Bitcoins, autohandel en een onbeantwoord verweer: Hoge Raad vernietigt ontnemingsuitspraak van ruim zeshonderdduizend euro
/Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:439
De Hoge Raad vernietigt een ontnemingsuitspraak van het gerechtshof Den Haag waarbij EUR 613.260,92 aan wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld in verband met gewoontewitwassen met bitcoins. De betrokkene voerde aan dat hij rond 2012 bijna 2.000 bitcoins legaal had gekocht voor EUR 12.000 uit inkomsten van autohandel en dat de exponentiële waardestijging van bitcoin het bedrag in 2017 verklaart. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan dit onderbouwde verweer, waaronder de borgstellingsverklaring en meerdere getuigenverklaringen. Daarmee is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de kasopstelling op grond van artikel 36e lid 3 Sr ontoereikend gemotiveerd. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Achtergrond
Deze zaak draait om een ontnemingsprocedure die samenhangt met een strafrechtelijke veroordeling wegens onder meer gewoontewitwassen. De betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1969, is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 14 december 2023 in de strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van voorarrest. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak betreffen gewoontewitwassen en Opiumwetdelicten, meermalen gepleegd.
In de ontnemingsprocedure legt het hof de betrokkene de verplichting op tot betaling van EUR 613.260,92 aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bij niet-betaling stelt het hof vast op 1080 dagen. Het hof baseert de ontnemingsmaatregel op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht en schat het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van een zogenoemde kasopstelling.
De feiten die aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggen, zijn als volgt. Uit informatie die in november 2017 is ontvangen van een bitcoinplatform blijkt dat de betrokkene daar een account heeft. Via dat account voert de betrokkene verschillende transacties uit. In totaal worden er 625,3 bitcoins gestort op zijn account. Deze bitcoins worden op uiteenlopende manieren omgezet in chartaal geld. In oktober 2017 wordt een bedrag van EUR 5.412 overgeschreven naar twee bankrekeningen die op naam staan van twee andere personen. In de periode van oktober 2016 tot en met september 2017 worden 193,1 bitcoins met een tegenwaarde van EUR 199.326,85 overgeboekt naar bitcoinadressen van een ander platform, waarmee een kaart wordt geladen. In november en december 2016 worden 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van EUR 76.165 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd. Daarnaast zijn aan het account twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld. Op de USD-kaart vinden in maart tot en met juni 2017 stortingen plaats tot een totaalbedrag van $ 20.695,45, omgerekend EUR 19.012,30. Op de EUR-kaart vinden in de periode oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaats tot een totaalbedrag van EUR 313.344,77. Het totaal van de omgezette bitcoins vertegenwoordigt aldus een geldwaarde van EUR 613.260,92.
Het hof stelt verder vast dat de laatst bekende loongegevens van de betrokkene dateren uit 2011, toen hij een UWV-uitkering van EUR 3.802 ontving. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens of andere legale inkomsten bekend. In 2014 en 2015 heeft de betrokkene een bankrekening met een saldo van EUR 0 in beide jaren. Sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer op zijn naam bekend in Nederland en evenmin andere bezittingen. Weliswaar heeft de betrokkene vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad die zich bezighoudt met de verkoop van auto's, maar de KvK-inschrijving van die eenmanszaak is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming. Het hof oordeelt dat de betrokkene geen afdoende verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van de bitcoins en concludeert dat de volledige geldwaarde van EUR 613.260,92 als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt, zonder dat er kosten in mindering worden gebracht.
Middelen
Het cassatieberoep is ingesteld door de betrokkene. Namens hem stellen de advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven vijf cassatiemiddelen voor.
Het eerste middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen is verkregen, ontoereikend is gemotiveerd. De kern van de klacht is dat het hof onvoldoende kenbaar heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging over de legale herkomst van de bitcoins.
Het tweede middel richt zich eveneens tegen de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het derde middel klaagt dat het hof de waarde van de aan het verkeer onttrokken voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting. Het vierde middel betreft de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en het vijfde middel betreft de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
De verdediging heeft ten aanzien van het eerste middel in hoger beroep een uitvoerig verweer gevoerd. Dat verweer komt erop neer dat de betrokkene rond 2012 in totaal 1.982 bitcoins heeft verkregen van een derde, tegen betaling van EUR 12.000. De verdediging stelt dat de betrokkene die uitgave heeft kunnen doen uit geld dat hij heeft verdiend met de handel in auto's. Bovendien voert de verdediging aan dat de bitcoins in de periode van 2012 tot eind 2017 een "exponentiële waardevermeerdering" hebben doorgemaakt. Die waardevermeerdering verklaart volgens de verdediging dat de betrokkene in 2017 voor EUR 613.260,92 aan bitcoins bezit. Ter ondersteuning van deze stellingen wijst de verdediging op een borgstellingsverklaring en op getuigenverklaringen van vier met name genoemde getuigen. De verdediging benadrukt voorts dat het digitale spoor van bitcoins via de blockchain te herleiden is en dat de overweging van het hof dat de betrokkene geen inzicht geeft in de niet-criminele herkomst van de bitcoins daarom onhoudbaar is. Ook wijst de verdediging erop dat niet is gesteld of gebleken dat de betrokkene de uitgave van EUR 12.000 in 2012 niet heeft kunnen doen.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad beoordeelt uitsluitend het eerste middel en komt tot de conclusie dat dit middel slaagt. Aan de beoordeling van de overige middelen komt de Hoge Raad niet toe.
De Hoge Raad stelt voorop dat het hof de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd op grond van artikel 36e lid 3 Sr. Op basis van die bepaling kan de rechter, bij een veroordeling wegens een misdrijf dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een ontnemingsmaatregel opleggen indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof gebruikt daarbij de methode van de kasopstelling.
Het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld, waaronder gewoontewitwassen, of andere strafbare feiten tot wederrechtelijk voordeel hebben geleid, baseert het hof op vier pijlers. Ten eerste heeft de betrokkene in de periode van oktober 2016 tot en met november 2017 de beschikking gehad over omgezette bitcoins met een geldwaarde van in totaal EUR 613.260,92. Ten tweede zijn er van de betrokkene, met uitzondering van de UWV-uitkering van EUR 3.802 in 2011, geen legale inkomsten en geen bezittingen gebleken. Ten derde is de KvK-inschrijving van de eenmanszaak van de betrokkene in 2011 doorgehaald. Ten vierde heeft de betrokkene naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring gegeven voor de herkomst van de bitcoins.
De Hoge Raad oordeelt dat de verwerping van het verweer van de verdediging op deze gronden niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof verwijst weliswaar naar de doorhaling van de KvK-inschrijving van de eenmanszaak wat betreft de autohandel door de betrokkene, maar daarbuiten besteedt het hof niet kenbaar aandacht aan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. De verdediging heeft immers concrete en met bewijsstukken onderbouwde stellingen naar voren gebracht over de aankoop van bitcoins in 2012 voor EUR 12.000, de mogelijkheid om die uitgave te doen uit inkomsten uit autohandel, de exponentiële waardevermeerdering van bitcoins in de periode 2012 tot 2017, en de borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen die deze stellingen ondersteunen. Door op deze stellingen niet kenbaar in te gaan, schiet de motivering van het hof tekort.
Advocaat-generaal P.M. Frielink concludeert in zijn conclusie eveneens tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het hof Den Haag.
Nu het eerste middel slaagt, vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof Den Haag en wijst de zaak terug naar dat hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Bespreking van het tweede, derde, vierde en vijfde cassatiemiddel acht de Hoge Raad niet nodig. De zaak hangt samen met zaak 23/04895.
Het arrest is gewezen door vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, en is uitgesproken op 17 maart 2026.
Lees hier de volledige uitspraak.
