Beschuldiging van meineed. Beklag afgewezen wegens ontbreken van voldoende bewijs.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 januari 2013, LJN BY8723 Klager deed op 21 december 2011 aangifte van meineed, beweerdelijk gepleegd door beklaagde in een door hem op 25 januari 2011 als getuige afgelegde verklaring bij de rechtbank Middelburg. Het getuigenverhoor van beklaagde vond plaats in het kader van een civiele procedure, strekkende tot schadevergoeding aan een slachtoffer van pater X., die in 1990 door de rechtbank Middelburg is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen. Klager stelt ook één van de slachtoffers van genoemde pater te zijn geweest.

Klager is van oordeel dat beklaagde tijdens het gewraakte getuigenverhoor over een viertal onderwerpen meinedig heeft verklaard:

  1. zijn wetenschap van het misbruik door genoemde pater X. in plaats 1;
  2. (de vorm van) zijn contacten met de congregatie van congregartie Y;
  3. zijn wetenschap van het misbruik door die pater X. in plaats 2;
  4. het moment waarop seksueel misbruik voor het eerst ter sprake is gekomen in de bisschoppenconferentie.

Klager heeft daarbij, zoveel mogelijk geconcretiseerd in tijd en situatie, betoogd dat beklaagde ten aanzien van elk van die punten niet juist heeft verklaard en heeft gesteld dat zulks als meinedig moet worden aangemerkt.

In het bewuste proces-verbaal getuigenverhoor luiden de gedeelten waarin beklaagde verklaart over de bedoelde onderwerpen als volgt:

  1. “Van gepleegd misbruik in plaats1 heb ik pas achteraf heel vaag iets gehoord en ik ken geen details en weet dus ook niet of er een onderzoek heeft plaatsgevonden en of er stappen zijn ondernomen.”
  2. “Functioneel heb ik geen contact met de congregatie omdat die autonoom is. Dat kan anders zijn als een lid van de congregatie wordt aangesteld als priester in een parochie van het bisdom en dat is een keer geweest in een parochie in de buurt van Rotterdam, maar niet in plaats 1.”
  3. “Inmiddels weet ik dat pater X. zich in plaats 2 schuldig heeft gemaakt aan misbruik van kinderen, maar daar heb ik in die jaren nooit iets van gehoord.”
  4. “Seksueel misbruik kwam pas expliciet in de bisschoppenconferentie ter sprake in het begin van de jaren ’90, aanvankelijk naar aanleiding van incidentele gevallen in de Verenigde Staten en vervolgens omdat zich ook in Nederland enkele gevallen hadden voorgedaan.”

Het hof stelt voorop dat het beklag ziet op de beschuldiging van meineed tijdens het getuigenverhoor van 25 januari 2011. Derhalve is in het kader van de onderhavige beklagzaak enkel de inhoud van het bovenvermelde proces-verbaal van belang.

Het hof stelt vast dat beklaagde op alle vier de bovengenoemde punten een verklaring heeft afgelegd die op voor het bewijs cruciale onderdelen niet concreet (genoeg) is en/of voor meerdere interpretaties vatbaar is, waarbij het hof nog opmerkt dat beklaagde zich niet zodanig concreet heeft uitgedrukt in tijd en situatie als waarvan de klacht uitgaat. Er is, kort gezegd, onvoldoende bewijs voor het plegen van meineed. Nu, zoals gezegd, de verklaring van 25 januari 2011 de grondslag is voor de beoordeling of er sprake is van meineed en het gegeven dat die verklaring intussen vast staat, kan nader onderzoek daarin geen verandering brengen, wordt ook het subsidiaire verzoek van de advocaat tot nader onderzoek afgewezen.

Gelet op het vorenstaande wordt het beklag afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF