Vordering ex art. 126nda Sv: ook rechtspersoon hoeft niet mee te werken aan vordering indien de rechtspersoon verdachte is en zich daarmee zou blootstellen aan gevaar van strafrechtelijke vervolging

Hoge Raad 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:286

Een supermarkteigenaar zette tijdens corona een mondkapjesweigeraar buiten waarna beiden ruzie kregen en de supermarkteigenaar later verdacht werd van mishandeling. De politie vroeg bij de supermarkt de camerabeelden op ex art. 126nd Sv. Aangezien de vordering ex art. 126nd Sv niet aan de verdachte kan worden gegeven werd er betoogd dat de supermarkt zelf ook als verdachte kon worden gezien nu de gedragingen van de supermarkteigenaar probleemloos konden worden toegerekend aan de supermarkt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vereisten voor het (als pleger) “voorhanden hebben” van voorwerp (art. 46 Sr)

Hoge Raad 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:193

Voor (als pleger) “voorhanden hebben” van voorwerp a.b.i. art. 46 Sr is vereist dat Verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat Verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in geval dat het niet anders kan dan dat Verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast vergt voorhanden hebben van voorwerp a.b.i. art. 46 Sr dat Verdachte feitelijke macht over voorwerp kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in directe nabijheid van Verdachte te bevinden. Als medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in art. 46 Sr is ten laste gelegd, dan moet komen vast te staan dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door Verdachte met een of meer anderen die was gericht op voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat Verdachte zich bewust was van (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat Verdachte tezamen met mededader(s) feitelijke macht over voorwerp heeft kunnen uitoefenen in hiervoor weergegeven zin.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wat als handtekening advocaat ontbreekt op schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen?

Hoge Raad 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91

Een e-mailbericht kan als een schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv tot het instellen van beroep in cassatie worden aangemerkt als in e-mailbericht zelf de volmacht is opgenomen die beantwoordt aan de eis dat en een verklaring bevat van de advocaat dat hij door de Verdachte of klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep én die volmacht is voorzien van ondertekening door advocaat. Aan deze voorwaarden is in deze zaak niet voldaan, nu de e-mail van de advocaat van de klager niet (zelf of in de bijlage) een verklaring van de advocaat bevat dat zij bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep in cassatie en die e-mail ook niet door de advocaat is ondertekend. Uit de omstandigheid dat namens de klager een cassatieschriftuur is ingediend door onder anderen dezelfde advocaat die de e-mail aan de griffie van de rechtbank heeft verzonden, moet worden afgeleid dat aan deze op 2 punten onvolkomen volmacht bij het instellen van beroep in cassatie de wens van klager ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen. Daarom leidt die onvolkomen volmacht niet tot niet-ontvankelijkverklaring in dit beroep. Conclusie AG anders.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Eerste zaak die aan HR is voorgelegd na beantwoording prejudiciële vragen over EncroChat-data blijft in stand

Hoge Raad 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192

De veroordeling van een verdachte wegens de (voorbereiding van) handel in drugs, het medeplegen van handel in vuurwapens en witwassen blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld. Het gerechtshof gebruikte voor het bewijs onder meer berichten van zogenoemde PGP-telefoons van dienstverlener EncroChat die Nederland ontving in het kader van een gemeenschappelijk onderzoek met Frankrijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wanneer heeft een verdachte de “herkomst” van een geldbedrag en rechthebbende op dat bedrag “verhuld”?

Hoge Raad 23 januari 2023, ECLI:NL:HR:2024:47

De bestanddelen “verbergen” en “verhullen” a.b.i. art. 420bis.1.a Sr hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht zicht te bemoeilijken op (onder meer) herkomst van voorwerp en wie rechthebbende op voorwerp is. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Het hof heeft geoordeeld dat Verdachte “met overleggen van stukken” (waarmee hof het oog heeft op stukken die Verdachte n.a.v. witwasbrief heeft doen overleggen en waarover door Verdachte op de terechtzitting in hoger beroep een verklaring is afgelegd die door hof is aangemerkt als “achteraf geconstrueerd samenstel van verzinsels”) heeft geprobeerd werkelijke herkomst van geld en kennelijk ook rechthebbende daarop te verhullen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat verhullen van herkomst van geld en van rechthebbende daarop heeft plaatsgevonden op 28-8-2020, terwijl overleggen van stukken en afleggen van verklaring daarover na die datum hebben plaatsgevonden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Witwassen door op verzoek bankrekening te openen en bankpas af te geven: Gedragingen gericht en geschikt om zicht te bemoeilijken op werkelijke aard en verhullen vervreemding

Hoge Raad 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:67

De bestanddelen “verbergen” en “verhullen” als bedoeld in art. 420bis.1.a Sr hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht zicht te bemoeilijken op (onder meer) herkomst van voorwerp en wie rechthebbende op voorwerp is. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Het hof heeft bewezenverklaard dat Verdachte door haar handelen de werkelijke aard en vervreemding heeft verhuld en heeft verhuld wie rechthebbende op het van misdrijf afkomstige geld was. Hof heeft daartoe vastgesteld dat verdachte, tegen toegezegde betaling van 10% van opbrengst, op verzoek van iemand die rekeningnummer nodig had om geld door te sluizen, bankrekening heeft geopend, dat zij daarbij behorende bankpas thuis heeft ontvangen, dat twee jongens bankpas bij haar zijn komen ophalen en dat haar is verteld dat er geld zou worden overgeschreven op bankrekening en dat twee jongens dat geld zouden opnemen door met haar bankpas te pinnen. In de vaststellingen van het hof ligt besloten dat, gelet op wat aan Verdachte was verteld, de gedragingen van Verdachte (op haar naam openen van bankrekening en uit handen geven van de aan die bankrekening gekoppelde bankpas) erop gericht waren het mogelijk te maken dat door in bewezenverklaring genoemde personen overgeboekte en op bankrekening gestorte bedragen door jongens van rekening konden worden gehaald, waarmee deze jongens contante, niet naar genoemde personen herleidbare geldbedragen in handen konden krijgen en waarmee tevens uit beeld zou blijven wie uiteindelijk over de door genoemde personen overgemaakte geldbedragen zou komen te beschikken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Maximale duur van gijzeling als één strafzaak heeft geleid tot twee ontnemingsuitspraken

Hoge Raad 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:42

Als de rechter op grond van artikel 36e lid 11 Sr bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de duur van de gijzeling bepaalt die ten hoogste kan worden gevorderd, beloopt die duur ook in zo’n geval ten hoogste drie jaren, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:805). Dit maximum geldt ook als de uit de gevoegde strafzaak voortkomende ontnemingsvorderingen – zoals in deze zaak en in de zaak met nummer 22/00005 P – niet in één ontnemingszaak aan de orde zijn gesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. samenloopvragen

Hoge Raad 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:11

Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat samenloopvragen mede worden bepaald door de in het concrete geval toepasselijke strafbepaling(en). Als bijvoorbeeld een strafbepaling betrekking heeft op een meervoud van voorwerpen of gedragingen, rijst bij bewezenverklaring van het – gelijktijdig en op dezelfde plaats – handelen in strijd met die bepaling in beginsel geen samenloopvraagstuk omdat dan sprake is van een uit de delictsomschrijving voortvloeiende enkelvoudige kwalificatie. Daar staat tegenover dat in het bijzonder bij gevolgdelicten het uitgangspunt is dat elk gevolg – ook als de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien – een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is, zoals bij een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 met meerdere slachtoffers.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Kan er sprake zijn van (ambtelijke) omkoping wanneer er reële werkzaamheden zijn verricht in ruil voor giften (betalingen)?

Hoge Raad 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:66

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof geoordeeld en kunnen oordelen dat de betalingen die de verdachte aan betrokkene 1 heeft gedaan niet alleen dienden als een betaling achteraf voor bewezen diensten als docent/ontwikkelaar, maar daarnaast tot doel hadden – en daarmee zijn gedaan met het oogmerk om – (onder andere) de relatie met betrokkene 1 te bestendigen en via hem een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen, vertrouwelijke informatie te verkrijgen en het gunnen van opdrachten te bewerkstelligen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beroepsverbod notaris: wanneer heeft bijkomende straf betrekking op het recht op uitoefening van het beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan?

Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1767

De verdachte heeft, nadat hij eerder was ontzet van het ambt van notaris, drie jaar lang in zijn functie als medewerker bij een notariskantoor, in samenwerking met een notaris, diverse stukken vervalst dan wel valselijk opgemaakt. Daarin ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte de strafbare feiten heeft begaan in de uitoefening van het beroep van notarieel medewerker. De tegen dit oordeel gerichte klacht van het cassatiemiddel faalt. De formulering van het verbod tot uitoefening van ‘het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk’ voldoet echter niet aan het vereiste dat de ontzetting betrekking moet hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^