Ontneming na valselijk opmaken van facturen: rechtbank schat wederrechtelijk voordeel op 10 procent van uitbetaalde factuurbedragen

Rechtbank Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2119

De rechtbank Amsterdam legt in een ontnemingszaak een betalingsverplichting op van 75.000 euro na een veroordeling wegens valsheid in geschrift. De veroordeelde heeft in de periode 2015 tot en met 2018 valse facturen opgesteld en ingediend bij twee besloten vennootschappen voor niet-geleverde diensten en goederen. In totaal is 774.877 euro uitbetaald op de bankrekeningen van aan de veroordeelde gelieerde ondernemingen. De rechtbank schat het daadwerkelijke voordeel van de veroordeelde op ongeveer 10 procent van dat bedrag, omdat het grootste deel van de opbrengsten is aangewend voor het zwart betalen van personeel van de vennootschappen. Het Openbaar Ministerie vordert aanvankelijk 713.349 euro, later gematigd tot 356.000 euro, maar de rechtbank wijkt hier aanzienlijk van af. De rechtbank constateert daarnaast een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden, die voldoende wordt gecompenseerd in de gunstige afronding van het ontnemingsbedrag.

Inleiding en context

De rechtbank Amsterdam doet uitspraak in een ontnemingszaak die voortvloeit uit een veroordeling wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De veroordeelde, een natuurlijk persoon geboren in 1972 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, is bij vonnis van dezelfde datum veroordeeld in de onderliggende strafzaak. Het betreft een procedure in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige kamer. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en ziet op het voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen door middel van het bewezen verklaarde strafbare feit. De zaak is op 22 januari 2026 op de zitting behandeld op tegenspraak. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De ontnemingsvordering is gegrond op artikel 36e Sr. Dat artikel biedt de mogelijkheid voordeel te ontnemen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, dan wel van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. In de onderliggende strafzaak is de veroordeelde veroordeeld voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode van 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018. De veroordeelde heeft valse facturen opgesteld voor het uitlenen van personeel, het verzorgen van trainingen en het leveren van schoonmaakmiddelen. Deze facturen zijn ingediend bij twee besloten vennootschappen, waarmee de veroordeelde het deed voorkomen dat aan hem gelieerde ondernemingen diensten en goederen verleenden aan die vennootschappen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert aanvankelijk een ontnemingsbedrag van 713.349 euro. Op de zitting matigt de officier van justitie deze vordering tot 356.000 euro. De oorspronkelijke vordering is gebaseerd op het totaalbedrag dat daadwerkelijk door de twee vennootschappen is uitbetaald aan de aan de veroordeelde gelieerde ondernemingen. De FIOD en de Belastingdienst hebben vastgesteld dat de facturen structureel gedeeltelijk werden betaald, namelijk voor gemiddeld 32 procent van het totale gefactureerde bedrag. De matiging tot de helft van het oorspronkelijk gevorderde bedrag houdt verband met aanwijzingen in het dossier dat een deel van het door de vennootschappen uitbetaalde bedrag contant is opgenomen en is aangewend voor het zwart betalen van het personeel van die vennootschappen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering slechts voor een beperkt deel kan worden toegewezen. Het is volgens de raadsman niet aannemelijk dat de twee vennootschappen de helft van de betalingen aan de veroordeelde hebben gedaan zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat. Het financieel voordeel voor de vennootschappen zou in dat geval heel beperkt zijn en dat is niet logisch. De raadsman voert aan dat kan worden aangenomen dat de veroordeelde de valse facturen heeft opgemaakt tegen een vergoeding van ongeveer 10 procent van de uitbetaalde factuurbedragen. In de praktijk wordt volgens de raadsman vaker een dergelijke marge overeengekomen als vergoeding voor het meewerken aan soortgelijke constructies. De raadsman verzoekt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op niet meer dan 10 procent van het totaal aan ontvangen betalingen met betrekking tot de valse facturen. Tegen de berekening van het totaalbedrag dat door de vennootschappen is overgemaakt, te weten 774.877 euro, voert de raadsman geen verweer.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsmaatregel een reparatoir karakter heeft en de veroordeelde beoogt te brengen in de vermogenspositie waarin hij verkeerde voor het plegen van het strafbare feit waaruit hij daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank ontleent haar vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden in de onderliggende strafzaak en het ontnemingsrapport van de FIOD en de Belastingdienst.

Ten aanzien van de opbrengsten stelt de rechtbank vast dat de twee vennootschappen een totaalbedrag van 774.877 euro hebben overgemaakt op de bankrekeningen van de aan de veroordeelde gelieerde ondernemingen naar aanleiding van de valse facturen. Dit is vastgesteld aan de hand van de bankafschriften van de vennootschappen, waarbij per factuurnummer is onderzocht of de inkoopfacturen daadwerkelijk zijn betaald.

De rechtbank acht het, anders dan de officier van justitie, niet aannemelijk dat ongeveer de helft van de opbrengsten van de valse facturen in het vermogen van de veroordeelde is gevloeid. Er is geen aanleiding voor de veronderstelling dat de veroordeelde een dermate hoog bedrag als vergoeding heeft ontvangen, terwijl hij geen diensten of goederen heeft geleverd aan de vennootschappen. De rechtbank leidt uit het strafrechtelijk onderzoek af dat het grootste deel van de opbrengsten via de veroordeelde is aangewend voor het zwart betalen van het personeel van de vennootschappen. Het contant kunnen betalen van personeel lijkt dan ook een belangrijk doel te zijn geweest van de constructie met de valse facturen.

De rechtbank acht het wel aannemelijk dat de veroordeelde voor de samenwerking een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van ongeveer 10 procent van de uitbetaalde facturen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en in de verklaring van een getuige, een stroman die in een e-mail aan de Belastingdienst verklaart dat hij er later achter is gekomen dat de veroordeelde hem heeft gebruikt om aan bedrijven te factureren en geld te verdienen door zich daarvan een percentage van 10 procent toe te eigenen.

Ten aanzien van de kosten merkt het ontnemingsrapport een totaalbedrag van 61.528 euro aan als aftrekbare kosten, bestaande uit 423 euro voor het opmaken van facturen via een facturatiewebsite en 61.105 euro dat door de veroordeelde is overgemaakt naar de privebetaalrekening van de algemeen directeur van de vennootschappen. De rechtbank laat het bedrag van 61.105 euro buiten beschouwing, aangezien dat bedrag ook geacht moet worden indirect te zijn teruggesluisd naar de vennootschappen in het kader van de constructie. De marginale kosten van 423 euro voor het opmaken van facturen worden geacht te zijn verrekend in de voor de veroordeelde gunstige afronding van de 10 procent.

De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM van vijf maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding voldoende is gecompenseerd in de voor de veroordeelde gunstige afronding bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank volstaat met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Ontneming

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 75.000 euro en legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van 75.000 euro aan de Staat. Dit bedrag wijkt aanzienlijk af van de door het Openbaar Ministerie gevorderde 356.000 euro. De rechtbank komt tot dit lagere bedrag omdat zij, anders dan de officier van justitie, aannemelijk acht dat slechts ongeveer 10 procent van de uitbetaalde factuurbedragen als wederrechtelijk voordeel in het vermogen van de veroordeelde is gevloeid, en niet de helft. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd wordt bepaald op 750 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^