Transportbedrijf niet verantwoordelijk voor dodelijk ongeval in loods

Rechtbank Oost-Brabant 3 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4116

De rechtbank oordeelt dat een transportbedrijf uit Alblasserdam niet verantwoordelijk is voor het creëren van een gevaarlijke situatie voor haar werknemers. Een werknemer kwam om het leven toen hij in een loods van een ladder viel.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geen sprake van handelen of nalaten i.s.m. Arbowetgeving waardoor situatie in het leven is geroepen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat daardoor levensgevaar te verwachten was

Rechtbank Oost-Brabant 3 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4116

Op 20 februari 2020 vond een ongeval plaats in een loods van verdachte, als gevolg waarvan het Slachtoffer is overleden. Slachtoffer was in dienst bij verdachte als vrachtwagenchauffeur. Toen één van de overheaddeuren van de loods niet meer dicht ging, heeft hij dit geprobeerd te verhelpen door met een ladder boven de deuropening te klimmen. Hij is hierbij van circa 4,5 meter hoogte naar beneden gevallen. Een gevaarlijke situatie is pas ontstaan toen het Slachtoffer op eigen initiatief via een ladder, zonder gebruik te maken van valbescherming, boven de overheaddeur is geklommen in een poging om de overheaddeur weer dicht te krijgen, en niet door het regulier gebruik van een deur die slecht werd onderhouden. Daarmee heeft het Slachtoffer – buiten zijn normale werkzaamheden om – zeer gevaarlijk gehandeld. Deze situatie was voor verdachte niet voorzienbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is, onder deze omstandigheden, geen sprake van handelen of nalaten in strijd met de Arbowetgeving waardoor een situatie in het leven is geroepen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat daardoor levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor werknemers ontstond of te verwachten was.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Dagvaarding nietig wegens onvoldoende feitelijk omschreven valsheid, vrijspraak faillissementsfraude wegens ontbreken intentie op benadeling schuldeisers

Rechtbank Rotterdam 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8448

In deze zaak wordt de dagvaarding nietig verklaard wegens onvoldoende feitelijk omschreven valsheid. Uit de tekst van de tenlastelegging blijkt niet waaruit de valsheid van de daarin genoemde geschriften zou bestaan. Dit betekent dat de tenlastegelegde valsheid in geschrift slechts een omschrijving is van de kwalificatie van het strafbare feit, terwijl niet is omschreven waaruit de verweten gedragingen feitelijk bestaan. Voorts volgt vrijspraak voor faillissementsfraude wegens het ontbreken van de intentie op benadeling van schuldeisers. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte opzet had op de onttrekking van gelden of goederen aan de boedel met de bedoeling om de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden op de rechtspersoon te benadelen. En ook vrijspraak voor het ten laste gelegde niet voeren van een (juiste) administratie. De enkele mededeling van de curator dat sprake is van tegenstrijdige informatie is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er geen (juiste) administratie is gevoerd. Enig ander bewijs met betrekking tot het niet voeren van een juiste administratie van de omzet ontbreekt in het dossier.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. eisen voor toezeggingen aan verdachte die bereid is belastende getuigenverklaring af te leggen in strafzaak tegen andere verdachte (art. 226g Sv)

Hoge Raad 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1328

Een afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv wordt volgens het eerste lid van die bepaling door de officier van justitie gemaakt met de verdachte nadat de voorgenomen afspraak op grond van artikel 226g lid 3 Sv door de rechter-commissaris is getoetst op rechtmatigheid. De afspraak heeft volgens artikel 226g lid 1 Sv uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a lid 2 Sr. Het kennelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat door de verbalisant aan medeverdachte A de toezegging is gedaan dat zij niet zou worden vervolgd voor haar aandeel in de overval, geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Oplichting: Levert het serveren van eten en drinken in café-restaurant ‘het verlenen van een dienst’ op?

Hoge Raad 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1361

Het bevat de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in art. 326 Sr voorkomende bestanddeel ‘het verlenen van een dienst’, althans dat het oordeel van het hof daaromtrent ontoereikend is gemotiveerd. Het middel berust op de opvatting dat het serveren van eten en drinken in een restaurant niet anders kan worden gekwalificeerd dan als ‘afgifte van een goed’. HR: Deze opvatting vindt, mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis bij artikel 326 lid 1 Sr, geen steun in het recht. Het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde serveren van eten en drinken in een café-restaurant ‘het verlenen van een dienst’ oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten: Als rechter toepassing geeft aan art. 36e lid 3 Sr is oplegging van hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk

Hoge Raad 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1359

Als de rechter toepassing geeft aan artikel 36e lid 3 Sr is oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk, omdat artikel 36e lid 7 Sr die mogelijkheid beperkt tot een betalingsverplichting die haar grondslag vindt in een vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e leden 1 en 2 Sr. Het hof heeft dat miskend.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Succesvolle OM-cassatie in strafzaak tegen eigenaar Tilburgs administratiekantoor: Fiscale verzuimboeten sluiten latere strafvervolging niet uit

Hoge Raad 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de tenlastegelegde overtreding van art. 69a, eerste lid, AWR ‘hetzelfde feit’ betreft als waarvoor verdachte drie fiscale verzuimboetes op grond van art. 67c AWR zijn opgelegd. Volgens de steller getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk. HR: Er bestaat een aanzienlijk verschil tussen de aard en ernst van enerzijds de feiten die aanleiding kunnen geven tot de oplegging van verzuimboetes op grond van artikel 67c lid 1 AWR en anderzijds het tenlastegelegde, op artikel 69a lid 1 AWR toegesneden feit. Dat komt onder meer tot uitdrukking in het in artikel 69a lid 1 AWR neergelegde opzetvereiste en in de in artikel 69a lid 1 AWR genoemde maximale straffen, waaronder een gevangenisstraf van maximaal zes jaren. Gelet daarop kunnen zulke feiten in beginsel niet worden aangemerkt als hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr en artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Drie oud-ambtenaren veroordeeld voor corruptie

Drie voormalig medewerkers van de gemeente Amsterdam zijn schuldig bevonden aan ambtelijke corruptie. Een 56-jarige man verkreeg in minder dan 4 jaar tijd meer dan 65.000 euro voordeel via verschillende aannemers. Het doel hiervan was om een voorkeursbehandeling te krijgen bij de vergunning van gemeentelijke opdrachten. Zo liet hij op kosten van verschillende aannemers onder meer de woning van zijn partner verbouwen. Ook accepteerde hij kostbare, luxe goederen zoals televisies, een Rolex en een Apple Watch, en liet hij zich fêteren. Als tegenprestatie bevoordeelde hij de bedrijven ook daadwerkelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in 52 strafzaken

De rechtbank Den Haag heeft het Openbaar Ministerie in 52 straf- en ontnemingszaken niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de feiten, de omstandigheid dat er geen slachtoffers of benadeelde partijen zijn, de ouderdom van de zaken, de overschrijding van de redelijke termijn en de nog te verwachten duur van de berechting. Het niet langer voortzetten van de zaken is ook niet onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft elke zaak getoetst en ziet mede gelet op de terughoudendheid die in deze moet worden betracht, geen redenen om tot een ander oordeel te komen. De officier van justitie heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met voortzetting van deze zaken niet langer enig strafrechtelijk belang wordt gediend.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onder zich hebben van producten van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten

Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1312

Ten tijde van het bewezenverklaarde golden de Flora- en Faunawet en het Besluit prepareren van dieren. Ten tijde van de berechting in hoger beroep waren de Wet natuurbescherming en de Regeling in werking getreden. Het cassatiemiddel neemt tot uitgangspunt dat het hof toepassing had moeten geven aan artikel 3.18 van de Regeling. Dat uitgangspunt is niet juist. Dat de voorschriften over het straffeloos onder zich kunnen hebben van een dode vogel ter preparatie op praktische gronden zijn gemoderniseerd, brengt immers niet met zich dat sprake is van een gewijzigd inzicht over de strafwaardigheid van al voor de wijziging begane feiten.

Read More
Print Friendly and PDF ^