 2021. De ontnemingsperiode strekt zich daarmee verder uit dan de bewezen verklaarde pleegperiode in de strafzaak.

De rechtbank oordeelt dat het ontnemingsrapport een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevat. De berekening is voldoende onderbouwd door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen. De verdediging heeft de berekening op een onderdeel na niet weersproken. De rechtbank merkt daarbij op dat bij de schatting steeds is uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie, aan de hand van diens eigen verklaring naar aanleiding van het onderzoek dat aan de berekening ten grondslag ligt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op 79.245,19 euro.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bedragen die door de getuigen zijn overgemaakt, in totaal 1.438 euro, in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst. Deze getuigen hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de door hen overgemaakte bedragen niets te maken hebben met de afslanktabletten. Na aftrek van dit bedrag stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 77.807,19 euro.

Bewezenverklaring

De bewezenverklaring volgt uit het vonnis in de onderliggende strafzaak. De veroordeelde is veroordeeld voor de volgende feiten:

  • het handelen in afslanktabletten die amfetamine bevatten, in strijd met de Opiumwet

  • het handelen in geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet zonder de daarvoor vereiste vergunningen

  • het verzwijgen van het schadelijke karakter van de tabletten

Deze feiten zijn gepleegd in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022. Voor de ontnemingsberekening gaat de rechtbank uit van een ruimere periode vanaf 1 januari 2021, op grond van voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde ook in die eerdere periode dezelfde strafbare feiten heeft begaan.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 77.807,19 euro. Bij het vaststellen van de betalingsverplichting houdt de rechtbank rekening met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. In de strafzaak is een geldbedrag van 14.307,19 euro op een bankrekening ten name van een derde verbeurd verklaard. Hoewel deze verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, brengt de rechtbank dit bedrag in mindering op de betalingsverplichting. Voor de overige verbeurd verklaarde voorwerpen geldt dat de geldelijke waarde niet gemakkelijk is vast te stellen, zodat deze buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van 63.500 euro, zijnde het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van 77.807,19 euro verminderd met het verbeurd verklaarde bedrag van 14.307,19 euro. Bij deze beslissing neemt de rechtbank de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking.

Op grond van artikel 6:6:25 Sv stelt de rechtbank de maximale duur van de gijzeling vast die kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. De rechtbank hanteert daarbij een staffel op basis van artikel 36e, elfde lid, Sr: voor bedragen tot 50.000 euro geldt een maximum van 360 dagen en voor bedragen tot 500.000 euro een maximum van 720 dagen. Uitgaande van deze verdeling stelt de rechtbank de maximale gijzelingsduur vast op 371 dagen, bestaande uit 360 dagen voor de eerste 50.000 euro en 11 dagen voor het resterende bedrag van 13.500 euro. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontneming van ruim 83.000 euro na visfraude met valse vangstregistraties

Rechtbank Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1813

De rechtbank Amsterdam legt in een ontnemingsprocedure een betalingsverplichting op van 83.474,51 euro aan een rechtspersoon die is veroordeeld voor visfraude met valse vangstregistraties. De veroordeelde heeft zeebaars die met het ene vaartuig is gevangen via valse geschriften op naam van een niet-varend vaartuig verkocht op de visveiling. De rechtbank merkt de volledige verkoopopbrengst van de zeebaars aan als wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst het verweer af dat het voordeel beperkt zou moeten worden tot bespaarde kosten. Alleen de veilingkosten van 5.619,08 euro worden als direct aan de strafbare feiten gerelateerde kosten in aftrek gebracht op de bruto-opbrengst van 89.093,59 euro. Het verweer dat ook algemene bedrijfskosten in mindering moeten worden gebracht wordt verworpen, omdat deze kosten ook zonder het strafbare handelen zouden zijn gemaakt. De draagkrachtkwestie wordt door de rechtbank verwezen naar de executiefase van de ontnemingsmaatregel.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontneming na valselijk opmaken van facturen: rechtbank schat wederrechtelijk voordeel op 10 procent van uitbetaalde factuurbedragen

Rechtbank Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2119

De rechtbank Amsterdam legt in een ontnemingszaak een betalingsverplichting op van 75.000 euro na een veroordeling wegens valsheid in geschrift. De veroordeelde heeft in de periode 2015 tot en met 2018 valse facturen opgesteld en ingediend bij twee besloten vennootschappen voor niet-geleverde diensten en goederen. In totaal is 774.877 euro uitbetaald op de bankrekeningen van aan de veroordeelde gelieerde ondernemingen. De rechtbank schat het daadwerkelijke voordeel van de veroordeelde op ongeveer 10 procent van dat bedrag, omdat het grootste deel van de opbrengsten is aangewend voor het zwart betalen van personeel van de vennootschappen. Het Openbaar Ministerie vordert aanvankelijk 713.349 euro, later gematigd tot 356.000 euro, maar de rechtbank wijkt hier aanzienlijk van af. De rechtbank constateert daarnaast een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden, die voldoende wordt gecompenseerd in de gunstige afronding van het ontnemingsbedrag.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verduidelijkt einde ontnemingszaak bij beklag over conservatoir beslag op hardware wallet met bitcoins

Hoge Raad 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:256

Achtergrond

In deze zaak staat een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering centraal dat betrekking heeft op conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin ongeveer zes bitcoins. De wallet is op 24 november 2020 tijdens een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Rockport” in beslag genomen onder de broer van klager. Zowel klager als zijn broer waren in dat onderzoek verdachte.

Het aanvankelijke beslag vond plaats op grond van artikel 94 Sv. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet op grond van artikel 94a Sv. Dit conservatoir beslag diende ter bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de broer van klager in een eerdere ontnemingsprocedure.

De strafzaak in het onderzoek Rockport heeft uiteindelijk niet tot vervolging geleid. De strafzaak tegen de broer van klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Ook de strafzaak tegen klager is geseponeerd, waarbij het openbaar ministerie dit later nog schriftelijk heeft bevestigd. Het klassieke strafvorderlijke beslag op grond van artikel 94 Sv is daarop opgeheven. Het conservatoire beslag ex artikel 94a Sv bleef echter bestaan, omdat dit verband hield met de reeds opgelegde ontnemingsmaatregel tegen de broer van klager.

Die ontnemingsmaatregel vloeit voort uit een eerdere strafzaak tegen de broer van klager waarin hij is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van auteursrechtinbreuk en het bedrijfsmatig voorhanden hebben en verspreiden van illegale dvd’s en cd’s. Deze gedragingen kwalificeren onder meer als strafbare feiten als bedoeld in de Auteurswet. Aan de broer is een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de ontnemingsprocedure is hem daarnaast een verplichting opgelegd tot betaling van € 2.272.536,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Klager stelt dat de hardware wallet en de daarin aanwezige bitcoins niet aan zijn broer, maar aan hem toebehoren. Volgens klager heeft hij de wallet kort voor de beslaglegging aan zijn broer overhandigd met het verzoek om de bitcoins te verkopen, omdat zijn broer meer technische kennis had. Klager onderbouwt zijn eigendomsclaim onder meer met een belastingaangifte waarin de bitcoins als zijn vermogen zijn opgenomen. Daarnaast voert hij aan dat hij de waarde van de bitcoins nodig heeft om in zijn levensonderhoud en financiële verplichtingen te voorzien.

Op 21 november 2022 dient klager een klaagschrift ex artikel 552a Sv in strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag en teruggave van de hardware wallet met bitcoins. Uiteindelijk komt de zaak terecht bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het volgens het hof te laat is ingediend.

Middel

In cassatie klaagt klager dat het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de termijn waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend.

Het hof heeft de ontvankelijkheid beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 4 Sv. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin nog geen vervolging is ingesteld. In dat geval moet een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming worden ingediend. Omdat het klaagschrift volgens het hof buiten die termijn zou zijn ingediend, heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overweegt het hof ten overvloede dat het klaagschrift ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest indien artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was geweest. Deze bepaling geldt wanneer wel een vervolging heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het klaagschrift uiterlijk binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak moet worden ingediend. Volgens het hof was die termijn eveneens verstreken, omdat de strafzaak tegen klager in maart 2021 was geseponeerd.

Het cassatiemiddel betoogt dat dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het beslag verband houdt met een andere zaak, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling van het middel: toepasselijke termijn voor beklag

De Hoge Raad stelt voorop dat uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een klaagschrift ontvankelijk is zolang nog geen drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Wanneer sprake is van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv, moet bij de vraag wanneer de vervolgde zaak tot een einde is gekomen worden gekeken naar de strafzaak of – indien het beslag strekt tot verhaal voor een ontnemingsmaatregel – naar de behandeling van de ontnemingsvordering.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat artikel 552a lid 4 Sv van toepassing is onjuist. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is van vervolging. In dat geval had het hof de ontvankelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 552a lid 3 Sv.

Ook de overweging ten overvloede van het hof houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Het hof baseert daarin zijn oordeel op het sepot van de strafzaak tegen klager in het Rockport-onderzoek. Het beslag waartegen het beklag zich richt, houdt echter verband met een andere procedure, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager. Het oordeel van het hof is daarom niet begrijpelijk.

Wanneer eindigt de ontnemingszaak?

De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer een ontnemingsprocedure moet worden geacht tot een einde te zijn gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.

De Hoge Raad overweegt dat een onherroepelijke uitspraak op een ontnemingsvordering weliswaar geldt als executoriale titel, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan pas kan plaatsvinden wanneer ook de onderliggende strafrechtelijke veroordeling – waarop artikel 36e Sr ziet – onherroepelijk is geworden. Daarnaast bepaalt artikel 511i Sv dat een ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de strafzaak uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat wanneer de beslissing in de ontnemingsprocedure al onherroepelijk is, maar de strafrechtelijke veroordeling nog niet, de ontnemingszaak pas tot een einde komt wanneer ook die veroordeling onherroepelijk wordt.

Afdoening door de Hoge Raad

Hoewel de beschikking van het hof dus juridisch onjuist is gemotiveerd, leidt dit niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad wijst erop dat inmiddels het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van klager is verworpen. Daardoor is de veroordeling onherroepelijk geworden en kan de ontnemingsmaatregel worden geëxecuteerd.

Volgens artikel 6:4:4 Sv vindt verhaal op conservatoir in beslag genomen voorwerpen plaats volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels zijn ook van toepassing op derden die menen recht te hebben op de in beslag genomen goederen.

Dat betekent dat klager – die stelt eigenaar te zijn van de hardware wallet met bitcoins – zijn aanspraak niet via een strafrechtelijke beklagprocedure, maar via de civiele rechter moet laten beoordelen.

Omdat na terugwijzing slechts opnieuw een niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De bestreden beschikking wordt vernietigd, maar het klaagschrift wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^