Feitelijk leiding geven aan indienen van onjuiste aangiftes omzetbelasting, waaraan valselijk opgemaakte facturen en fictieve leveringen ten grondslag hebben gelegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4785

Verdenking

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 3: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 4: feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake feit 1 wegens schending van het vertrouwensbeginsel, behorende bij de begin- selen van behoorlijke strafrechtspleging omdat op het strafblad van verdachte vermeld is dat het onder 1 ten laste gelegde is geseponeerd. Ook met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, inhoudende dat de vervolgings- uitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervolging van verdachte op grond van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht belet.

Bij pleidooi heeft de raadsman deze niet-ontvankelijkheidsverweren her- haald.

De officier van justitie is van mening dat het eerste verweer van de raadsman moet worden verworpen omdat het feit waar de raadsman over spreekt, is geseponeerd enkel omdat er sprake was van een dubbele registratie van hetzelfde feit.

Met betrekking tot het tweede niet-ontvankelijkheidsverweer is de officier van justitie van mening dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, tweede lid, van Awr niet op deze situatie van gebruik van een vals geschrift ziet.

De rechtbank is van oordeel dat beide niet-ontvankelijkheidverweren van de verdediging moeten worden verworpen. Allereerst blijkt uit het door de raadsman genoemde strafblad van verdachte uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling van het openbaar ministerie was om verdachte niet voor dit feit te vervolgen en dat dit feit zou worden afgedaan middels een sepot. Er is enkel sprake geweest van een dubbele registratie van hetzelfde feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat het Uittreksel justitiële documentatie op dit punt wellicht niet geheel duidelijk is, daaraan niet het gerecht- vaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat voor het betreffende feit geen vervolging plaats zou vinden.

Aan verdachte is onder 4 ten laste gelegd het verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst in die zin dat middels een formulier 'Wijziging re- keningnummer Ondernemers' aan de belastingdienst de informatie werd verstrekt op welk rekeningnummer een belastingteruggaaf diende te worden overgemaakt. Bij artikel 69 van de Awr gaat het echter in de kern om de vraag of door het niet of onjuist verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst te weinig belasting wordt geheven.

Dat is bij het onder 4 ten laste gelegde niet aan de orde nu de daar verstrekte inlichtingen niet van invloed kunnen zijn op de door de belastingdienst te heffen belastingen.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

De beoordeling van het bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de gedane aangiftes, de onderliggende facturen met betrekking tot die aangiftes, de processen-verbaal waaruit de valsheid van die facturen blijkt, de ver- klaringen van verdachte, van de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2, de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 en de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot afgeluisterde telefoongesprekken. Voor het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerequireerd tot vrijspraak.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een be- wezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende.

Met betrekking tot de telkens primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat:

  • Van door verdachte opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, is geen sprake geweest;
  • aan het plegen c.q. medeplegen van het telkens opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt, noch is verdachte normadressaat van hetgeen hem onder 1 tot en met 3 verweten wordt;

Oordeel rechtbank

Met betrekking tot het onder 1. primair ten laste gelegde

Door bedrijf 1 werd op 7 januari 2010 een aangifte omzetbelasting ingediend over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2009. Deze aangifte was ondertekend door de directeur medeverdachte 1. Op 20 april 2010 werd door bedrijf 1 eenzelfde aangifte ingediend en ook deze was ondertekend door medeverdachte 1. In de aangifte over het 4e kwartaal 2009 werd een bedrag van €63.112 aan te veel betaalde omzetbelasting teruggevraagd en in de aangifte over het 1e kwartaal 2010 een bedrag van €225.234.

Door verdachte medeverdachte 1 werd als directeur van bedrijf 5 op 7 januari 2010 ook een aangifte omzetbelasting ingediend waarbij een bedrag van €54.888 aan te veel betaalde omzetbelasting werd teruggevraagd.

Medeverdachte 1 heeft verklaard dat hij directeur is van bedrijf 1 en bedrijf 5 en dat verdachte de boekhouding voor hem deed en ook alle aangiftes deed voor de bedrijf 1 en bedrijf 5. verdachte heeft bevestigd dat hij voor bedrijf 1 en bedrijf 5 op basis van de door medeverdachte 1 aangereikte administratie de aangiftes heeft ingediend.

Naar aanleiding van de ingediende aangiftes van bedrijf 1 en bedrijf 5 met betrekking tot het vierde kwartaal 2009, werd door de belastingdienst in totaal €114.224 overgemaakt op bankrekeningnummer 1551.27.217, ten name van partner medeverdachte 1. Medeverdachte 1 heeft verklaard dat het geld van de belastingdienst is overgemaakt op de rekening van partner medeverdachte en dat zij die rekening op zijn verzoek had geopend omdat hij problemen had met zijn Fortis-rekening. Het geld dat werd ontvangen was deels voor hem, een deel is naar verdachte gegaan en een deel naar medeverdachte 2 omdat hij aan hem nog geld verschuldigd was. Voorts heeft medeverdachte 1 verklaard dat zo’n €77.000,- naar medeverdachte 3 is gegaan en dat dit door verdachte is gedaan.

Dit komt ook overeen met de bevindingen uit het onderzoek naar de bankafschriften met betrekking tot de bankrekening 1551.27.217 ten name van partner medeverdachte. Vanuit die rekening werd na de storting door de belastingdienst van €114.224 een bedrag van in totaal €77.030 overgemaakt naar een rekening ten namen van medeverdachte 3 en drie overboekingen van elk €10.000 naar de drie kinderen van medeverdachte 2. Voorts werd bij een zoeking in de woning van medeverdachte 1 een vel met aantekeningen aangetroffen, waarop de door de belastingdienst uitbetaalde bedragen staan vermeld en waarop tevens een verdeling wordt gegeven van een bedrag van ruim honderdduizend euro tussen “persoon 1”, “Persoon 2” en “Ik”. Op de aantekening wordt het bedrag gelijkelijk verdeeld en aan ieder wordt een bedrag van €34.078 toebedeeld.

Met betrekking tot de aantekeningen heeft medeverdachte 1 verklaard dat hij het vel met aantekeningen wel kent, maar dat hij alleen heeft gekeken naar het bedrag dat onderaan staat en dat hij zou krijgen. Medeverdachte 2 heeft met betrekking tot het vel met aantekeningen verklaard dat hij degene is die de aantekeningen heeft gemaakt en dat de “Persoon 2” staat voor verdachte en dat hij met “Ik” zichzelf bedoelde.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat vast is komen te staan dat naar aanleiding van de hiervoor genoemde aangiftes, gedaan namens bedrijf 1 en bedrijf 5, door de belastingdienst een bedrag van in totaal €114.224 is uitbetaald, welk bedrag grotendeels gelijkelijk is verdeeld onder medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zowel medeverdachte 1 als verdachte op de hoogte waren van de aangiftes die werden gedaan en ook hebben geweten dat de belastingdienst op grond van de aangiftes met betrekking tot het 4e kwartaal 2009 tot terugbetaling van te veel betaalde omzetbelasting was overgegaan.

De juistheid van de aangiftes

In de woning van medeverdachte 1 vond op 15 maart 2011 een zoeking plaats en bij die zoeking werden twee zwarte ordners inbeslaggenomen. Ook bij een zoeking in de woning van verdachte werden administratieve bescheiden aangetroffen die teruggebracht konden worden op de gedane aangiftes. In de administratieve bescheiden van bedrijf 5 werd een CMR aangetroffen met betrekking tot het vervoer van 2.880 ton graniet naar bedrijf 6 te Roemenië.

De aangiftes betreffende bedrijf 1

De factuur van de bedrijf 7

Uit het onderzoek met betrekking tot de inbeslaggenomen administratieve bescheiden is vast komen te staan dat de factuur d.d. 23 november 2009 van de bedrijf 7 wel aan de belastingdienst is verstrekt ter onderbouwing van de geclaimde voorbelasting op het aangiftebiljet omzetbelasting over het 4e kwartaal 2009, maar niet is aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie bescheiden van bedrijf 1. medeverdachte 1 heeft met betrekking tot de bedrijf 7 verklaard dat hij die naam niet kent en dat hij niet weet of er goederen zijn geleverd en/of betaald zijn.

Uiteindelijk heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte 1 papieren heeft gemaakt, facturen en belastingaangiften heeft ingediend, terwijl hij wist dat sommige dingen niet klopten. Voorts heeft hij verklaard dat hij dat heeft gedaan om er zelf ook geld aan over te houden.

Uit onderzoek is ook vast komen te staan dat de heer eigenaar bedrijf, eigenaar van de eenmanszaak bedrijf 7 bedrijf 7, de betreffende factuur niet kende en dat hij nooit een uitgaande factuur op naam van de bedrijf 7 had gemaakt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de betreffende factuur valselijk is opgemaakt en een fictieve levering betreft.

De factuur van Bedrijf 8 (Bedrijf 8) van 16 december 2009

De factuur van Bedrijf 8 is aangetroffen in de administratie bescheiden van bedrijf 1 en de bestuurder van Bedrijf 8 heeft verklaard dat er nooit activiteiten in

Bedrijf 8 zijn geweest, dat er nooit facturen van Bedrijf 8 zijn opgemaakt en dat hij de aangetroffen factuur ook niet kent.

De rechtbank is van oordeel dat ook de factuur van Bedrijf 8 valselijk is opgemaakt.

De factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010

Een kopie van deze factuur is bij de controle aan de belastingdienst verstrekt en is ook aangetroffen bij de hiervoor genoemde zoekingen bij de verdachte en medeverdachte 1.

Verdachte en zijn vriendin zijn de aandeelhouders en bestuurders van deze bedrijf 9 en uit onderzoek is vast komen te staan dat ook bedrijf 6 nooit activiteiten had gehad en dat er daarom ook geen administratie was. De bestuurder van bedrijf 10, mevrouw medeverdachte 3, heeft bevestigd dat bedrijf 6 nooit activiteiten heeft gehad en zij kende ook de factuur niet. medeverdachte 1 heeft verklaard dat er wel zaken zijn gedaan met bedrijf 10, maar dat verdachte dat allemaal heeft geregeld. verdachte heeft verklaard de factuur niet te kennen en dat bedrijf 9 die goederen niet heeft afgenomen. Hij geeft aan dat hetgeen op die factuur staat niet klopt en dat de factuur daarom vals is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010 valselijk is opgemaakt.

De bedrijf 11

Op de hiervoor genoemde factuur van bedrijf 1 aan bedrijf 9 van 13 januari 2010, staat dat 2880 ton graniet zou zijn geleverd en ter onderbouwing van de export van deze partij is een CMR overgelegd en uit onderzoek is vast komen te staan dat dit document op 10 maart 2010 door verdachte werd gemaakt. Voorts is uit onderzoek vast komen te staan dat het op de CMR genoemde transport niet is uitgevoerd door de op de CMR genoemde transporteur.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de bedrijf 11 valselijk is opgemaakt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door bedrijf 1 met gebruikmaking van valselijk opgemaakte facturen, onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend. De rechtbank constateert dat verdachte en medeverdachte 1 over en weer elkaar belasten. Wat vast staat is dat medeverdachte 1 directeur-groot aandeelhouder was van bedrijf 1 en dat het telkens verdachte was die voor die bedrijf 1. de aangiftes heeft verzorgd. Tot slot is vast komen te staan dat er sprake was van een evenredige verdeling tussen medeverdachte 1, verdachte en medeverdachte 2 van het door de belastingdienst naar aanleiding van de onjuiste aangiftes gestorte geld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een vooropgezet plan en dat verdachte daarmee samen met medeverdachte 1 feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Dat hier sprake was van een vooropgezet plan kan naar het oordeel van de rechtbank mede worden opgemaakt uit de verklaring van verdachte, inhoudende:

“Ik heb op verzoek papieren gemaakt, facturen en belastingaangiften ingediend. Dit terwijl ik in mijn achterhoofd wist, dat sommige dingen niet klopten. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van diverse computers. Dat is ook gebeurd met behulp van USB-sticks. De meeste aangiften die ik heb ingediend zijn vanuit mijn woning aan de straat te plaats via mijn IP ingediend. Ik heb dat gedaan om BTW terug te kunnen vorderen voor die bewuste persoon die ik verder niet wens te noemen voor de bedrijven die U hebt genoemd in Uw eerdere lijst. Ik heb dat gedaan om er zelf ook geld aan over te houden Over de rol van medeverdachte 2 en medeverdachte 1 wil ik verder niet uitweiden. Ze zijn gedeeltelijk wel betrokken bij de fraude waarover we het de afgelopen dagen hebben gehad. Ik wil bij deze aan de officier van justitie de vraag richten om met haar een schikking te kunnen treffen voor mijn gedeelte”.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het telkens verdachte is geweest die de aangifte heeft gedaan of daarbij strafbare betrokkenheid heeft gehad. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft betoogd, dat het telkens verdachte is geweest die heeft ingelogd om de aangifte de versturen naar de belastingdienst, is de rechtbank van oordeel daaromtrent te veel twijfel bestaat en dat deze twijfel in het voordeel van verdachte moet worden uitgelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van die feiten.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde constateert de rechtbank dat de formulieren ‘Wijziging rekeningnummer Ondernemers’ bij de belasting werden ingediend met als doel het rekeningnummer te wijzigen waarop eventueel terug te betalen bedragen zouden moeten worden gestort. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank niet in dat deze formulieren bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl voorts uit de voorliggende stukken niet blijkt dat verdachte deze wijzigingen heeft ingediend. De rechtbank zal om die reden verdachte ook van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van bedrijf 1 voor het 4e kwartaal 2009 en het 1e kwartaal 2010 aangifte omzetbelasting gedaan, waarbij een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven middels gefingeerde leveringen. Op deze manier werd ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en ook uitbetaald door de belastingdienst. Door deze feiten werd de overheid benadeeld voor een bedrag van ruim €114.000.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 180 uur en een geldboete van €10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF