Geen ontvankelijk cassatiemiddel bij algemene klacht over motiveringsgebreken

Hoge Raad 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:824

De verdachte is door het hof veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur wegens mishandeling van een hond in strijd met artikel 2.1 lid 1 Wet dieren. Ook zijn prikbanden onttrokken aan het verkeer. In cassatie is geklaagd dat het hof cruciale informatie uit het dossier en het verweer van de verdachte heeft genegeerd. De Hoge Raad oordeelt echter dat de ingediende schriftuur geen geldig cassatiemiddel bevat. Bovendien is het stuk niet op de juiste wijze en binnen de wettelijke termijn ingediend. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt beoordelingskader aanhoudingsverzoeken

Hoge Raad 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:658

De Hoge Raad herhaalt het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken. Een aanhoudingsverzoek kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman, ook als deze niet gemachtigd is, mits het verzoek gericht is op het effectueren van het aanwezigheidsrecht. De verdachte of zijn raadsman moet daarbij concreet aangeven welke omstandigheid het verzoek rechtvaardigt, anders mag de rechter het verzoek zonder meer afwijzen. Indien de aangedragen omstandigheid onvoldoende is onderbouwd, kan de rechter om nadere gegevens vragen of het verzoek alsnog afwijzen als onvoldoende aannemelijk. Als de aangedragen omstandigheden wel aannemelijk zijn, moet de rechter een belangenafweging maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting, en bij afwijzing zijn beslissing deugdelijk motiveren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over prejudiciële vragen in strafzaken

Hoge Raad 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:204

Onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de Hoge Raad prejudiciële vragen alleen kan beantwoorden als de rechter het antwoord nodig heeft om in zijn zaak te kunnen beslissen. In sommige strafvorderlijke procedures moet de rechter op zo korte termijn beslissen dat hij niet op het antwoord van de Hoge Raad kan wachten. Ook dan kan een antwoord van de Hoge Raad voor de rechtsontwikkeling toch wenselijk zijn. Daarvoor moet de vraag dan wel van voldoende gewicht zijn en ook verder voldoen aan de eisen die de wet aan zo’n vraag stelt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen t.a.v. overschrijding van redelijke termijn in geval OM bij de ex art. 366 Sv voorgeschreven betekening van verstekmededeling niet nodige voortvarendheid heeft betracht

Hoge Raad 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:618

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling. Gelet op wat raadsman heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn bij betekening van verstekmededeling, had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in ‘s hofs uitspraak ontbreekt, is middel terecht voorgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Eisen die aan herzieningsaanvraag worden gesteld

Hoge Raad 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:610

Alleen een herzieningsaanvraag die aan de door de Hoge Raad gestelde motiveringseis voldoet, kan in behandeling worden genomen. Een aanvraag die onvoldoende is gemotiveerd, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld. Dit betekent dat indien een aanvraag een beroep doet op een met stukken onderbouwd gegeven a.b.i. art. 457 lid 1 sub c Sv, (a) aanvraag een nauwkeurige omschrijving moet bevatten van dit gegeven (novum) en dat dus niet kan worden volstaan met verwijzing naar bijgevoegde stukken waaruit zo’n novum zou moeten blijken; (b) aanvraag de redenen moet vermelden waarom novum tot één van (in art. 457 lid 1 sub c Sv) genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden; (c) aanvraag, indien deze ertoe strekt bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie moet uiteenzetten (i) waarom bepaald onderdeel van bij aanvraag gevoegde stukken leidt tot ernstige twijfel aan juistheid van nauwkeurig aangeduid gedeelte van bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot ernstig vermoeden dat onderzoek van zaak, als dat gegeven toen bekend was geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak. Alleen als een aanvraag aan deze eisen voldoet, kan de Hoge Raad beoordelen of de aanvraag gegrond is.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over samenloopregeling

Hoge Raad 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:566

De samenloopregeling kent geen beperkingen voor de cumulatie van taakstraffen, terwijl ook titel II (“Straffen”) van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht geen regels bevat over de maximaal op te leggen taakstraf in geval van meerdaadse samenloop. Als meerdere strafbare feiten gevoegd worden behandeld, wordt op grond van artikel 57 Sr voor deze feiten één taakstraf opgelegd, waarvan het maximum in dat geval dus de duur van 240 uren mag overschrijden. Voor de vervangende hechtenis die op grond van artikel 22d lid 1 Sr moet worden verbonden aan de taakstraf, geldt dat niet in de wettelijke samenloopregeling en ook niet in titel II (“Straffen”) van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht enig voorschrift is opgenomen dat beperkingen stelt aan de duur van die hechtenis als sprake is van meerdaadse samenloop.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR geeft in aanvulling op overzichtsarrest redelijke termijn en een overzicht van gevallen waarin kan worden volstaan met de enkele constatering dat redelijke termijn is overschreden

Hoge Raad 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492

De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. de algemene uitgangspunten en regels over de inbreuk op het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, het uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van opgelegde straf dan wel vastgesteld ontnemingsbedrag en gevallen waarin in strafzaken en in ontnemingszaken geen vermindering wordt toegepast. Algemene regels over wijze waarop straf dan wel ontnemingsbedrag moet worden verminderd, zijn niet te geven. Het staat feitenrechter vrij om (na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder mate van overschrijding van redelijke termijn) te volstaan met constatering dat redelijke termijn is overschreden. Daarbij kan worden aangesloten op door de Hoge Raad genoemde gevallen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wat als handtekening advocaat ontbreekt op schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen?

Hoge Raad 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91

Een e-mailbericht kan als een schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv tot het instellen van beroep in cassatie worden aangemerkt als in e-mailbericht zelf de volmacht is opgenomen die beantwoordt aan de eis dat en een verklaring bevat van de advocaat dat hij door de Verdachte of klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep én die volmacht is voorzien van ondertekening door advocaat. Aan deze voorwaarden is in deze zaak niet voldaan, nu de e-mail van de advocaat van de klager niet (zelf of in de bijlage) een verklaring van de advocaat bevat dat zij bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep in cassatie en die e-mail ook niet door de advocaat is ondertekend. Uit de omstandigheid dat namens de klager een cassatieschriftuur is ingediend door onder anderen dezelfde advocaat die de e-mail aan de griffie van de rechtbank heeft verzonden, moet worden afgeleid dat aan deze op 2 punten onvolkomen volmacht bij het instellen van beroep in cassatie de wens van klager ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen. Daarom leidt die onvolkomen volmacht niet tot niet-ontvankelijkverklaring in dit beroep. Conclusie AG anders.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Openbaarmaking veroordeling niet mogelijk bij veroordeling voor valsheid in geschrifte

Rechtbank Midden-Nederland 23 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:254

De rechtbank heeft een 53-jarige man veroordeeld voor het medeplegen van verduistering en valsheid in geschrift. De rechtbank heeft een taakstraf opgelegd van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Als bijkomende straf heeft de rechtbank Verdachte ontzet uit de uitoefening van het beroep van bewindvoerder voor de duur van drie jaren. Deze straf is bijna gelijk aan de eis van de officier van justitie. De officier van justitie had ook de openbaarmaking van de veroordeling gevorderd, maar dat kan volgens de wet niet voor de veroordeling van valsheid in geschrift. In het ontnemingsvonnis heeft de rechtbank ten slotte de verplichting opgelegd tot betaling van €61.044,34 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Maximale duur van gijzeling als één strafzaak heeft geleid tot twee ontnemingsuitspraken

Hoge Raad 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:42

Als de rechter op grond van artikel 36e lid 11 Sr bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de duur van de gijzeling bepaalt die ten hoogste kan worden gevorderd, beloopt die duur ook in zo’n geval ten hoogste drie jaren, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:805). Dit maximum geldt ook als de uit de gevoegde strafzaak voortkomende ontnemingsvorderingen – zoals in deze zaak en in de zaak met nummer 22/00005 P – niet in één ontnemingszaak aan de orde zijn gesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^