Veroordeling wegens oplichting: In casu levert het zich voordoen als bonafide klant een valse hoedanigheid op in de zin van artikel 326 Sr

Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2013, LJN BY9049 De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar herhaaldelijk schuldig gemaakt aan oplichting. Doormiddel van een vervalste werkgeversverklaring en salarisstrook heeft de verdachte een hypotheek verkregen van bedrijf 1. Verder heeft zij met behulp van een vervalst stortingsbewijs bedrijf 4bewogen tot afgifte van reisbescheiden naar Griekenland. Voorts heeft de verdachte zich bij een hotel, restaurant en diverse cateringbedrijven voorgedaan als bonafide klant en etenswaren besteld en laten afleveren, terwijl de verdachte niet tot betaling is overgegaan.

Het hof rekent de verdachte aan dat zij het vertrouwen van ondernemers in het (tijdig) voldoen van de rekeningen door de verdachte en het vertrouwen in de juistheid van de documenten welke door haar zijn overhandigd, heeft geschaad. Zulk vertrouwen is essentieel voor een goed verloop van het handelsverkeer. Voorts rekent het hof de verdachte aan dat zij zichzelf aanzienlijk heeft bevoordeeld ten koste van meerdere ondernemers.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte laatstelijk op 29 januari 2008 is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, waarbij een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren is opgelegd. Verder is de verdachte eerder veroordeeld ter zake van verduistering.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof aannemelijk dat de psychische gesteldheid van de verdachte invloed heeft gehad op haar gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Met de conclusie dat het ten laste gelegde verdachte verminderd kan worden toegerekend, kan het hof zich verenigen. Het hof neemt deze conclusie over.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel de verdachte als de maatschappij met name gebaad is bij een voortgezette behandeling die de verdachte thans ondergaat in de instelling voor geestelijke gezondheidzorg en dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die behandeling zou doorbreken. Evenwel is het hof van oordeel dat de ernst van de feiten noopt tot het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een werkstraf 240 uur passend en geboden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF