Niet-ontvankelijkheid OM vanwege een zeer ernstige schending van de redelijke termijn

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 januari 2013, LJN BZ0191 De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 21 juni 2002, waarbij zij ter zake van medeplegen van opzettelijk iemand, krachtens rechterlijke uitspraak van de vrijheid beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn (feit 1), opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren (feit 2) en poging tot diefstal (feit 3) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk zal verklaren, nu het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn, in zeer ernstige mate is geschonden.

Het hof stelt voorop dat ingevolge bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt heeft te gelden dat de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof echter van oordeel dat in casu sprake is van een zeer ernstige schending van de redelijke termijn, gelet op het navolgende:

  • de behandeling in eerste aanleg is niet met een eindvonnis binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn afgerond, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen, zodat reeds toen al sprake was van een schending van de redelijke termijn;
  • het OM heeft voorts bij de betekening van de verstekmededeling geenszins de vereiste voortvarendheid betracht. Uit het dossier blijkt immers dat het OM in de periode gelegen tussen het wijzen van het verstekvonnis op 21 juni 2002 en de dag waarop de verstekmededeling, volgens mededeling van de raadsman, aan verdachte is uitgereikt, te weten op 12 juni 2012 slechts eenmaal, namelijk op 1 oktober 2009, heeft getracht deze mededeling aan verdachte uit te reiken. Mitsdien is het hof niet gebleken dat door het OM in voornoemde periode ten minste één maal per jaar is getracht de mededeling alsnog te betekenen. Dit klemt temeer nu uit het verdachte betreffende GBA-overzicht van 5 december 2012 is gebleken dat verdachte gedurende een lange periode, te weten vanaf 26 mei 1994 tot op heden, op slechts twee vaste adressen in Nederland heeft gewoond, waarbij verdachte vanaf 2 november 2004 staat ingeschreven op haar huidige woonadres waar zij, blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, ook steeds woonachtig is geweest;
  • tot slot is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde en de ingewikkeldheid van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt.

In aanmerking nemend dat er - gelet op het vorenstaande - in casu sprake is van een zeer grove schending van de redelijke termijn en bovenal de advocaat-generaal als dominus litis in de strafvervolging heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn strafvervolging, zal het hof aan het bovenvermelde uitgangspunt voorbijgaan en in dit zeer uitzonderlijk geval het OM in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk verklaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beslissingen in de Klimop-zaak

Het hof Amsterdam heeft afgelopen woensdag in de zaken van verdachten in de Klimop-zaak beslissingen genomen op getuigenverzoeken en verzoeken tot inzage in en/of voeging van stukken. Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0220

  • Het hof wijst af het verzoek tot het horen van getuige 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 als getuige.
  • De verdediging heeft op 17 december 2012 verzocht om inzage in de dataroom. Het hof verstaat dit verzoek als ingetrokken - en zal daar dan ook niet (meer) op beslissen - aangezien de advocaat-generaal reeds ter terechtzitting heeft laten weten dat dit verzoek geen probleem vormt.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0221

  • Het hof wijst af het verzoek tot inzage in de FIOD-journaals;
  • Wijst af het verzoek tot het horen van getuige 1, 6, 7, 8, 9 en 10, 16, 17, 11, 12, 13, 14 en 15;
  • Wijst af het verzoek tot het benoemen van betrokkene 1 tot deskundige en het verzoek tot het benoemen van een computerdeskundige;
  • Wijst af het verzoek tot het verzoek tot het verrichten van een forensisch medisch, psychologisch en psychiatrisch onderzoek bij de verdachte;
  • Wijst af het verzoek tot de mogelijkheid tot aansluiting bij toegewezen getuigenverzoeken en onderzoekswensen in de zaken van de medeverdachten;
  • Verzoekt het OM het ertoe te geleiden dat door de verbalisanten getuige 16 en 17 een aanvullend proces-verbaal zal worden opgemaakt, waarin in ieder geval wordt ingegaan op volgend citaat uit het proces-verbaal van de zitting van 24 maart 2011. “Bij de eerste verhoren was geen advocaat aanwezig. Ik kreeg te horen dat ik mij op mijn zwijgrecht mocht beroepen. Ik vroeg waarom ik verhoord werd en kreeg te horen dat dit in verband met valse facturen was. Vanuit medeverdachte heb ik verstand van kantoorefficiency. Mij werd voorgehouden dat facturen in te delen zijn in valse en goede en dat er een grijs gebied bestaat. Ik heb uitgelegd dat ik in mijn leven eerder 30.000 dan 20.000 facturen heb gestuurd in verband met bemiddeling tussen importeurs en eindgebruikers. Ik heb de beschikking over 200 tussenpersonen/dealers. Deze tussenpersonen leveren orders en ik maak vervolgens een factuur op met factuuromschrijving “bemiddeling”. Mij werd door degenen die mij verhoorden voorgehouden dat de facturen vals zijn als ik niet precies op de factuur zet wat ik heb gedaan. Al mijn 30.000 facturen zijn dan vals. In deze context moet u mijn antwoorden op de vragen van de verhoorders zien.” 
  • Verder dienen de verbalisanten in het aanvullend proces-verbaal aan te geven wat zij precies met de verdachte hebben besproken, wat zij hebben gevraagd en wat er in hun herinnering toen is gebeurd. De raadsman kan daartoe, via het openbaar ministerie, schriftelijk aanvullende vragen stellen die op deze punten betrekking hebben.
  • Wijst toe het verzoek tot het horen van getuige 2, 18, 19, 3, 4, 5 en 20 als getuige. Deze getuigen zullen op een nader te bepalen terechtzitting worden gehoord;
  • Beveelt de oproeping van de getuige 21 tegen een nader te bepalen terechtzitting;
  • Geeft opdracht aan het OM het ertoe te geleiden dat de reclassering een voorlichtingsrapport omtrent de verdachte zal opmaken.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0223:

  • Het hof wijst af het verzoek tot inzage in de kast van betrokkene 1, de TPO-verslagen en de controledossiers van de Belastingdienst;
  • Wijst af het verzoek tot voeging van opgenomen OVC-gesprekken en getapte telefoongesprekken;
  • Wijst af het verzoek tot het horen van getuige 6, 1, 2, 3, 4, 5 en 10 als getuige;
  • Wijst toe het verzoek tot het horen van getuige 7, 8, 9 en 11 als getuige. Deze getuigen zullen op een nader te bepalen terechtzitting worden gehoord.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0224

  • Wijst af het verzoek tot het horen van getuige 1-6 en getuige 8 als getuige.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0225

  • Het hof wijst de getuigenverzoeken ten behoeve van de getuigen getuige 1 en getuige 2 toe, nu dit in het belang van de verdediging is. Deze getuigen zullen op een nader te bepalen terechtzitting worden gehoord;
  • Wijst af het verzoek tot het horen van getuige 3 als getuige.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0226

  • Het hof wijst af het verzoek tot inzage in de FIOD-journaals;
  • Wijst af het verzoek tot het horen van getuige 5, 10, 11, 12, FIOD-verbalisanten 1020 en 1001, getuige 16, 17, 3, 4 en 2 als getuige;
  • Wijst af het verzoek tot het benoemen van betrokkene 1 tot deskundige en het verzoek tot het benoemen van een computerdeskundige;
  • Wijst af het verzoek tot het verzoek tot het verrichten van een forensisch medisch, psychologisch en psychiatrisch onderzoek bij de verdachte;
  • Wijst af het verzoek tot de mogelijkheid tot aansluiting bij toegewezen getuigenverzoeken en onderzoekswensen in de zaken van de medeverdachten;
  • Verzoekt het openbaar ministerie het ertoe te geleiden dat door de verbalisanten getuige 16 en getuige 17 een aanvullend proces-verbaal zal worden opgemaakt, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het eerder vermeldde citaat uit het proces-verbaal van de zitting van 24 maart 2011;
  • Verder dienen de verbalisanten in het aanvullend proces-verbaal aan te geven wat zij precies met de verdachte hebben besproken, wat zij hebben gevraagd en wat er in hun herinnering toen is gebeurd. De raadsman kan daartoe, via het openbaar ministerie, schriftelijk aanvullende vragen stellen die op deze punten betrekking hebben;
  • Wijst toe het verzoek tot het horen van getuige 6, 8, 19, 7, 8, 9 en 20 als getuige. Deze getuigen zullen op een nader te bepalen terechtzitting worden gehoord;
  • Beveelt de oproeping van de getuige 21 tegen een nader te bepalen terechtzitting.

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2013, LJN BZ0228

Van deze uitspraak zijn geen details beschikbaar.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens verduistering uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 januari 2013, LJN BY9872 Verdachte was vennoot in B.V. 1. Deze B.V. voerde krachtens overeenkomst met Stichting R de financiële administratie van Stichting R. Een werknemer van B.V. 1 was belast met het beheer van de bankrekening van Stichting R. Verdachte hield toezicht op deze werknemer en heeft hem tijdens diens ziekte vervangen. Zowel voor als tijdens deze ziekte worden overboekingen gedaan van de bankrekening van Stichting R naar een rekening van (een vennootschap van) verdachte. Verdachte stelt dat deze overboekingen met toestemming van het bestuur van de Stichting R zijn geschied omdat er een geldleenovereekomst zou zijn gesloten krachtens welke verdachte EUR 84.000 kon lenen van de Stichting R. Stichting R betwist deze geldlening.

Het hof concludeert dat verdachte zonder toestemming heeft gehandeld, nu het tot stand komen van een geldleenovereenkomst niet aannemelijk is geworden en verdachte moet hebben geweten dat hij geen overeenkomst had gesloten. Tevens was naar het oordeel van het hof de hoedanigheid waarin verdachte handelde zozeer verknocht met zijn dienstbetrekking bij B.V. 1 dat kan worden gesteld dat verdachte de gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had ex art. 322 Sr.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat het aannemelijk is dat verdachte zich de gelden niet permanent heeft willen toe-eigenen. Verdachte heeft kennelijk tijdelijk gebruik willen maken - ten eigen nutte - van het geld van Stichting R en heeft de bedoeling gehad om deze gelden op enig moment terug te betalen. Het hof heeft begrepen dat een aanzienlijk deel al is terugbetaald.

Verder houdt het hof rekening met de ingrijpende gevolgen voor de verdachte. Hij is zijn plaats in B.V. 1 kwijtgeraakt. En verder is aannemelijk dat hij, na een veroordeling wegens verduistering, in zijn soort werk problemen zal ondervinden bij het verwerven van opdrachten.

Gelet op het voorgaande is het hof, met de eerste rechter, van oordeel dat een taakstraf van 150 uren passend en geboden is. Tevens zal het hof een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gebruikmaken van andermans rijbewijs geen valsheid in geschrifte

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 januari 2013, LJN BY8887 Verdachte heeft op 1 oktober 2009 toen hem door de verbalisant gevraagd werd zich te legitimeren een rijbewijs getoond dat niet op zijn naam was gesteld, maar op naam van een vriend van hem. Dat rijbewijs was niet vals of vervalst. De vraag rijst of het op een dergelijke manier gebruikmaken van een rijbewijs van een ander het gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift oplevert als bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr.

Bij de beantwoording van die vraag acht het Hof van belang dat het Wetboek van Strafrecht een soortgelijke bepaling kent voor zover het reisdocumenten betreft, te weten artikel 231, tweede lid. Artikel 231 Sr is in die zin een specialis van artikel 225 lid 2 Sr. In artikel 231 Sr maakt de wetgever expliciet onderscheid tussen het gebruik maken van een vals of vervalst reisdocument enerzijds en het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument anderzijds. Een soortgelijke strafbaarstelling bestaat niet voor het gebruik maken van een rijbewijs gesteld op naam van een ander. Het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs, niet zijnde een reisdocument, wordt door de wetgever aldus niet (als valsheid in geschrifte) strafbaar gesteld.

Het tonen van een rijbewijs van een ander kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als het gebruik maken van een van een vals of vervalst rijbewijs. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toewijzing verzoek ex artikel 591a Sv: Zijn de kosten rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste gekomen van de gewezen verdachte?

Gerechtshof Arnhem 21 januari 2013, LJN BY9620 Appellant en zijn gewezen medeverdachte zijn gelijktijdig voor dezelfde feiten vervolgd. De rechtbank heeft verdachte en zijn gewezen medeverdachte eveneens vrijgesproken. Beiden zijn bijgestaan door dezelfde raadsman. Alle declaraties van de raadsman waren gericht aan de gezamenlijke houdstermaatschappij van appellant en zijn gewezen medeverdachte. Gelet op de door appellant overgelegde stukken, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de gemaakte kosten daadwerkelijk ten laste zijn gekomen van appellant en zijn gewezen medeverdachte.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens oplichting: In casu levert het zich voordoen als bonafide klant een valse hoedanigheid op in de zin van artikel 326 Sr

Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2013, LJN BY9049 De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar herhaaldelijk schuldig gemaakt aan oplichting. Doormiddel van een vervalste werkgeversverklaring en salarisstrook heeft de verdachte een hypotheek verkregen van bedrijf 1. Verder heeft zij met behulp van een vervalst stortingsbewijs bedrijf 4bewogen tot afgifte van reisbescheiden naar Griekenland. Voorts heeft de verdachte zich bij een hotel, restaurant en diverse cateringbedrijven voorgedaan als bonafide klant en etenswaren besteld en laten afleveren, terwijl de verdachte niet tot betaling is overgegaan.

Het hof rekent de verdachte aan dat zij het vertrouwen van ondernemers in het (tijdig) voldoen van de rekeningen door de verdachte en het vertrouwen in de juistheid van de documenten welke door haar zijn overhandigd, heeft geschaad. Zulk vertrouwen is essentieel voor een goed verloop van het handelsverkeer. Voorts rekent het hof de verdachte aan dat zij zichzelf aanzienlijk heeft bevoordeeld ten koste van meerdere ondernemers.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte laatstelijk op 29 januari 2008 is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, waarbij een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren is opgelegd. Verder is de verdachte eerder veroordeeld ter zake van verduistering.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof aannemelijk dat de psychische gesteldheid van de verdachte invloed heeft gehad op haar gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Met de conclusie dat het ten laste gelegde verdachte verminderd kan worden toegerekend, kan het hof zich verenigen. Het hof neemt deze conclusie over.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel de verdachte als de maatschappij met name gebaad is bij een voortgezette behandeling die de verdachte thans ondergaat in de instelling voor geestelijke gezondheidzorg en dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die behandeling zou doorbreken. Evenwel is het hof van oordeel dat de ernst van de feiten noopt tot het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een werkstraf 240 uur passend en geboden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens feitelijk leiding geven aan het zonder vergunning uitvoeren van een hoeveelheid tritium(gas)

Gerechtshof Arnhem 22 januari 2013, LJN BY9127 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven van het door zijn rechtspersoon medeplegen van de export van een hoeveelheid tritium(gas), terwijl de daarvoor benodigde vergunning ontbrak. Het transport betrof een retourzending tritium(gas) aan de leverancier. De verdachte heeft met zijn handelen de regelgeving die op dit gebied geldt niet in acht genomen en ten onrechte radioactief materiaal laten verzenden zonder vergunning.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had om tritium(gas) zonder vergunning Nederland uit te voeren.

Voorts is betoogd dat de Verordening (EG) Nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik slechts betrekking heeft op een hoeveelheid van 40 Ci of meer, zodat de verdachte ten minste voor een deel van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken aangezien daarin ook 5 hoeveelheden van 10 Ci zijn opgenomen.

Oordeel hof

Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat de verdachte bewust de kans dat het tritium(gas) zonder vergunning uitgevoerd zou worden heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. De verdachte is er van uit gegaan dat een vergunning, zo die vereist was, door getuige (aan wiens bedrijf het transport was uitbesteed) zou worden aangevraagd en dat deze t.t.v. de export aanwezig zou zijn. Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het zonder vergunning uitvoeren van het betreffende tritium(gas).

Naar het oordeel van het hof is bewezen dat B.V. X tritium(gas) heeft geëxporteerd, terwijl de daarvoor benodigde vergunning ontbrak (de overtreding). Bovendien kan deze (verboden) gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon B.V. X worden toegerekend: Een transport van tritium(gas) valt binnen de bedrijfsomschrijving, terwijl het transport de B.V. dienstig was en de B.V. erover mocht beschikken of het transport al dan niet zou plaatsvinden.

De verdachte, blijkens het Uittreksel van de Kamer van Koophandel van B.V. X van 17 juli 2009, de enige bestuurder van het bedrijf en als zodanig alleen/zelfstandig bevoegd, was bevoegd en redelijkerwijs gehouden om de verboden gedraging te voorkomen. De verdachte heeft zich, door in die hoedanigheid onvoldoende navraag te (blijven) doen over de vraag of de vergunning indien nodig inderdaad ook was afgegeven en informatie in te winnen, als opdrachtgever schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde overtreding. Het enkele feit dat verdachte de export heeft uitbesteed aan een ander doet daar niet aan af, ook al zou die ander een gespecialiseerde onderneming zijn.

Voor zover is betoogd dat de Verordening voor tweeërlei gebruik slechts betrekking heeft op hoeveelheden van 40 Ci of meer, moet volgens het hof uit de toepasselijke regelgeving worden afgeleid dat de uitzondering die in de noot is genoemd alleen geldt voor producten en toestellen die de stof tritium in welke vorm dan ook bevatten en ziet deze niet ook op stof zelf, ook niet wanneer een partij tritium in kleine eenheden is verpakt. Het verweer wordt om die reden verworpen.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op feitelijk leiding geven aan door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 3:1 Algemene Douanewet.

Beroep op rechtsdwaling

De raadsman heeft betoogd dat bij de verdachte alle schuld afwezig was, omdat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de gedraging. De verdachte is afgegaan op het advies van een instantie waaraan zodanig gezag en deskundigheid valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het oordeel mocht vertrouwen. Verzocht is om de verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan.

Standpunt OM

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op rechtsdwaling alleen kan slagen indien de verdachte in het geheel geen verwijt valt te maken. De advocaat-generaal heeft daarbij onder meer gewezen op de rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake Probo Koala. Tevens heeft hij erop gewezen dat de verdachte in dit geval niet is geadviseerd over het al dan niet benodigd zijn van een vergunning. Het beroep op rechtsdwaling gaat niet op volgens de advocaat-generaal.

Oordeel hof

Uit het dossier blijkt dat de verdachte het bedrijf [B.V. Y] heeft ingeschakeld om een retourzending van tritium(gas) te verrichten. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat dit een gerenommeerd bedrijf betreft, is gesteld noch gebleken dat dit bedrijf een onafhankelijke en onpartijdige adviseur is op dit gebied en een specifieke deskundigheid bezit ten aanzien van de vergunningen die benodigd zijn voor het transport van goederen als in het onderhavige geval. Ook blijkt niet dat de verdachte daadwerkelijk en expliciet door dit bedrijf is geadviseerd over de vergunningen die nodig zijn voor zo een export van tritium(gas), welke materie op zichzelf wel als complex is aan te merken. De verdachte is zelf echter al een aantal jaren actief in deze branche, zodat dit argument – mede bezien in hetgeen hiervoor is opgemerkt over de andere van belang zijnde factoren – niet doorslaggevend is geacht. Het handelen van de verdachte was derhalve wederrechtelijk en het beroep op rechtsdwaling faalt.

Beroep op feitelijke dwaling

Voor zover nog is betoogd dat de verdachte heeft gedwaald ten aanzien van de feiten, omdat hij niet wist of een vergunning was aangevraagd en/of aanwezig, is het hof van oordeel dat dit verweer eveneens faalt. Het had op de weg van de verdachte gelegen om na te gaan of een vergunning aanwezig was voor de export van de producten. De verdachte heeft onvoldoende zorg betracht om op de hoogte geraken van de eisen die de wet stelt aan export van het tritium(gas en aldus te voorkomen dat het transport zou worden uitgevoerd zonder de benodigde vergunning.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Strafoplegging

Het hof heeft in voornoemde omstandigheden aanleiding gezien om een geheel voorwaardelijke geldboete van € 10.000.- op te leggen. De ernst van het feit brengt met zich dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals verzocht door de raadsman, niet aan de orde kan zijn.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof gaat om: cautie wél verplicht bij WAHV-zaken

Gerechtshof Leeuwarden 10 januari 2013, LJN BY8163 Essentie

Hoewel de wetgever in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) niet heeft voorzien in de plicht voor de opsporingsambtenaar om, voorafgaand aan een mondelinge ondervraging met het oog op een aan een betrokkene op te leggen administratiefrechtelijke sanctie, hem mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is, acht het hof het onjuist een verklaring van een betrokkene, waaraan die cautie niet is voorafgegaan, te gebruiken voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Immers, om ten volle van de in het EVRM neergelegde rechten gebruik te kunnen maken is van belang dat betrokkenen op de hoogte zijn van die rechten. Gelet op de wijze waarop het Wetboek van Strafrecht en de Algemene wet bestuursrecht daaraan vorm hebben gegeven, dient ook aan het horen van een betrokkene ter zake van een gedraging in het kader van de WAHV de cautie vooraf te gaan. Tenzij anders blijkt, mag bij het ontbreken van de cautie er niet van worden uitgegaan dat sprake is van een vrijwillig afgelegde verklaring.

Feiten

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie van € 110,- opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden.

De gemachtigde klaagt erover dat de betrokkene de cautie niet is gegeven bij de staandehouding. De betrokkene werd bij de staandehouding door twee verbalisanten aangesproken met de mededeling dat zij hadden vastgesteld dat hij reed met een mobiele telefoon in zijn hand. Door de overbluffende, suggestieve en concluderende wijze van handelen van de verbalisanten is direct een verhoorsituatie ontstaan, aldus de gemachtigde. De betrokkene - 16 jaar en licht verstandelijk gehandicapt - heeft, zonder dat hij erop is gewezen dat hij niet tot antwoorden is verplicht, een bekentenis afgelegd. Hierdoor is hij in zijn rechten geschaad, aldus de gemachtigde, die in dit verband onder meer wijst op het bepaalde in artikel 5:10a Awb.

Het Hof gaat hierin mee en acht het onjuist een verklaring van een betrokkene, waaraan die cautie niet is voorafgegaan, te gebruiken voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Om die reden zal het hof dan ook de bij de staandehouding afgelegde verklaring van de betrokkene niet gebruiken voor de beoordeling van de vraag of de gedraging, het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden, is komen vast te staan. De verklaring van de verbalisant biedt onvoldoende grondslag voor die vaststelling en dus is volgens het hof niet komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, het beroep wordt gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking worden vernietigd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beschuldiging van meineed. Beklag afgewezen wegens ontbreken van voldoende bewijs.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 januari 2013, LJN BY8723 Klager deed op 21 december 2011 aangifte van meineed, beweerdelijk gepleegd door beklaagde in een door hem op 25 januari 2011 als getuige afgelegde verklaring bij de rechtbank Middelburg. Het getuigenverhoor van beklaagde vond plaats in het kader van een civiele procedure, strekkende tot schadevergoeding aan een slachtoffer van pater X., die in 1990 door de rechtbank Middelburg is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen. Klager stelt ook één van de slachtoffers van genoemde pater te zijn geweest.

Klager is van oordeel dat beklaagde tijdens het gewraakte getuigenverhoor over een viertal onderwerpen meinedig heeft verklaard:

  1. zijn wetenschap van het misbruik door genoemde pater X. in plaats 1;
  2. (de vorm van) zijn contacten met de congregatie van congregartie Y;
  3. zijn wetenschap van het misbruik door die pater X. in plaats 2;
  4. het moment waarop seksueel misbruik voor het eerst ter sprake is gekomen in de bisschoppenconferentie.

Klager heeft daarbij, zoveel mogelijk geconcretiseerd in tijd en situatie, betoogd dat beklaagde ten aanzien van elk van die punten niet juist heeft verklaard en heeft gesteld dat zulks als meinedig moet worden aangemerkt.

In het bewuste proces-verbaal getuigenverhoor luiden de gedeelten waarin beklaagde verklaart over de bedoelde onderwerpen als volgt:

  1. “Van gepleegd misbruik in plaats1 heb ik pas achteraf heel vaag iets gehoord en ik ken geen details en weet dus ook niet of er een onderzoek heeft plaatsgevonden en of er stappen zijn ondernomen.”
  2. “Functioneel heb ik geen contact met de congregatie omdat die autonoom is. Dat kan anders zijn als een lid van de congregatie wordt aangesteld als priester in een parochie van het bisdom en dat is een keer geweest in een parochie in de buurt van Rotterdam, maar niet in plaats 1.”
  3. “Inmiddels weet ik dat pater X. zich in plaats 2 schuldig heeft gemaakt aan misbruik van kinderen, maar daar heb ik in die jaren nooit iets van gehoord.”
  4. “Seksueel misbruik kwam pas expliciet in de bisschoppenconferentie ter sprake in het begin van de jaren ’90, aanvankelijk naar aanleiding van incidentele gevallen in de Verenigde Staten en vervolgens omdat zich ook in Nederland enkele gevallen hadden voorgedaan.”

Het hof stelt voorop dat het beklag ziet op de beschuldiging van meineed tijdens het getuigenverhoor van 25 januari 2011. Derhalve is in het kader van de onderhavige beklagzaak enkel de inhoud van het bovenvermelde proces-verbaal van belang.

Het hof stelt vast dat beklaagde op alle vier de bovengenoemde punten een verklaring heeft afgelegd die op voor het bewijs cruciale onderdelen niet concreet (genoeg) is en/of voor meerdere interpretaties vatbaar is, waarbij het hof nog opmerkt dat beklaagde zich niet zodanig concreet heeft uitgedrukt in tijd en situatie als waarvan de klacht uitgaat. Er is, kort gezegd, onvoldoende bewijs voor het plegen van meineed. Nu, zoals gezegd, de verklaring van 25 januari 2011 de grondslag is voor de beoordeling of er sprake is van meineed en het gegeven dat die verklaring intussen vast staat, kan nader onderzoek daarin geen verandering brengen, wordt ook het subsidiaire verzoek van de advocaat tot nader onderzoek afgewezen.

Gelet op het vorenstaande wordt het beklag afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Een kruipruimte is aan te merken als een 'vertrek' van een woning

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 januari 2013, LJN BY8647 Door de raadsvrouwe is ter terechtzitting aangevoerd dat de politie in de woning van verdachte, door het openen van de onder een deurmat bevindende klep naar de kruipruimte en het vervolgens openen van de in die kruipruimte aangetroffen afgesloten vuilniszakken en een weekendtas, meer heeft gedaan dan alleen ‘zoekend rondkijken’ ex art. 9 van de Opiumwet, zodat sprake was van een doorzoeking waartoe de politie niet bevoegd was.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het dossier volgt dat de verbalisanten de woning van verdachte, met toestemming van verdachte, hebben betreden en dat zij daar een onderzoek hebben ingesteld. Uit het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat zij de klep van de kruipruimte hebben geopend en dat in die kruipruimte vervolgens acht vuilniszakken en een grote vakantietas met ruim 15 kilogram natte hennep werd aangetroffen.

Door verdachte wordt niet betwist dat de aangetroffen hennep zijn eigendom is. De verdediging en het OM verschillen van mening over de vraag of het openen van de klep naar de kruipruimte valt onder ‘zoekend rondkijken’ zoals dit als bevoegdheid is gegeven in de Opiumwet. De verdediging meent van niet en stelt dat daarmee sprake is van een doorzoeking van de woning waarvoor op dat moment geen machtiging aanwezig was. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit valt onder de bevoegdheden van art. 9 van de Opiumwet.

Het hof stelt voorop dat de bevoegdheden van art. 9 van de Opiumwet mede het zoekend rondkijken naar voor inbeslagneming vatbare zaken omvat. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag de politie op grond daarvan elk vertrek van een woning betreden.

Naar het oordeel van het hof is een kruipruimte aan te merken als een ‘vertrek’ van een woning en valt het openen van een niet afgesloten klep (luik) naar die kruipruimte onder de bevoegdheden van art. 9 van de Opiumwet. Het hof is dan ook met de advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is geweest van een doorzoeking.

De verdediging heeft nog gesteld dat de in de kruipruimte aangetroffen vuilniszakken en weekendtas waren afgesloten, zodat de hennep voor de verbalisanten niet zichtbaar was. Door deze zakken en de tas desondanks te openen is eveneens sprake van een doorzoekingshandeling waartoe de verbalisanten, zonder machtiging, niet bevoegd waren.

Het hof overweegt daaromtrent dat de stelling van de verdediging dat de door verbalisanten aangetroffen vuilniszakken en weekendtas waren afgesloten, geen bevestiging vindt in het dossier. Uit de foto’s in het strafdossier blijkt dat de zakken en de weekendtas niet waren afgesloten en evenmin dat die zakken zijn opengescheurd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de hennep voor de verbalisanten zichtbaar was, waarna zij de vuilniszakken en de weekendtas in beslag hebben genomen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^