AG: inzet Awb-toezichtbevoegdheden bij integrale controle levert geen vormverzuim op

AG Paridaens concludeert in een cassatiezaak naar aanleiding van een integrale controle in Wijchen, waarbij in een bedrijfspand een drugslab werd aangetroffen. De verdediging stelde dat de gemeente haar bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden had misbruikt voor strafrechtelijke doeleinden en bepleitte op die grond bewijsuitsluiting. Volgens de AG levert het enkele feit dat sprake is van signalen van ondermijning en samenwerking met de politie geen schending van artikel 1:6 Awb op. Pas wanneer toezichtbevoegdheden uitsluitend voor opsporing in de zin van artikel 132a Sv worden ingezet, ontstaat een vormverzuim, en daarvan is bij een integrale controle niet snel sprake. De Hoge Raad doet naar verwachting op 7 juli 2026 uitspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Post-Jaddoe en artikel 81 RO: de AG spreekt, de Hoge Raad zwijgt

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:675

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een hoofdagent van de Politie Eenheid Rotterdam die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), schending van ambtsgeheim (artikel 272 Sr) en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine (artikel 2 onder C Opiumwet). De inhoudelijke meerwaarde zit in de conclusie van advocaat-generaal Van Kampen, die de afdoening op artikel 81, eerste lid, RO uitdrukkelijk positioneert ten opzichte van het post-Jaddoe-arrest (HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40) en HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110: een vrijspraak in eerste aanleg staat volgens haar niet in de weg aan een afdoening op artikel 81 RO wanneer die vrijspraak louter berust op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging en de feitelijke gedragingen wel zijn vastgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Valse rompnummers alleen zijn onvoldoende voor onttrekking aan het verkeer

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:624

De Hoge Raad vernietigt een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij twee sloepen met valse WIN-rompnummers op grond van artikel 36d Sr aan het verkeer waren onttrokken. Volgens de Hoge Raad moet de rechter bij een afzonderlijke beschikking ex artikel 36b lid 1 onder 4° Sr vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een door artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. De rechtbank had niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit de sloepen in verband stonden, terwijl de oncontroleerbaarheid van herkomst en eigendom op zichzelf onvoldoende is. Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd en het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Een grap met fataal gevolg: voorwaardelijk opzet bij schot uit vermeend beveiligd vuurwapen

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689

In dit arrest bevestigt de Hoge Raad de veroordeling voor doodslag van een verdachte die op 7 juli 2020 in Arnhem zijn partner doodschoot met een vuurwapen dat volgens hem op de veiligheidspal stond. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf voor voorwaardelijk opzet uit HR 25 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AE9049) en HR 9 november 1954 (ECLI:NL:HR:1954:1) over de aanmerkelijke kans en de bewuste aanvaarding daarvan. Het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood had door met een schietklaar, geladen wapen op het slachtoffer te richten en de trekker over te halen zonder veiligheidschecks, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onbegrijpelijke aanvangsdatum wettelijke rente

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:688

De Hoge Raad oordeelt dat het hof Arnhem-Leeuwarden de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van EUR 5.518,95 in een doodslag- en diefstalzaak onbegrijpelijk heeft vastgesteld op 31 maart 2020, terwijl de bewezenverklaarde diefstalperiode pas op 27 april 2020 aanvangt. De Hoge Raad bevestigt dat wettelijke rente op grond van artikel 6:83 onder b BW zonder ingebrekestelling verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade door de onrechtmatige daad is ingetreden, met verwijzing naar HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 21 oktober 2020, de laatste dag van de pleegperiode. Het tweede cassatiemiddel wordt afgedaan met artikel 81 lid 1 RO. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de gevangenisstraf van twaalf jaren ambtshalve verminderd tot elf jaren en elf maanden, terwijl de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in stand blijft.

Read More
Print Friendly and PDF ^