HR herhaalt overwegingen m.b.t. maatstaf bij beklag tegen kennisgeving OM ex art. 116 lid 3 Sv van voornemen voorwerp terug te geven aan ander dan beslagene

Hoge Raad 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:803

In een geval waarin de beslagene op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 116 lid 3 Sv, dat het openbaar ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten degene die - naar het oordeel van het openbaar ministerie - redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dient de rechter te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in geding zijnde voorwerp.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft nagelaten een lekkage in een afvalwatertank zo spoedig mogelijk te melden

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 mei 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1631

Het hof acht bewezen dat de verdachte heeft nagelaten om een lekkage in een afvalwatertank zo spoedig mogelijk te melden bij de milieuklachtencentrale van de Provincie Noord-Brabant, maar niet dat de verdachte dit met opzet heeft gedaan. De verdachte is voor dit feit schuldig verklaard zonder strafoplegging. Voorts heeft de verdachte in strijd met een vergunningsvoorschrift bedrijfsafvalwater in het riool gebracht. Hiervoor is een geldboete opgelegd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. vereisten voor veroordeling bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr)

Hoge Raad 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:836

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252).

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. ontlening schatting van op geld waardeerbare WVV aan wettige bewijsmiddelen

Hoge Raad 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:804

De klacht luidt dat het hof bij de uitspraak geen concrete bewijsmiddelen heeft opgegeven waaraan het de schatting van het wederrechtelijk voordeel heeft ontleend, zodat deze schatting niet uit de bewijsmiddelen volgt. In de toelichting op het middel wordt bovendien gewezen op een rekenfout (ten nadele van de betrokkene) in de berekening van het wederrechtelijke voordeel, en er wordt geklaagd over het verzuim om rekening te houden met kosten die de betrokkene heeft gemaakt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Art. 12 Sv-klacht tegen vervolging voor minder zwaardere strafbaarstelling mogelijk, maar niet meer wanneer OTTZ al is aangevangen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5424

De volle beleidstoetsing van de vervolgingsbeslissing brengt mee dat een belanghebbende in beginsel beklag kan doen tegen de beslissing van de officier van justitie om tot vervolging voor een bepaald delict over te gaan, wanneer de belanghebbende van mening is dat de beklaagde (tevens) voor een andere wettelijke strafbaarstelling behoort te worden vervolgd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht is in dat verband van belang in welk stadium de reeds aangevangen vervolging c.q. de strafrechtelijke procedure zich bevindt op het moment waarop het klaagschrift wordt ingediend.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Moet bij berekening WVV het laagste bedrag worden kiezen?

Parket bij de Hoge Raad 8 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:570

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de keuze van het hof om het gemiddelde van twee rekenmethodes aan te houden onbegrijpelijk is, gelet op de enkele motivering dat de uitkomsten van beide methodes aan het bewijs kunnen worden ontleend. Onder verwijzing naar het ‘in dubio pro reo’-beginsel voert de steller van het middel aan dat ook in ontnemingszaken bij twijfel in het voordeel van de betrokkene moet worden beslist en dat het, gelet op de twijfel die het hof bij het maken van de keuze tussen beide methodes tot uitdrukking heeft gebracht, voor de hand had gelegen te kiezen voor de laagste uitkomst.

Read More
Print Friendly and PDF ^

CRvB: reikwijdte art. 6 EVRM kan zich uitstrekken tot bestuursrechtelijke procedure indien geschilpunten voortvloeien uit of samenhangen met strafrechtelijke procedure

Centrale Raad van Beroep 2 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1315

De reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM kan zich dus in voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling van voorzitter van twee stichtingen voor feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en gewoontewitwassen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1675

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever meermalen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en gewoontewitwassen. De verdachte was voorzitter van twee stichtingen en als enige bevoegd om rechtshandelingen te verrichten. De verdachte heeft jarenlang opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting ten name van de stichtingen gedaan en daarmee ten onrechte grote bedragen aan omzetbelasting teruggevraagd en ontvangen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling vermogensbeheerder. Rb. gaat uitgebreid in op vraag wanneer sprake is van oplichting door samenweefsel van verdichtsels.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2861

De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een “samenweefsel van verdichtsels” en dat vast is komen te staan dat de onjuiste mededeling van verdachte over het doel van de lening de reden is geweest dat de aangevers zijn overgegaan tot het lenen van geld aan verdachte. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad dient voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake te zijn van gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op “meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde” onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

OvJ niet-ontvankelijk door zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2903

De rechtbank is van oordeel dat het in deze specifieke zaak niet slechts gaat om een overschrijding van de redelijke termijn die zich door strafvermindering kan laten compenseren. De overschrijding van de redelijke termijn is zodanig dat de waarheidsvinding vergaand is bemoeilijkt. Het gaat in deze zaak om een veelheid aan feiten, waarvan niet op voorhand zonder meer gezegd kan worden dat op eenvoudige wijze zonder nader onderzoek tot een vrijspraak of bewezenverklaring kan worden gekomen. Daarmee zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate geschonden. Dat heeft gevolgen voor de vraag of er nog sprake kan zijn van een eerlijk proces. Het tijdsverloop heeft onder meer negatieve gevolgen voor mogelijke onderzoekswensen van de verdediging waardoor van een gelijk speelveld inmiddels geen sprake meer is.

Read More
Print Friendly and PDF ^