Belastingfraude: Verdachte doet IB-aangifte op grond van (niet door belastingdienst gedeeld) standpunt. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen aangifte te doen op een wijze die toelaatbaar was.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3755

De verdachte en zijn partner hebben op 24 november 2007 tezamen een koopovereenkomst gesloten inzake een pand. Het pand is hen geleverd op 25 januari 2008. Tezamen verwierven zij ieder voor de onverdeelde helft het zakelijk recht van eigendom. Zij bewonen het pand samen met de kinderen. De verdachte en zijn partner zijn niet gehuwd of (samen) gehuwd geweest en hebben geen geregistreerd partnerschap of (samen) geregistreerd partnerschap gehad. Wel hebben zij een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst gesloten, gedateerd 1 maart 2001. De verwervingskosten van het pand bedroegen in totaal € 626.774.

De verdachte heeft het gehele pand tot zijn ondernemingsvermogen gerekend vanaf de verwerving van zijn onverdeelde helft in 2008. Het pand is in 2008 verbouwd voor (afgerond) € 112.117 en in 2009 voor (afgerond) € 14.123, derhalve in totaal voor € 126.240. De verdachte heeft ter berekening van zijn winst uit onderneming ten behoeve van de aangiften inkomstenbelasting 2008 en 2009 de volledige verbouwingskosten geactiveerd en heeft op het gehele pand afgeschreven (in 2008 afgerond € 696 en in 2009 afgerond € 17.405, in totaal € 18.101) en daarnaast in 2009 een boekverlies op het gehele pand genomen van afgerond € 312.415. Bij dit verlies is de verdachte uitgegaan van de door een taxateur in een taxatierapport vastgestelde waarde. Laatstgenoemd bedrag heeft de verdachte in zijn belastingaangifte inkomstenbelasting 2009 opgevoerd als negatieve boekwinst materiële vaste activa.

Op 29 juli 2010 heeft de verdachte de aangifte digitaal verzonden aan de rijksbelastingdienst.

De verdachte is in zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 ter berekening van de winst uit onderneming ervan uitgegaan dat het gehele pand tot het ondernemingsvermogen behoort. In verband met de inbreng van zijn een- manszaak in zijn BV is het pand eind 2009 overgebracht naar privé en zijn de hiermee samenhangende boekverliezen ter zake het gehele pand ten laste van het resultaat gebracht.

Standpunten procespartijen

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte, door in zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 ter berekening van de winst uit onderneming ervan uit te gaan dat het gehele pand tot het onder- nemingsvermogen behoort en de boekverliezen ter zake het gehele pand – in plaats van slechts de helft daarvan – ten laste van het resultaat te brengen, die aangifte onjuist heeft gedaan en dat het opzet van de verdachte daarop ook was gericht.

Door en namens de verdachte is betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doen van een onjuiste aangifte, aangezien hij in zijn belastingaangifte een zogenoemd fiscaal pleitbaar standpunt heeft ingenomen en derhalve kon en mocht menen dat de wijze waarop hij zijn aangifte heeft gedaan toelaatbaar was.

Dit standpunt van de verdachte komt erop neer dat hij op grond van de gemeenschappelijke eigendom van de woning en de partnerregeling – op grond waarvan volgens de verdachte de situatie van zijn partner en hem te vergelijken is met de situatie van gehuwden – die woning kon en mocht etiketteren als ondernemingsvermogen. De verdachte heeft aangegeven dat dit standpunt voor hem een principieel punt is dat hij voorgelegd wil hebben aan de belas- tingrechter.

Oordeel hof

Het hof stelt voorop dat, indien de verdachte het verweer voert dat hij bij het doen van belastingaangifte heeft gehandeld op grond van een zogenoemd fiscaal pleitbaar standpunt, de rechter dient te beoordelen of hij redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan, toelaatbaar was (Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, rov. 7.3).

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Het hof stelt voorop dat de heffing van inkomstenbelasting (en premie volksverzekeringen) geschiedt bij wege van aanslag (artikel 9.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001). Ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de rijksbelastingdienst een vermoedelijk belastingplichtige uitnodigen tot het doen van aangifte (artikel 6 AWR). De omstandigheid dat de heffing van inkomstenbelasting (en premie volksverzekeringen) geschiedt bij wege van aanslag heeft tot gevolg dat de heffing verloopt volgens het in hoofdstuk III van de AWR beschreven heffingssysteem. Dit systeem houdt in dat als de (vermoedelijk) belastingplichtige heeft voldaan aan de uitnodiging om aangifte te doen deze aangifte door de rijksbelastingdienst wordt beoordeeld, althans de rijksbelastingdienst heeft daartoe de gelegenheid, en dat vervolgens door de rijksbelastingdienst, al dan niet met een correctie van de aangifte, een aanslag wordt opgelegd (artikel 11 AWR). Met andere woorden: de formele vaststelling van de belastingschuld ontstaat pas door het opleggen van de aanslag door de rijksbelastingdienst, en niet door de aangifte van de (vermoedelijk) belas- tingplichtige.

De verdachte heeft op 29 juli 2010 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2009 gedaan. Naar aanleiding van de beoordeling door de rijksbelastingdienst van deze aangifte en de aangifte over het jaar 2008 heeft de rijksbelastingdienst bij brieven van 23 februari 2011 en 17 augustus 2011 vragen gesteld aan de verdachte (onder meer) inzake het pand, welke brieven de verdachte heeft beantwoord bij brieven van 14 april 2011 en 31 oktober 2011. Bij het opleggen van de aanslag over 2009 is de rijksbelastingdienst afgeweken van de aangifte en heeft de rijksbelastingdienst de helft van het boekverlies op de onroerende zaak gecorrigeerd. Nadat het door de verdachte tegen de aanslag gemaakte bezwaar door de rijksbe- lastingdienst is afgewezen, heeft de verdachte beroep bij de belastingsector van de rechtbank ingesteld, welk beroep, zoals de raadsman tijdens de terechtzitting heeft medegedeeld, ongeveer twee weken voor de terechtzitting bij het hof ter zitting bij de rechtbank is behandeld.

Aldus bezien is de gang van zaken geweest zoals die behoort te zijn: de verdachte doet aangifte, de rijksbelastingdienst kijkt er naar en constateert het met die aangifte niet eens te zijn en legt met een correctie de aanslag op. Waarna vervolgens wegens het verschil van inzicht tussen de verdachte en de rijksbelastingdienst het geschil, na bezwaar, aan de belastingrechter wordt voorgelegd.

In de onderhavige zaak wordt de verdachte evenwel verweten opzettelijk onjuist aangifte te hebben gedaan. Het hof is het met de raadsman van de verdachte eens dat de verdachte met betrekking tot de onroerende zaak in de aangifte geen feiten heeft verzwegen of dat de verdachte onjuiste informatie heeft verstrekt. Uit de aangifte blijkt onder meer het volgende:

  • de verdachte heeft in de aangifte aangegeven het gehele jaar 2009 te hebben samengewoond en er voor te kiezen zijn partner als fiscale partner aan te merken;
  • de verdachte heeft de onroerende zaak verantwoord als ondernemingsvermogen onder materiële vaste activa;
  • de verdachte heeft het voordeel van het gebruik van de, als ondernemingsvermogen geëtiketteerde, onroerende zaak in privé als privégebruik aangegeven;
  • de verdachte heeft de afschrijving op de onroerende zaak aangegeven;
  • de verdachte heeft het boekverlies in verband met het overbrengen van de onroerende zaak naar privé duidelijk omschreven als privé-onttrekking verantwoord, daarbij aangevende dat de overdrachtsprijs tot stand is gekomen door een taxatie van de onroerende zaak minus – naar het hof begrijpt – de (boek)waarde.

De in de aangifte opgenomen gegevens boden naar het oordeel van het hof de rijksbelastingdienst voldoende grondslag om tot een goede beoordeling van de aangifte te komen ten aanzien van de onroerende zaak. Dat de aangifte de rijksbelastingdienst voldoende grondslag verschafte om (de juiste) vragen te stellen blijkt wel uit de brieven van 23 februari 2011 en 17 augustus 2011 van de rijksbelastingdienst.

De onderhavige zaak komt er dan ook op neer, dat de verdachte wordt verweten (opzettelijk) onjuist aangifte te hebben gedaan door een fiscaalrechtelijk onjuist standpunt in te hebben genomen door ook het boekverlies in aanmerking te nemen ten aanzien van de helft van de onroerende zaak, waarvan niet hij maar zijn partner de juridische eigendom had. De verdachte heeft gesteld – kort weergegeven – van oordeel te zijn dat ongehuwd samenwonenden die opteren voor de fiscale partnerregeling, gelijk dienen te worden behandeld als gehuwden en dat daarom etikettering van het gehele pand als ondernemingsvermogen moet worden toegestaan.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus een – juridisch – standpunt ingenomen waarvan de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij daarmee aangifte deed op een wijze die toelaatbaar was. Niet alleen blijkt uit vaststaande jurisprudentie dat de juridische eigendom van een onroerende zaak niet doorslaggevend behoeft te zijn voor het antwoord op de vraag of de resultaten op deze onroerende zaak behoren tot winst uit onderneming bij een ander dan de juridisch eigenaar (onder meer: HR 29 maart 1950, B 8802; HR 30 maart 1995, BNB 1957/16 en HR 17 oktober 1973, BNB 1974/170), hetgeen ook onderkend is in de fiscale opinie van de belastingambtenaar, zodat het feit dat de verdachte slechts de juridische eigendom van de helft van de onroerende zaak bezat hem er niet van hoefde te weerhouden de aangifte te doen zoals hij heeft gedaan. Maar tevens kan de stelling van de verdachte niet anders worden begrepen dan dat hij zich beroept op het – internationaalrechtelijke – gelijkheidsbeginsel (zoals artikel 26 BUPO en/of artikel 14 EVRM). Naar het oordeel van het hof kon en mocht de verdachte redelijkerwijs menen dat hij aangifte deed op een wijze die toelaatbaar was door in die aangifte op basis van deze stelling ook het boekverlies in aanmerking te nemen voor zover dit verlies betrekking had op de juridische eigendom van zijn partner, nu de vraag of wet en/of beleid in overeenstemming zijn met het gelijkheidsbeginsel door de belastingrechter (in hoogste instantie) nog niet voor een situatie als de onderhavige is beslist.

In het oordeel van de rechtbank dat de aangifte niet strookt met het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 2001 CPP2001/3035M, BNB 2002/50, en dat daarom ‘de aangifte van verdachte over 2009 (…) derhalve onjuist (is)’ ligt besloten dat de rechtbank van oordeel is dat dit beleid de toets aan het (internationaalrechtelijke) gelijkheidsbeginsel kan doorstaan en (ook overigens) rechtens juist zou zijn. Door de staatssecretaris van Financiën aan de rijksbelastingdienst voorgeschreven beleid behelst echter niet meer dan een standpunt van een belanghebbende partij waarvan uiteindelijk de belastingrechter heeft te oordelen of dit beleid rechtens juist is. Het hof is van oordeel dat de verdachte kon en mocht menen dat het toelaatbaar was om van dit beleid af te wijken op grond van zijn stelling dat samenwonenden en gehuwden gelijk moeten worden behandeld. Het is uiteindelijk aan de belastingrechter (in hoogste instantie) om te oordelen over de vraag of het beleid van de staatssecretaris van Financiën rechtens juist is en in het bijzonder of dit beleid strookt met het (internationaalrechtelijke) gelijkheidsbeginsel. Het stond de verdachte vrij deze wandel op de weg naar de belastingrechter aan te vangen met een aangifte waaraan zijn standpunt ten grondslag ligt en die de opmaat moet zijn voor een beoordeling door de belastingrechter.

Het oordeel van de rechtbank dat het op de weg van de verdachte had gelegen vooroverleg met de rijksbelastingdienst te plegen, miskent het hierboven beschreven systeem van heffing als bedoeld in hoofdstuk III van de AWR. Dit systeem brengt met zich dat de verdachte aangifte moest doen, hetgeen hij ook heeft gedaan, en dat naar aanleiding van die aangifte de rijksbelastingdienst (mede gelet op artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht) een communicatie op gang brengt indien de aangifte vragen oproept of hij een standpunt ontwaart waarmee hij het niet eens is, hetgeen de rijksbelastingdienst in het onderhavige geval ook heeft gedaan. In dit heffingssysteem ligt niet besloten dat een (vermoedelijke) belastingplichtige in de regel al voordat hij aangifte doet vooroverleg met de rijksbelastingdienst moet plegen als hij een aangifte doet waarvan hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan toelaatbaar was, maar wel kan vermoeden dat zijn standpunt de rijksbelastingdienst onwelgevallig is.

Het oordeel van de rechtbank dat de verdachte er niet voor heeft gekozen om zijn aangifte te doen vergezellen van een toelichting kan de conclusie van de rechtbank, dat de verdachte er ernstig rekening mee had moeten houden onjuist aangifte te doen, niet dragen. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, heeft de verdachte in de aangifte geen feiten verzwegen of onjuiste informatie verstrekt. Bovendien is het hof op grond van ervaringsregels in het maatschappelijke verkeer ermee bekend, dat de elektronische aangifte geen ruimte biedt voor aanvullende toelichtingen, zoals de raadsman ook heeft betoogd, en dat separaat ingezonden aanvullingen op de (elektronische) aangifte niet als aanvulling op de aangifte door de rijksbelastingdienst worden geaccepteerd en worden teruggezonden.

Het oordeel van de rechtbank dat het op de weg van de verdachte had gelegen advies bij een onafhankelijke deskundige in te winnen, ontbeert juridische grondslag. Een dergelijke eis kan niet worden gesteld, ook niet als een (vermoedelijk) belastingplichtige een aangifte doet waarvan hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan toelaatbaar was, maar kan vermoeden dat zijn standpunt de rijksbelastingdienst onwelgevallig is.

Samenvattend is het hof van oordeel, dat de verdachte had kunnen vermoeden dat hij aangifte deed op basis van een standpunt dat de rijksbelastingdienst onwelgevallig zou (kunnen) zijn, maar dit laatste brengt niet met zich dat de verdachte de aangifte niet had mogen doen zoals hij heeft gedaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan, toelaatbaar was. Het hof acht daarom niet bewezen dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het opzettelijk onjuist doen van de betreffende aangifte.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs voor het ten laste gelegde opzet, behoeft hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd geen nadere bespreking.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Nemo tenetur versus informatieverplichtingen: vragen staat vrij...?'

In HR 8 augustus 2014, NTFR 2014/2105 heeft de Hoge Raad een puzzelstukje toegevoegd aan zijn doctrine over het nemo-teneturbeginsel. Het arrest handelt over de samenhang tussen die doctrine enerzijds en de figuur van de informatiebeschikking anderzijds. Het arrest roept kritische vragen op over de nemo tenetur-doctrine die de Hoge Raad heeft geconstrueerd.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verhoudingen in het fiscale (straf)recht

In het fiscale (straf)recht wordt continue gebalanceerd tussen twee rechtsgebieden en twee procedures. Het onderscheid en de belangenconflicten die bestaan tussen deze twee rechtsgebieden komt goed naar voren in de voortdurende discussie over de grenzen van de informatieverplichting in het fiscale recht enerzijds en het zwijgrecht in het boeterecht anderzijds. De tegenstellingen in beide procedures werden onlangs nog eens benadrukt door de fiscale kamer van de Hoge Raad. De boodschap van de Hoge Raad is duidelijk, de fiscale rechter dient zelf een oordeel te vormen over de aan hem voorliggende feiten en mag niet klakkeloos een oordeel van de strafkamer overnemen.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

'Amorele inlichtingenverkrijging'

Mr. P.J. Wattel heeft op 28 mei 2014 een zeer lezenswaardige conclusie geschreven over fiscaal-bestuurlijk gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijs en strafvorderlijk gebruik van bestuursrechtelijk onbevoegdelijk verkregen materiaal. In lijn met deze conclusie brengen Boezelman en De Boer een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juni 2014 onder de aandacht waarin een reeds lang gesitueerde praktijk van gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie aan de kaak wordt gesteld, maar waar opnieuw niks mee wordt gedaan.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Voortvarend gehandeld door belastingautoriteiten bij navordering Zwitsers tegoed

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1713 (Belastingrecht)

In september 2007 heeft de FIOD een inval gedaan bij vermogensbeheerder A. Aanleiding voor deze inval was het vermoeden dat A actief betrokken was bij het verduisteren van spaargelden van in Nederland woonachtige belastingplichtigen

Uit het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat cliënten van A zogenoemde coderekeningen hadden geopend bij Zwitserse banken (rekeningen waarbij de naam, adres en woonplaats van de eigenaar niet bij de rekening vermeld worden). Bij het openen van de coderekeningen trad A op als gevol- machtigde van haar cliënten. Op 27 juli 2010 heeft de OvJ het zogenoemde ‘A dossier’ vrijgegeven voor fiscaal gebruik. Vanaf dat moment lag het dossier ter beschikking van de inspecteur. Na onderzoek heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als coderekeninghouder, van de buiten- landse bankrekening sinds 28 augustus 1996, bij de ABN AMRO Bank te Zwitserland. Belanghebbende heeft geen aangiften gedaan waarin inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen die betrekking hebben op de buitenlandse bankrekening.

Met betrekking tot de buitenlandse bankrekening heeft de inspecteur met dagtekening 24 januari 2011 een vragenbrief gestuurd aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft vervolgens met het insturen van rekeningoverzichten van de buitenlandse bankrekening als bijlagen bij een brief van 9 mei 2011 erkend dat hij gerechtigd was tot die bankrekening.

Met dagtekening 15 oktober 2011 heeft de inspecteur aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV en VB opgelegd.

In aanvulling op het voorgaande stelt het Hof de volgende feiten vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de andere niet, althans onvoldoende, weersproken.

Aanvang van het onderzoek

Op 8 maart 2007 is de zaak K geaccepteerd in het TPO. De zaak is ge- baseerd op verdenkingen dat aangiften inkomstenbelasting door meerdere verdachten onjuist zijn gedaan, omdat de waarde (opbrengst) van beleg- gingsportefeuilles niet zijn aangegeven. Enerzijds zijn dat de beleggers die vermoedelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting hebben ingediend (verder beleggers), anderzijds het bedrijf en haar directeuren / medewerkers die daarbij een rol hebben gespeeld (verder Beleggingskantoor).

Vooraf aan de zaak K is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam L. Deze zaak vormde onder andere de aanleiding van het onderzoek K.

Voor het strafrechtelijk onderzoek K is een onderzoekteam geformeerd, bestaande uit een projectleider, drie tot vier rechercheurs en een onder- steuner. Tijdens piekmomenten zijn tientallen rechercheurs ingezet. Daarnaast is tijdens de duur van het onderzoek bijstand verleend door twee medewerkers van de belastingdienst en gedurende een korte periode nog een van de belastingdienst afkomstige specialist op het gebied van buitenlandse rechtsvormen.

In de periode november 2007 tot en met februari 2008 zijn twee Fiod me- dewerkers uit het onderzoeksteam tijdelijk in de Klimop zaak ingezet en werd het K onderzoek met enkele mensen minder gedraaid.

Vooronderzoek

Na acceptatie van deze strafzaak heeft het onderzoekteam de zaak L en de ten aanzien van het Beleggingskantoor bekende feiten geanalyseerd op mogelijk bewijs voor K. Verder is onderzoek gedaan naar de bedrijfs- structuur van het beleggingskantoor, haar werkzaamheden, haar producten en haar beleggers. Daarbij is eveneens informatie verzameld bij getuigen en externen als AFM en de Nederlandse Bank.

Het vooronderzoek heeft in eerste instantie geresulteerd in een proces-verbaal van verdenkingen d.d. 14 augustus 2007 ten aanzien van het Beleggingskantoor (vijf verdachten, waaronder A, de directeur en 3 (ex)me- dewerkers). Vervolgens is het strafrechtelijk onderzoek tegen het Beleg- gingskantoor ingesteld.

Gedurende het onderzoek zijn naast dit strafrechtelijk onderzoek vier separate strafrechtelijke onderzoeken tegen beleggers opgestart en afge- rond.

Doorzoekingen en inbeslagname

Op 18 september 2007 hebben in totaal 7 doorzoekingen (waarvan 2 in België) en 6 vorderingen bij verdachten en getuigen plaatsgevonden en zijn in totaal ongeveer 900 stuks administratieve bescheiden (1 stuk kan be- staan uit bijvoorbeeld: één ordner, 40 hangmappen, bundel met be- scheiden), 14 computers en een grote hoeveelheid digitale data in beslag genomen.

Later (in oktober 2008) heeft er nog in Spanje een doorzoeking plaats- gevonden en ook aldaar zijn bescheiden in beslag genomen.

Geschil

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  • Heeft de Inspecteur voldaan aan het voortvarendheidscriterium als bedoeld in het arrest Hoge Raad 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis?
  • Is het door de Inspecteur van de Belastingdienst/FIOD ontvangen bewijsmateriaal verkregen in strijd met de toepasselijke voorwaarden van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en / of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG)?
  • Mag het door de Inspecteur van belanghebbende ontvangen bewijsmateriaal worden gebruikt voor de beboeting (“Chambaz-verweer”)?
  • Dient de boete te worden vernietigd op grond van het gelijkheidsbeginsel in verband met de zogenoemde inkeerresolutie (Besluit Staatssecretaris van Financiën, 2 september 2013, nr. BLKB2013/50)?
  • Dient de boete te worden verminderd op grond van het feit dat de redelijke termijn voor berechting zou zijn overschreden?

Belanghebbende is van mening dat de vragen B, D en E bevestigend moet worden beantwoord en de overige vragen ontkennend. De Inspecteur is telkens de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en van alle navor- deringsaanslagen en beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot onge- grondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Ten aanzien van het geschil

Het voortvarendheidscriterium

Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard:

“45. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen (zie met name arrest van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I-11531, punt 55) alsmede de bestrijding van belastingfraude (zie met name arrest van 11 oktober 2007, ELISA, C‑451/05,Jurispr. blz. I-8251, punt 81) dwingende redenen van algemeen belang vormen, die een beperking van de uitoefening van de door het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen.

46. Wat het kapitaalverkeer betreft, bepaalt artikel 58, lid 1, sub b, EG dat artikel 56 EG niets afdoet aan het recht van de lidstaten om alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.

47. Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hij geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 28).”

Het HvJ heeft vervolgens voor recht verklaard:

“1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.”

De Hoge Raad heeft aan de hand van bovengenoemd arrest nadere regels geformuleerd (HR 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200). Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan; deze regels vormen tezamen het zogenoemde voortvarendheidsvereiste.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur het voortvarendheidsvereiste heeft geschonden.

Hij neemt daarbij het standpunt in, dat het handelen van de FIOD aan de Inspecteur moet worden toegerekend, omdat de FIOD ook zou behoren tot de ‘belastingautoriteiten’ genoemd door het HvJ. Dat standpunt is juist; zie Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689.

Naar het oordeel van het Hof hebben de belastingautoriteiten de grenzen van hun beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het Hof hecht geloof aan de gegeven omschrijving van de werkzaamheden verricht door de FIOD. De omvang van de werkzaamheden was zeer groot en bestond onder meer uit huiszoekingen, inbeslagnames, verhoren, buitenlandse rechtshulpverzoeken en het doornemen en analyseren van enorme hoeveelheden uiteenlopende al dan niet digitale data. De werkzaamheden waren voorts complex. Daarom werd op piekmomenten door tientallen rechercheurs aan de zaak gewerkt en tevens bijstand verleend door medewerkers van de belastingdienst. Gelet hierop komt het Hof tot het oordeel, dat de FIOD de vrijheid om tot een projectmatige aanpak te komen, niet heeft overschreden, terwijl voorts aannemelijk is dat met voldoende mankracht bij voortduring aan het project is gewerkt.

Belanghebbende heeft ter zitting het verzoek gedaan de namen van de bij het betreffende FIOD-onderzoek betrokken opsporingsambtenaren bekend te maken. Ter toelichting hierop heeft hij aangegeven dat hij dan aan de hand van stukken uit het FIOD-dossier aannemelijk zou kunnen maken dat niet voortvarend zou zijn gehandeld. Desgevraagd door het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde verklaard te beschikken over het FIOD-dossier. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende af en zal het onderzoek niet op de voet van artikel 8:68 van de Awb heropenen teneinde aan belanghebbende de op dit punt door hem gewenste informatie te doen verschaffen. Het Hof acht in dit verband de verklaring van de Inspecteur geloofwaardig dat in het FIOD-dossier de namen van de FIOD-ambtenaren vermeld staan. Mede in het licht van de voormelde beschikbaarheid over het FIOD-dossier vermag het Hof voorts niet in te zien op welke wijze het door de Inspecteur beschikbaar stellen van de betreffende namen iets zou kunnen toevoegen aan het door belanghebbende gestelde niet-voortvarend han- delen door de Inspecteur.

Het hof concludeert dat in de periode dat het strafrechtelijk onderzoek door de Fiod werd verricht, door de belastingautoriteiten voortvarend gehandeld werd.

Opmerking verdient dat het FIOD-onderzoek werd gesloten op 12 januari 2010 (de datum van het eind proces-verbaal), terwijl de dossiers (23 ordners) op 27 juli 2010 werden vrijgegeven (c.q. in handen gesteld van de Inspecteur). Dat is iets meer dan zes maanden later. Na de datum van het eind proces-verbaal moeten echter nog enkele handelingen zijn verricht, om de dossiers ‘klaar’ te maken voor overdracht aan de verschillende bevoegde Inspecteurs. Het Hof acht aannemelijk dat daardoor de in HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234, bedoelde zes- maandstermijn niet is overschreden.

Nadat de Inspecteur op 27 juli 2010 het dossier in handen gesteld kreeg, heeft hij het voorbereiden en opleggen van de aanslag ter hand genomen. De weergegeven feiten laten geen andere conclusie toe, dan dat de Inspecteur voldoende voortvarend gehandeld heeft. Dat door de heer Willemse, medewerker van de Belastingdienst, bijstand is verleend in het kader van de projectmatige aanpak van het strafrechtelijke onderzoek, maakt dit oordeel niet anders. Zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld, heeft de heer Willemse als opsporingsambtenaar betrokken bij dit project in de fase van het strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 148 Wetboek van Strafvordering uitsluitend te handelen op aanwijzing van de Officier van Justitie.

De door de Rechtbank besproken vraag naar de reikwijdte van de standstillbepaling van artikel 64 EG-verdrag, behoeft derhalve geen behandeling.

De rechtmatigheid van de informatie-uitwisseling tussen de FIOD en de Inspecteur

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bewijsmateriaal heeft verkregen van de FIOD onder schending van artikel 55 AWR.

Uit de tekst van de wet vloeit voort, aldus belanghebbende, dat het initiatief voor de inlichtingenuitwisseling tussen de FIOD en de Inspecteur ligt bij de Inspecteur. De tekst spreekt immers over gegevens “die (…) door de inspecteur (…) worden gevraagd". Gelet op de feiten heeft de FIOD de Inspecteur op de hoogte gesteld. Derhalve heeft de informatie-uitwisseling niet plaatsgevonden op basis van artikel 55 AWR, maar op maar op basis van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG), aldus nog steeds belanghebbende. De WJSG stelt echter voorwaarden aan een informatie-uitwisseling, welke voorwaarden in het onderhavige geval hier niet zijn nagekomen. De Inspecteur mag daarom het van de FIOD verkregen bewijsmateriaal niet gebruiken, zo concludeert belanghebbende.

De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat de informatie-uitwisseling in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden precies zoals die in vergelijkbare gevallen plaatsvindt, namelijk doordat hij, de Inspecteur, aan de FIOD een verzoek heeft gedaan op grond van artikel 55 AWR. Het kan zijn dat hij door of vanwege de FIOD op de hoogte is gebracht dat een strafrechtelijk onderzoek gaande was, en dat hij in reactie daarop het artikel 55 AWR verzoek heeft ingediend, maar feit blijft dat het bewijsmateriaal niet uit eigen beweging door de FIOD werd vrijgegeven, maar pas nadat de Inspecteur op 26 juli 2010, op de voet van artikel 55 AWR, daartoe een verzoek had ingediend. Een kopie van dat verzoek bevindt zich niet bij de stukken van het geding, maar het Hof acht deze weergave van de gang van zaken door de Inspecteur geloofwaardig, mede gelet op diens brief van 3 mei 2011 (bijlage zeven bij het verweerschrift bij de Rechtbank) waarin de Inspecteur de gemachtigde mededeelt dat de Officier van Justitie op 27 juli 2010 toestemming heeft gegeven om gebruik te maken van de bescheiden die verkregen zijn door de FIOD in het kader van het strafrechtelijk onderzoek.

Naar het oordeel van het Hof is derhalve aan de voorwaarden van artikel 55 AWR voldaan, zodat belanghebbendes andersluidende stelling faalt.

Het Chambaz-verweer

De Rechtbank heeft overwogen:

“Onder verwijzing naar het arrest EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04, LJN:BW5997 (Chambaz) betoogt belanghebbende dat de informatie die is verkregen met een beroep op artikel 47 AWR niet mag worden gebruikt voor de boeteoplegging, nu voorafgaand aan het informatieverzoek niet de garantie is gegeven dat de te verstrekken informatie niet zal worden gebruikt voor een eventuele boete. Belanghebbende is zodoende verplicht geweest om mee te werken aan zijn eigen strafvervolging, reden waarom de boetes, aldus belanghebbende, vernietigd moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende verstrekte gegevens geen (bewijs)materiaal vormen dat zijn bestaan dankt aan de wil van belanghebbende (vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43.050, LJN BA8179, BNB 2008/159, onderdeel 3.3.2, en HR 16 november 2012, nr. 12/00967, LJN BY3272‚ onderdeel 4.8.3). Daaraan doet, anders dan belanghebbende verdedigt, niet af dat dat (bewijs)materiaal slechts beschikbaar is gekomen door de getoonde wil van belanghebbende om dat op te vragen bij de ABN AMRO bank te Zwitserland. De overgelegde kopieën van bankafschriften vormen immers niet meer dan een vastlegging van informatie die elders, bij de ABN AMRO bank, reeds aanwezig was. Artikel 6, lid 1, EVRM staat derhalve niet eraan in de weg dat ook in het kader van de beoordeling van de boeteoplegging rekening wordt gehouden met de door de inspecteur ten behoeve van de vaststelling van de belastingschuld bij belanghebbende opgevraagde informatie.”

Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt die tot de zijne. Belanghebbendes beroep op het Chambaz-arrest wordt daarom verworpen.

De inkeerregeling en de inkeerresolutie

Belanghebbende doet voorts een beroep op de inkeerregeling van artikel 67n AWR en de inkeerresolutie.

Een geslaagd beroep op de inkeerregeling van artikel 67n AWR vereist - of het nu gaat om een inkeer op de voet van het eerste, dan wel het tweede lid - dat de belastingplichtige inkeert vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn oorspronkelijk aangifte bekend is of bekend zal worden. Belanghebbende heeft de noodzakelijke gegevens pas verschaft nadat de Inspecteur hem per brief had medegedeeld dat uit een onderzoek was gebleken dat belanghebbende houder was (geweest) van de buitenlandse bankrekening. Belanghebbende is dus te laat ‘ingekeerd’. De inkeerregeling is daarom niet van toepassing.

Belanghebbende beroept zich voorts op de zogenoemde inkeerresolutie (Besluit Staatssecretaris van Financiën).

De inkeerresolutie geeft een tijdelijke versoepeling voor gevallen van inkeer als bedoeld in het tweede lid van artikel 67n AWR. Volgens de resolutie hebben, onder voorwaarden, ook zij die treuzelen met inkeren (c.q. zij keren pas in nadat de termijn van twee jaren is verstreken), recht op een volledig verval van boeten. Maar, zoals hiervoor al gememoreerd, ook het tweede lid van artikel 67n AWR vereist een tijdige inkeer. Tijdig in de betekenis van vóórdat de inspecteur op de hoogte kwam van de verzwegen inkomsten. Díe tijdigheid is van een andere soort dan de twee-jaarstermijn van artikel 67n AWR.

Omdat belanghebbende niet tijdig heeft ingekeerd, valt hij (ook) niet onder de reikwijdte van de inkeerresolutie.

Belanghebbende stelt echter dat, zo hij niet rechtstreeks een beroep op de inkeerresolutie kan doen, hij toch recht heeft op de bescherming daarvan door toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Immers, zo stelt hij, het gevolg van deze resolutie is dat “kwaadwillende belastingplichtigen” geen boete krijgen.

Het Hof verwerpt dit beroep op het gelijkheidsbeginsel. Een “kwaadwillende belastingplichtige” die wel tijdig inkeert is immers niet gelijk aan een “kwaadwillende belastingplichtige” die niet tijdig inkeert. Anders gezegd: belanghebbende is niet een gelijk geval als de gevallen waarop de inkeerresolutie betrekking heeft. Voorts heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur, hetzij met het oogmerk van begunstiging, hetzij op grond van beleid, het opleggen van een boete achterwege heeft gelaten in met belanghebbende vergelijkbare gevallen. Evenmin heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, aannemelijk gemaakt dat om andere redenen in een meerderheid van gelijke gevallen het opleggen van een boete is achterwege gebleven.

De boete en de redelijke termijn

Het Hof is van oordeel dat de behandeling van belanghebbendes zaak binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Voor wat betreft de duur van de behandeling in bezwaar en beroep, neemt het Hof het oordeel van de Rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hoger beroep bij het Hof is binnengekomen op 29 mei 2013. Gelet op de datum waarop het Hof uitspraak doet, wordt de redelijke termijn in hoger beroep niet overschreden. Met betrekking tot de beschikkingen hef- fingsrente heeft belanghebbende geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu het hoger beroep tegen de navorderingsaanslagen ongegrond is, geldt dat ook voor de beschikkingen heffingsrente.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet wor- den bevestigd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Hoe verder met de 'verruimde' inkeerregeling?'

De Staatssecretaris van Financiën heeft de inkeerregeling van artikel 67n AWR tijdelijk verruimd. Tot 1 juli 2014 wordt de vanaf 1 juli 2009 geldende (nieuwe) regel dat een belastingplichtige alleen voor de laatste twee jaar boetevrij kan inkeren, niet toegepast. Deze "verruiming" zal ook na 30 juni 2014 moeten worden gehandhaafd voor jaren waarvoor onder de oude inkeerregeling boetevrij kon worden ingekeerd, omdat de nieuwe regel in strijd is met het in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR neergelegde beginsel van "non-retrospectiveness of more stringent criminal laws".

Lees verder:

  • Hoe verder met de 'verruimde' inkeerregeling? door P.M.G. Jansen in WFR 2014/954
Print Friendly and PDF ^

Feitelijk leiding geven aan indienen van onjuiste aangiftes omzetbelasting, waaraan valselijk opgemaakte facturen en fictieve leveringen ten grondslag hebben gelegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4785

Verdenking

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 3: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 4: feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake feit 1 wegens schending van het vertrouwensbeginsel, behorende bij de begin- selen van behoorlijke strafrechtspleging omdat op het strafblad van verdachte vermeld is dat het onder 1 ten laste gelegde is geseponeerd. Ook met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, inhoudende dat de vervolgings- uitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervolging van verdachte op grond van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht belet.

Bij pleidooi heeft de raadsman deze niet-ontvankelijkheidsverweren her- haald.

De officier van justitie is van mening dat het eerste verweer van de raadsman moet worden verworpen omdat het feit waar de raadsman over spreekt, is geseponeerd enkel omdat er sprake was van een dubbele registratie van hetzelfde feit.

Met betrekking tot het tweede niet-ontvankelijkheidsverweer is de officier van justitie van mening dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, tweede lid, van Awr niet op deze situatie van gebruik van een vals geschrift ziet.

De rechtbank is van oordeel dat beide niet-ontvankelijkheidverweren van de verdediging moeten worden verworpen. Allereerst blijkt uit het door de raadsman genoemde strafblad van verdachte uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling van het openbaar ministerie was om verdachte niet voor dit feit te vervolgen en dat dit feit zou worden afgedaan middels een sepot. Er is enkel sprake geweest van een dubbele registratie van hetzelfde feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat het Uittreksel justitiële documentatie op dit punt wellicht niet geheel duidelijk is, daaraan niet het gerecht- vaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat voor het betreffende feit geen vervolging plaats zou vinden.

Aan verdachte is onder 4 ten laste gelegd het verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst in die zin dat middels een formulier 'Wijziging re- keningnummer Ondernemers' aan de belastingdienst de informatie werd verstrekt op welk rekeningnummer een belastingteruggaaf diende te worden overgemaakt. Bij artikel 69 van de Awr gaat het echter in de kern om de vraag of door het niet of onjuist verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst te weinig belasting wordt geheven.

Dat is bij het onder 4 ten laste gelegde niet aan de orde nu de daar verstrekte inlichtingen niet van invloed kunnen zijn op de door de belastingdienst te heffen belastingen.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

De beoordeling van het bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de gedane aangiftes, de onderliggende facturen met betrekking tot die aangiftes, de processen-verbaal waaruit de valsheid van die facturen blijkt, de ver- klaringen van verdachte, van de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2, de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 en de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot afgeluisterde telefoongesprekken. Voor het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerequireerd tot vrijspraak.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een be- wezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende.

Met betrekking tot de telkens primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat:

  • Van door verdachte opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, is geen sprake geweest;
  • aan het plegen c.q. medeplegen van het telkens opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt, noch is verdachte normadressaat van hetgeen hem onder 1 tot en met 3 verweten wordt;

Oordeel rechtbank

Met betrekking tot het onder 1. primair ten laste gelegde

Door bedrijf 1 werd op 7 januari 2010 een aangifte omzetbelasting ingediend over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2009. Deze aangifte was ondertekend door de directeur medeverdachte 1. Op 20 april 2010 werd door bedrijf 1 eenzelfde aangifte ingediend en ook deze was ondertekend door medeverdachte 1. In de aangifte over het 4e kwartaal 2009 werd een bedrag van €63.112 aan te veel betaalde omzetbelasting teruggevraagd en in de aangifte over het 1e kwartaal 2010 een bedrag van €225.234.

Door verdachte medeverdachte 1 werd als directeur van bedrijf 5 op 7 januari 2010 ook een aangifte omzetbelasting ingediend waarbij een bedrag van €54.888 aan te veel betaalde omzetbelasting werd teruggevraagd.

Medeverdachte 1 heeft verklaard dat hij directeur is van bedrijf 1 en bedrijf 5 en dat verdachte de boekhouding voor hem deed en ook alle aangiftes deed voor de bedrijf 1 en bedrijf 5. verdachte heeft bevestigd dat hij voor bedrijf 1 en bedrijf 5 op basis van de door medeverdachte 1 aangereikte administratie de aangiftes heeft ingediend.

Naar aanleiding van de ingediende aangiftes van bedrijf 1 en bedrijf 5 met betrekking tot het vierde kwartaal 2009, werd door de belastingdienst in totaal €114.224 overgemaakt op bankrekeningnummer 1551.27.217, ten name van partner medeverdachte 1. Medeverdachte 1 heeft verklaard dat het geld van de belastingdienst is overgemaakt op de rekening van partner medeverdachte en dat zij die rekening op zijn verzoek had geopend omdat hij problemen had met zijn Fortis-rekening. Het geld dat werd ontvangen was deels voor hem, een deel is naar verdachte gegaan en een deel naar medeverdachte 2 omdat hij aan hem nog geld verschuldigd was. Voorts heeft medeverdachte 1 verklaard dat zo’n €77.000,- naar medeverdachte 3 is gegaan en dat dit door verdachte is gedaan.

Dit komt ook overeen met de bevindingen uit het onderzoek naar de bankafschriften met betrekking tot de bankrekening 1551.27.217 ten name van partner medeverdachte. Vanuit die rekening werd na de storting door de belastingdienst van €114.224 een bedrag van in totaal €77.030 overgemaakt naar een rekening ten namen van medeverdachte 3 en drie overboekingen van elk €10.000 naar de drie kinderen van medeverdachte 2. Voorts werd bij een zoeking in de woning van medeverdachte 1 een vel met aantekeningen aangetroffen, waarop de door de belastingdienst uitbetaalde bedragen staan vermeld en waarop tevens een verdeling wordt gegeven van een bedrag van ruim honderdduizend euro tussen “persoon 1”, “Persoon 2” en “Ik”. Op de aantekening wordt het bedrag gelijkelijk verdeeld en aan ieder wordt een bedrag van €34.078 toebedeeld.

Met betrekking tot de aantekeningen heeft medeverdachte 1 verklaard dat hij het vel met aantekeningen wel kent, maar dat hij alleen heeft gekeken naar het bedrag dat onderaan staat en dat hij zou krijgen. Medeverdachte 2 heeft met betrekking tot het vel met aantekeningen verklaard dat hij degene is die de aantekeningen heeft gemaakt en dat de “Persoon 2” staat voor verdachte en dat hij met “Ik” zichzelf bedoelde.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat vast is komen te staan dat naar aanleiding van de hiervoor genoemde aangiftes, gedaan namens bedrijf 1 en bedrijf 5, door de belastingdienst een bedrag van in totaal €114.224 is uitbetaald, welk bedrag grotendeels gelijkelijk is verdeeld onder medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zowel medeverdachte 1 als verdachte op de hoogte waren van de aangiftes die werden gedaan en ook hebben geweten dat de belastingdienst op grond van de aangiftes met betrekking tot het 4e kwartaal 2009 tot terugbetaling van te veel betaalde omzetbelasting was overgegaan.

De juistheid van de aangiftes

In de woning van medeverdachte 1 vond op 15 maart 2011 een zoeking plaats en bij die zoeking werden twee zwarte ordners inbeslaggenomen. Ook bij een zoeking in de woning van verdachte werden administratieve bescheiden aangetroffen die teruggebracht konden worden op de gedane aangiftes. In de administratieve bescheiden van bedrijf 5 werd een CMR aangetroffen met betrekking tot het vervoer van 2.880 ton graniet naar bedrijf 6 te Roemenië.

De aangiftes betreffende bedrijf 1

De factuur van de bedrijf 7

Uit het onderzoek met betrekking tot de inbeslaggenomen administratieve bescheiden is vast komen te staan dat de factuur d.d. 23 november 2009 van de bedrijf 7 wel aan de belastingdienst is verstrekt ter onderbouwing van de geclaimde voorbelasting op het aangiftebiljet omzetbelasting over het 4e kwartaal 2009, maar niet is aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie bescheiden van bedrijf 1. medeverdachte 1 heeft met betrekking tot de bedrijf 7 verklaard dat hij die naam niet kent en dat hij niet weet of er goederen zijn geleverd en/of betaald zijn.

Uiteindelijk heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte 1 papieren heeft gemaakt, facturen en belastingaangiften heeft ingediend, terwijl hij wist dat sommige dingen niet klopten. Voorts heeft hij verklaard dat hij dat heeft gedaan om er zelf ook geld aan over te houden.

Uit onderzoek is ook vast komen te staan dat de heer eigenaar bedrijf, eigenaar van de eenmanszaak bedrijf 7 bedrijf 7, de betreffende factuur niet kende en dat hij nooit een uitgaande factuur op naam van de bedrijf 7 had gemaakt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de betreffende factuur valselijk is opgemaakt en een fictieve levering betreft.

De factuur van Bedrijf 8 (Bedrijf 8) van 16 december 2009

De factuur van Bedrijf 8 is aangetroffen in de administratie bescheiden van bedrijf 1 en de bestuurder van Bedrijf 8 heeft verklaard dat er nooit activiteiten in

Bedrijf 8 zijn geweest, dat er nooit facturen van Bedrijf 8 zijn opgemaakt en dat hij de aangetroffen factuur ook niet kent.

De rechtbank is van oordeel dat ook de factuur van Bedrijf 8 valselijk is opgemaakt.

De factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010

Een kopie van deze factuur is bij de controle aan de belastingdienst verstrekt en is ook aangetroffen bij de hiervoor genoemde zoekingen bij de verdachte en medeverdachte 1.

Verdachte en zijn vriendin zijn de aandeelhouders en bestuurders van deze bedrijf 9 en uit onderzoek is vast komen te staan dat ook bedrijf 6 nooit activiteiten had gehad en dat er daarom ook geen administratie was. De bestuurder van bedrijf 10, mevrouw medeverdachte 3, heeft bevestigd dat bedrijf 6 nooit activiteiten heeft gehad en zij kende ook de factuur niet. medeverdachte 1 heeft verklaard dat er wel zaken zijn gedaan met bedrijf 10, maar dat verdachte dat allemaal heeft geregeld. verdachte heeft verklaard de factuur niet te kennen en dat bedrijf 9 die goederen niet heeft afgenomen. Hij geeft aan dat hetgeen op die factuur staat niet klopt en dat de factuur daarom vals is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010 valselijk is opgemaakt.

De bedrijf 11

Op de hiervoor genoemde factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010, staat dat 2880 ton graniet zou zijn geleverd en ter onderbouwing van de export van deze partij is een CMR overgelegd en uit onderzoek is vast komen te staan dat dit document op 10 maart 2010 door verdachte werd gemaakt. Voorts is uit onderzoek vast komen te staan dat het op de CMR genoemde transport niet is uitgevoerd door de op de CMR genoemde transporteur.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de bedrijf 11 valselijk is opgemaakt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door bedrijf 1 met gebruikmaking van valselijk opgemaakte facturen, onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend. De rechtbank constateert dat verdachte en medeverdachte 1 over en weer elkaar belasten. Wat vast staat is dat medeverdachte 1 directeur-groot aandeelhouder was van bedrijf 1 en dat het telkens verdachte was die voor die bedrijf 1. de aangiftes heeft verzorgd. Tot slot is vast komen te staan dat er sprake was van een evenredige verdeling tussen medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2 van het door de belastingdienst naar aanleiding van de onjuiste aangiftes gestorte geld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een vooropgezet plan en dat verdachte daarmee samen met medeverdachte 1 feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Dat hier sprake was van een vooropgezet plan kan naar het oordeel van de rechtbank mede worden opgemaakt uit de verklaring van verdachte, inhoudende:

“Ik heb op verzoek papieren gemaakt, facturen en belastingaangiften ingediend. Dit terwijl ik in mijn achterhoofd wist, dat sommige dingen niet klopten. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van diverse computers. Dat is ook gebeurd met behulp van USB-sticks. De meeste aangiften die ik heb ingediend zijn vanuit mijn woning aan de straat te plaats via mijn IP ingediend. Ik heb dat gedaan om BTW terug te kunnen vorderen voor die bewuste persoon die ik verder niet wens te noemen voor de bedrijven die U hebt genoemd in Uw eerdere lijst. Ik heb dat gedaan om er zelf ook geld aan over te houden Over de rol van medeverdachte 2 en medeverdachte 1 wil ik verder niet uitweiden. Ze zijn gedeeltelijk wel betrokken bij de fraude waarover we het de afgelopen dagen hebben gehad. Ik wil bij deze aan de officier van justitie de vraag richten om met haar een schikking te kunnen treffen voor mijn gedeelte”.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het telkens verdachte is geweest die de aangifte heeft gedaan of daarbij strafbare betrokkenheid heeft gehad. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft betoogd, dat het telkens verdachte is geweest die heeft ingelogd om de aangifte de versturen naar de belastingdienst, is de rechtbank van oordeel daaromtrent te veel twijfel bestaat en dat deze twijfel in het voordeel van verdachte moet worden uitgelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van die feiten.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde constateert de rechtbank dat de formulieren ‘Wijziging rekeningnummer Ondernemers’ bij de belasting werden ingediend met als doel het rekeningnummer te wijzigen waarop eventueel terug te betalen bedragen zouden moeten worden gestort. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank niet in dat deze formulieren bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl voorts uit de voorliggende stukken niet blijkt dat verdachte deze wijzigingen heeft ingediend. De rechtbank zal om die reden verdachte ook van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van bedrijf 1 voor het 4e kwartaal 2009 en het 1e kwartaal 2010 aangifte omzetbelasting gedaan, waarbij een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven middels gefingeerde leveringen. Op deze manier werd ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en ook uitbetaald door de belastingdienst. Door deze feiten werd de overheid benadeeld voor een bedrag van ruim €114.000.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 180 uur en een geldboete van €10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Over beboeting van medeplichtigen, uitlokkers en doen plegers'

Per 1 januari 2014 is artikel 67o AWR ingevoerd. Op grond van deze bepaling kunnen aan medeplichtingen, uitlokkers en doen plegers fiscale boeten worden opgelegd. Voordien werden alleen plegers en medeplegers als overtreders in de zin van de Awb aangemerkt. Deze keuze werd destijds bewust gemaakt. Waar om was beboeting van deze drie deelnemers aanvankelijk uitgesloten, waarom is vervolgens toch tot uitbreiding besloten en wat zijn de gevolgen voor de fiscale praktijkvoering?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

OM eist in hoger beroep geldboete van €100.000 voor fiscale fraude

De advocaat-generaal (OM) in Arnhem heeft vandaag in hoger beroep een geldboete van €100.000 geëist tegen een 46-jarige man die verdacht wordt van fiscale fraude in Oldenzaal en Enschede van 2002 t/m 2004. De man probeerde via valse overeenkomsten grote fiscale voordelen te behalen. Tegen de rechtspersoon waar de verdachte onderdeel van uitmaakte, werd een geldboete van €25.000 geëist.

In de visie van het Openbaar Ministerie (OM) hebben de verdachten op verschillende manieren de Belastingdienst opzettelijk benadeeld met als belangrijkste doel er zelf beter van te worden. Het gaat onder andere om de verkoop van een bedrijfspand met een veel hogere waarde dan in de overeenkomst die aan de Belastingdienst werd overgelegd was vermeld en het verkrijgen van investeringsaftrek met een valse aannemingsovereenkomst. Deze stukken dienden als basis voor een aantal valse aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting. De schade is ongeveer een half miljoen euro. De belastingrechter heeft inmiddels geoordeeld dat dit bedrag alsnog aan de Belastingdienst moet worden betaald door verdachte en de rechtspersoon.

Bij de strafeis houdt het OM rekening met de ernst van de strafbare feiten. 'De verdachte heeft bewust illegale constructies bedacht om belastingen te ontduiken en aftrekposten te creëren. Dit wordt de verdachte zwaar aangerekend, vooral omdat hij bij een deel van de feiten duidelijk alleen persoonlijk gewin voor ogen had. Rekening houdend met alle omstandigheden en het tijdsverloop is een geldboete van €100.000 op zijn plaats. Aan de BV dient de eerder door de rechtbank opgelegde geldboete van €25.000 te worden gehandhaafd', aldus de advocaat-generaal tijdens zijn requisitoir.

De rechtbank veroordeelde de verdachte eerder tot een geldboete van €50.000 bij een eis van de officier van justitie van €150.000. De rechtspersoon kreeg een geldboete van €25.000 opgelegd. Door de verdachten is in beide zaken appel ingesteld. Het OM heeft appel ingesteld tegen de mannelijke verdachte. Dit appel richt zich tegen de bewezenverklaring en de hoogte van de geldboete.

De uitspraak volgt (naar verwachting) op 3 juni a.s.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

"Paranoïde opsporingshouding belastingadviseurs is onnodig"

Met de invoering van artikel 67o Algemene wet inzake rijksbelastingen per januari 2014 kunnen belastingadviseurs en aangiftemedewerkers straf- rechtelijk worden vervolgd voor medeplichtigheid aan fiscale delicten. Toch zal dit voor de meeste adviseurs niet tot grote onrust hoeven te leiden: van strafbare betrokkenheid bij valste aangiften of andere fiscale delicten kan pas sprake zijn ingeval van voorwaardelijk opzet. Ook na de invoering artikel 67o AWR zal een enkele slordigheid van de belastingadviseur daarom nog niet (hoeven te) leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^