Faillissementsfraude: Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij als medepleger, dan wel als opdrachtgever of feitelijk leidinggever opzettelijk de rechten van de schuldeisers van een failliete rechtspersoon heeft verkort

Gerechtshof Amsterdam 17 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5364

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het benadelen van schuldeisers in het faillissement van rechtspersoon LR B.V., voorheen rechtspersoon B B.V. (rechtspersoon LR). Die benadeling bestond daaruit dat een aanzienlijke vordering van een vennootschap van de verdachte op rechtspersoon LR, een andere (voormalige) vennootschap van de verdachte, voor een groot deel werd voldaan ten koste van de faillissementsschuldeisers van rechtspersoon LR. Daartoe heeft de verdachte met zijn mededader(s) een - met pandrechten gesecureerde - geldlening van (de facto) de vennootschap van de verdachte aan rechtspersoon LR tot stand gebracht, welke geldlening zou worden afgelost doormiddel van de uitwinning van die pandrechten.

Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, waarbij bepaalde schuldeisers aanzienlijk zijn bevoordeeld ten koste van de schuldeisers in het - vooropgezette - faillissement.

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd, kort gezegd, dat hij (primair) als bestuurder en/of medepleger en (subsidiair) als opdrachtgever of feitelijk leidinggever, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van rechtspersoon LR B.V. de in de tenlastelegging genoemde gedragingen heeft verricht, dan wel dat hij (meer subsidiair) als medepleger en (meest subsidiair) als opdrachtgever of feitelijk leidinggever de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor wat betreft het primair en subsidiair ten laste gelegde geldt dat deze zijn toegesneden op het bepaalde in de artikelen 341, eerste lid, en/of 343, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin de zogenaamde bedrieglijke bankbreuk strafbaar is gesteld.

Bij de beantwoording van de vraag of bewezen is dat het primair of subsidiair ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, stelt het hof voorop dat volgens vaste rechtspraak onder handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ zoals bedoeld in de artikelen 341 en 343 Sr, moet worden verstaan handelen met het opzet om de rechten van schuldeisers te verkorten. Onder dit opzet is mede voorwaardelijke opzet begrepen. Voor het bewijs van dat opzet is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (o.a. HR 9 februari 2010, NJ2010/104).

Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorts voorop, gelet ook op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de ten laste gedragingen in hun onderlinge verband en samenhang worden beoordeeld, hetgeen met zich kan brengen dat voor een samenhangend geheel van gedragingen geldt dat deze zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, terwijl dat niet voor iedere afzonderlijke gedraging geldt.

Oordeel hof

Met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van rechtspersoon LR B.V., voorheen rechtspersoon B B.V.

Uit de stukken in het dossier, zoals opgenomen in de aanvulling op dit arrest, blijkt dat de verdachte, als bestuurder van rechtspersoon LR, tezamen en in vereniging met medeverdachte van een vordering ten bedrage van € 1.700.000,00 van rechtspersoon P B.V. (rechtspersoon P) of één van haar dochtervennootschappen op rechtspersoon LR een geldbedrag van € 1.520.000,00 heeft afgelost.

Uit die stukken blijkt voorts dat die aflossing heeft plaatsgevonden in het kader van de in de bewezenverklaring genoemde geldlening, verpanding van voorraden en bedrijfsuitrusting van rechtspersoon LR, verkoop van woord- en beeldmerken en verkoop van activa van rechtspersoon LR aan rechtspersoon P. Dit blijkt, behoudens de verkoop van woord- en beeldmerken, met name uit een concept overeenkomst van opdracht tussen rechtspersoon F B.V. (rechtspersoon F), vertegenwoordigd door medeverdachte, en rechtspersoon P, vertegenwoordigd door de verdachte, van januari of februari 2006.

Verder blijkt uit die stukken dat die aflossing, geldlening, verpanding van voorraden en bedrijfsuitrusting van rechtspersoon LR, verkoop van woord- en beeldmerken en verkoop van activa van rechtspersoon LR aan rechtspersoon P (de facto) tot gevolg hadden dat een vordering van rechtspersoon P of één van haar dochtervennootschappen op rechtspersoon B gedeeltelijk werd afgelost door middel van een - met pandrechten gesecureerde - geldlening van rechtspersoon P of één van haar dochtervennootschappen en door middel van de verkoop van woord- en beeldmerken rechtspersoon Q, rechtspersoon S en rechtspersoon B, welke geldlening op zijn beurt is afgelost door middel van het uitwinnen van de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van rechtspersoon LR ten behoeve van rechtspersoon P.

Uit de voormelde concept overeenkomst, uit een brief van medeverdachte aan de verdachte van 22 december 2005 en uit aantekeningen van de verdachte blijkt dat de verdachte die aflossing heeft gedaan op een moment waarop hij ervan uitging dat rechtspersoon LR failliet zou gaan en dat de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van rechtspersoon LR zouden worden uitgewonnen ten behoeve van rechtspersoon P. Uit die brief blijkt voorts dat de verdachte wist dat rechtspersoon LR - tenminste - één andere schuldeiser dan rechtspersoon P had, te weten de Belastingdienst.

Daarmee heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van rechtspersoon LR, op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen schuldeisers van rechtspersoon LR bevoordeeld.

Het betoog van de raadsman, dat de verdachte niet heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van rechtspersoon LR, leidt niet tot een ander oordeel nu hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn betoog heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden.

Als eerste is niet aannemelijk geworden dat de verdachte, nadat hij in januari 2006 de voormelde brief en concept overeenkomst aan een advocaat en een accountant had voorgelegd en nadat die advocaat en die accountant daartoe hadden geadviseerd, afstand heeft genomen van de uitvoering van hetgeen in die brief en concept overeenkomst is vermeld, reeds nu de verdachte namens rechtspersoon P - overeenkomstig die concept overeenkomst - de (verpande) activa van rechtspersoon LR heeft (terug)gekocht.

Verder is niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van de verdachte niet tot de verkorting van de rechten van de schuldeisers hebben kunnen leiden nu die schuldeisers zich niet hadden kunnen verhalen op (een deel van) de voorraden van rechtspersoon LR. Anders dan de raadsman stelt, blijkt uit de stukken in het dossier niet dat ‘zekerheden waren gevestigd op voorraden … door verdachte en diverse financiers en andere leveranciers’. Voorts brengt de omstandigheid dat rechtspersoon PF B.V. en rechtspersoon A B.V. mogelijk, op grond van door hen gebruikte algemene voorwaarden, een eigendomsvoorbehoud op de door hen aan rechtspersoon B geleverde producten hadden - het dossier bevat wat dat betreft onvoldoende stukken om deze vaststelling met zekerheid te kunnen doen - niet mee dat de schuldeisers van rechtspersoon LR zich niet hadden kunnen verhalen op (een deel van) de voorraden van rechtspersoon LR. Uit de tekst van de algemene voorwaarden blijkt in dit kader dat het eigendomsvoorbehoud rust op geleverde halffabricaten. Niet gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat onder die producten, behalve halffabricaten, ook grondstoffen begrepen moeten worden. Blijkens een saldibalans voor de periode december 2005 bedroeg de voorraad grondstoffen van rechtspersoon B op dat moment € 707.156,06.

Daderschap rechtspersoon LR

Het hof is van oordeel dat de gedragingen die de verdachte als bestuurder van rechtspersoon B heeft verricht, kunnen worden toegerekend aan rechtspersoon LR. De omstandigheid dat getuige R per 8 februari 2006 bestuurder is geworden van rechtspersoon B doet daar niet aan af nu getuige R niet eerder bestuurder van rechtspersoon LR werd dan nadat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde overeenkomst van geldlening en aktes van verpanding heeft ondertekend, wetende dat deze ertoe strekten dat de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van rechtspersoon LR zouden worden uitgewonnen en ervan uitgaande dat rechtspersoon LR failliet zou gaan.

Bewezenverklaring

Het primair bewezen verklaarde levert op: de voortgezette handeling van medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een van de schuldeisers op enige wijze bevoordeeld hebben en medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

Strafoplegging

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over faillissementsfraude? Kom dan op donderdag 26 maart 2015 naar de Cursus Faillissementsfraude. Tijdens deze cursus zal aandacht worden besteed aan de strafrechtelijke, civielrech- telijke én fiscaalrechtelijke aspecten van faillissementsfraude.
Klik hier voor meer informatie. 
Print Friendly and PDF ^

Rb veroordeelt viertal verdachten terzake onder meer meermalen gepleegde oplichting, belastingfraude, faillissementsfraude en deelname aan een criminele organisatie

De Noordelijke Fraudekamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft een viertal verdachten in het onderzoek “SIJS” veroordeeld, te weten twee hoofdverdachten (verdachten 1 en 2) terzake (onder meer) meermalen gepleegde oplichting, belastingfraude, faillissementsfraude en deelname aan een criminele organisatie en twee medeverdachten (verdachten 3 en 4) terzake medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (verdachte 3) en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (verdachte 4).

Rechtbank Noord-Nederland 16 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6346

De gepleegde fraude vond plaats in een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Binnen deze criminele organisatie hadden verdachten 1 en 2 een initiërende, leidinggevende en sturende rol. De ernst en de forse omvang van de frauduleuze handelingen, de rol die verdachten daarbij hebben gespeeld, alsmede de daaruit voortvloeiende omvang van de benadeling, brengen mee dat een gevangenisstraf van 36 maanden op zijn plaats is. De rechtbank stelt evenwel vast dat het gaat om feiten van oudere datum en dat de handelwijze van de officier van justitie - het in de loop van de strafprocedure voor de rechtbank instellen van vervolging voor nieuwe feiten, terwijl voor een aantal van die feiten eerder had gekund - er toe heeft geleid dat de behandeling en afdoening van de onderhavige zaken aanzienlijke vertraging heeft opgelopen. Met deze omstandigheden houdt de rechtbank rekening door de in beginsel passende straf te matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Rechtbank Noord-Nederland 16 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6347

Verdachte 3 heeft, als uitvoerder bij een bouwbedrijf, een groot aantal valse facturen gemaakt, waarmee zijn werkgever vervolgens is opgelicht. Dit heeft ertoe geleid dat er voor een bedrag van ruim € 378.000,-- onterecht aan derden is uitbetaald. Hoewel niet is komen vast te staan dat de verdachte hierbij zelf voordeel heeft genoten, vervulde hij wel een cruciale rol bij deze frauduleuze constructie. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Rechtbank Noord-Nederland 16 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6351

Verdachte 4 heeft zich als adjunct-directeur van een bouwbedrijf meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door valse inkoopordners op te maken, die vervolgens door anderen gebruikt zijn om uitbetaald te worden voor niet-verrichte werkzaamheden. Hierdoor heeft de verdachte zijn werkgever en de uiteindelijke opdrachtgevers van de bouwprojecten voor ruim € 130.000,-- benadeeld. Hoewel niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf voordeel heeft genoten, was hij wel de cruciale spil in de frauduleuze constructie. Hij wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof legt 28 maanden gevangenisstraf op voor o.a. oplichting van beleggers en bedrieglijke bankbreuk

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5206

Verdachte heeft een groot aantal personen in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2008 bewogen om hun vermogen te beleggen, waarbij hij hen voorspiegelde dat zij hun inleg gegarandeerd terug zouden krijgen. Daarna heeft hij valse beleggingsoverzichten gemaakt, waarmee hij de schijn wekte dat het geld op behoorlijke wijze was belegd. Inleggelden werden niet belegd maar onder meer vergokt. Van de totale inzet van ruim 2,2 miljoen euro was er, op het moment dat verdachte op eigen verzoek failliet werd verklaard, nagenoeg niets meer over. De inleggelden gingen in één grote pot. Met geld vanuit die pot heeft verdachte sieraden gekocht, welke sieraden hij kort voor het faillissement heeft verkocht, hetgeen hij tegenover de curator heeft verzwegen. Op die manier heeft verdachte geprobeerd de opbrengst van deze sieraden buiten bereik van zijn schuldeisers te houden. Voorts heeft hij geen fatsoenlijke boekhouding bijgehouden van wat er met de ingelegde geldbedragen is gebeurd.

Verdachte heeft jarenlang misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij genoot bij de diverse beleggers. Vele gedupeerden zijn door zijn handelen grote geldbedragen kwijtgeraakt en in geldnood gekomen. Verdachte schroomde er zelfs niet voor om beleggers te adviseren een tweede hypotheek af te sluiten en het daarmee verkregen bedrag ter belegging aan hem over te dragen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat verdachte tegenover zijn slachtoffers tot op heden geen enkel teken van berouw heeft getoond.

Eendaadse samenloop?

Van eendaadse samenloop van de feiten 1 en 2, zoals door de verdediging bepleit, is naar het oordeel van het hof geen sprake. De strafbaarstellingen van de artikelen 326 (tegengaan van bedrog) ) respectievelijk 225 (bescherming openbaar vertrouwen en voorkoming van mogelijk nadeel), van het Wetboek van Strafrecht, beogen andersoortige belangen te beschermen en kunnen naast elkaar worden tenlastegelegd. Daarbij komt dat het in het onder 1 bewezenverklaarde gaat om het gebruik maken van valselijk opgemaakte overzichten en in het onder 2 bewezenverklaarde om het opmaken van die overzichten.

Bewezenverklaring

    • 1 primair: oplichting, meermalen gepleegd.
    • 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
    • 3. bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd.

Benadeelde partijen, waaronder curator, niet-ontvankelijk ivm faillissement verdachte

Naar het oordeel van het hof staat artikel 26 Faillissementswet aan indiening van een civiele vordering als benadeelde partij bij de strafrechter jegens een gefailleerde in de weg: een benadeelde partij dient zich dan tot de curator te wenden. In de onderhavige zaak is vastgesteld dat verzoeker op 7 oktober 2008 persoonlijk failliet is verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit faillissement niet is opgeheven. De benadeelde partijen kunnen daarom niet in hun vorderingen worden ontvangen. Dit geldt evenzeer voor de curator, die zich namens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van verdachte heeft gevoegd.

Het hof zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Stand van zaken Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht

Gisteren heeft Opstelten de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht en wat de beoogde planning voor het komende half jaar is. Dit programma uit drie pijlers, namelijk (i) de bestrijding van faillissementsfraude, (ii) de bevordering van het reorganiserend vermogen van bedrijven en (iii) de modernisering van de faillissementsprocedure. Binnen binnen deze pijlers wordt gewerkt aan verschillende wetsvoorstellen.

Bestrijding van faillissementsfraude

Deze pijler behelst maatregelen die beogen laakbaar handelen bij of voorafgaand aan faillissementen aan te pakken. De betreffende maatregelen vinden hun weerslag in drie wetsvoorstellen, namelijk:

  1. de introductie van de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod,
  2. de herziening van het strafrechtelijk faillissementsrecht, en
  3. de versterking van de positie van de curator.

Het eerste wetsvoorstel, het civielrechtelijk bestuursverbod, is op 1 september 2014 ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2013/14, 34 011). De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 4 november jl. verslag uitgebracht. Hieruit blijkt brede steun voor het voorstel bij de aan het woord zijnde fracties, maar ook dat er nog de nodige (uitvoerings)technische en feitelijke vragen bij de Kamer leven. De nota naar aanleiding van het verslag zal begin 2015 bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Het tweede wetsvoorstel, de herziening van het strafrechtelijk faillissementsrecht, is op 18 juli 2014 bij de Kamer ingediend (Kamerstukken II 2013/14, 33 994). Ook over dit wetsvoorstel heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie inmiddels verslag uitgebracht. Hieruit blijkt brede steun voor het voorstel bij de verschillende fracties. Evenwel werd ter verdere verduidelijking en afweging ook een aantal vragen gesteld over onderdelen van het wetsvoorstel en over de effecten in de (opsporings)praktijk. De nota naar aanleiding van het verslag zal begin 2015 aan de Kamer worden verzonden.

De reacties op het derde wetsontwerp, de versterking van de positie van de curator, dat zowel gaat over versterking van de informatiepositie van de curator als de introductie van een fraudesignalerende taak voor curatoren, worden op dit moment nog verwerkt. Dat proces is nagenoeg afgerond. De inzet is om het uiterlijk eind januari 2015 voor advies voor te leggen aan de Afdeling Advisering van de Raad van State.

Bron: TK Wetgevignsprogramma Herijking Faillissementsrecht

Voor meer informatie:

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: Feitelijke leiding geven aan eenvoudige bankbreuk, begaan door een rechtspersoon

Rechtbank Rotterdam 3 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9853

De verdachte heeft als feitelijk leidinggever van de bestuurder van een rechtspersoon niet voldaan aan zijn wettelijke verplichting om de administratie van die rechtspersoon te bewaren, waardoor hij niet aan een andere wettelijk verplichting kon voldoen, te weten het aan de curator overhandigen van de administratie toen die rechtspersoon in staat van faillissement was verklaard.

Dergelijk handelen belemmert de curator in het uitoefenen van zijn taken. Door geen administratie te kunnen overhandigen is een curator immers niet in staat om eventuele rechten van de rechtspersoon op derden vast te stellen en deze waar mogelijk te incasseren.

Namens de verdachte is bepleit hem vrij te spreken van het subsidiair onder B ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte in de ten laste gelegde periode psychisch in de war was vanwege problemen in zijn privé situatie. Hierdoor kan hem niet worden verweten dat hij de administratie van bedrijf niet heeft bewaard en na faillissement van bedrijf niet ter beschikking heeft kunnen stellen aan de curator.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verdachte heeft als bestuurder de rechtspersoon overgenomen. Hij bewaarde de administratie van bedrijf in zijn huurwoning. De verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment naar het buitenland is vertrokken vanwege problemen in zijn privé situatie. Hij heeft zijn huurwoning met daarin de administratie van bedrijf achtergelaten en daar niet meer naar omgekeken. De huurwoning is vervolgens ontruimd en de administratie van bedrijf is enige tijd later vernietigd.

Als ondernemer had de verdachte zich te houden aan de wettelijke bepalingen die gelden voor het drijven van een onderneming. De door de verdachte geschetste privé problematiek ontslaat hem niet van zijn wettelijke verplichting om de administratie van zijn bedrijf gedurende meerdere jaren te bewaren. De verdachte is, zonder enige moeite te doen om de administratie van bedrijf veilig te stellen, voor langere tijd naar het buitenland vertrokken. Dat de administratie in de tussentijd is vernietigd en hij na het faillissement van bedrijf de administratie niet meer aan de curator ter beschikking kon stellen, is dan ook aan hem te wijten. Dat hij destijds zeer ernstige problemen had op het persoonlijke vlak, doet daaraan niet af.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair onder B ten laste gelegde.

Voor zover de verdediging heeft beoogd te betogen dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend vanwege zijn psychische toestand in 2007, wordt dit beroep verworpen. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte destijds in een zodanige toestand verkeerde dat van hem niet gevergd kon worden dat hij maatregelen nam om de administratie veilig te stellen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Faillisementsfraude: veroordeling wegens feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk. Curator stelt zich als bp ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement.

Rechtbank Rotterdam 3 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9851

Namens de verdachte is vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte op 1 oktober 2012 een hartaanval heeft gehad en dat hij in de periode daarna veel lichamelijke maar ook psychische klachten heeft gehad. Desondanks is hij doorgegaan met werken voor bedrijf. Dat heeft geleid tot vele slordigheden in de door hem gevoerde bedrijfsadministratie. De verdachte heeft een deel van die administratie in een garagebox opgeslagen. Hij heeft deze garagebox samen met een vriend leeggeruimd en de administratie is toen waarschijnlijk weggegooid. De verdachte was zich daar niet van bewust door zijn geestelijke gesteldheid. Het andere deel van de administratie had hij opgeslagen in de kelderbox van zijn woning, maar dat was op enig moment verdwenen. De verdachte heeft de administratie niet kunnen aanleveren bij de curator, maar dat is niet opzettelijk gebeurd. Er is geen sprake van handelen van de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechter van zijn schuldeisers, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet is tenminste vereist dat de handelingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

De verdachte was werkzaam als bedrijfsleider bij bedrijf en voerde tevens de administratie voor het bedrijf. De verdachte heeft twee keer eerder een faillissement van zijn eigen eenmanszaak meegemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank behoorde de verdachte derhalve te weten dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de administratie van een bedrijf meerdere jaren te bewaren, onder meer omdat in het geval dat het bedrijf failliet zou gaan, de curator zonder een (deugdelijke) administratie geen volledig zicht zou hebben op de baten en lasten alsmede vermogensbestanddelen van de gefailleerde en de curator als gevolg daarvan niet zou weten wat hij aan wie kon toedelen. Hetgeen tot gevolg zou kunnen hebben dat schuldeisers daardoor zouden worden benadeeld.

Dat er een grote kans was dat het bedrijf failliet zou gaan, moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest. Hij heeft verklaard dat het sinds 1 oktober 2012 financieel steeds slechter ging met het bedrijf vanwege zijn slechte gezondheid en omdat er nauwelijks werk voor hem was. Hij heeft naar eigen zeggen een jaar lang “zijn kop in het zand gestoken”.

Desondanks heeft de verdachte er niets aan gedaan om de administratie van bedrijf zorgvuldig te bewaren. Integendeel, hij was erbij aanwezig toen een deel van de administratie (waarschijnlijk) werd weggegooid en hij heeft (in ieder geval) niets gedaan om te voorkomen dat de administratie in het ongerede raakte. Het feit dat hij een moeilijke periode doormaakte wegens gezondheids- en privéproblematiek doet hier niets aan af.

Door het niet (zorgvuldig) bewaren van de administratie van bedrijf, en zelfs een deel daarvan weg te gooien, heeft de verdachte, zeker gezien zijn eerdere ervaringen met het failliet gaan van een bedrijf, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers hierdoor in het faillissement zouden kunnen worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de verkorting van de rechter van de schuldeisers.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk. Hij heeft de administratie gevoerd voor het bedrijf waar hij bedrijfsleider van was, maar deze administratie, in strijd met de wettelijke verplichtingen daartoe, niet bewaard, waarschijnlijk zelfs deels weggegooid, en daardoor, nadat het bedrijf failliet was gegaan, de administratie niet ter beschikking kunnen stellen aan de curator.

De verdachte heeft zich bij het plegen van dit feit niets aangetrokken van de belangen van anderen. Door zijn handelen heeft de verdachte het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op de juiste wijze af te wikkelen en correct te kunnen vaststellen wat er onder welke schuldeiser moet worden verdeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ex-directeur Groen Invest vrijgesproken van faillissementsfraude

De rechtbank Oost-Brabant heeft de 70-jarige ex-directeur van het Veldhovense Groen Invest BV vrijgesproken van faillissementsfraude. Ook krijgt de man geen straf voor het zonder vergunning aanbieden van beleggingsobjecten.

Groen Invest en haar dochtervennootschappen verkochten vanaf 1996 rechten op kapopbrengsten van robiniabomen. In totaal werd voor ruim 70 miljoen euro verkocht aan zo’n 5500 particuliere beleggers. Toen het bedrijf in mei 2009 failliet ging, deed de curator aangifte tegen de voormalig directeur voor onder meer faillissementsfraude. De man onttrok als directeur van Groen Invest en de dochtervennootschappen grote geldbedragen aan de onderneming. Hij zag daar geen bezwaar in, omdat hij zelf een veel groter bedrag aan de onderneming had uitgeleend.

Vrijspraak

Volgens de rechtbank wist de directeur op het moment van de onttrekkingen nog niet dat zijn bedrijf failliet zou gaan. Een oorzaak van het faillissement is volgens de rechtbank de weigering van een vergunning, waardoor het bedrijf versneld geld moest terugbetalen aan de beleggers. Een andere oorzaak van het faillissement acht de rechtbank de uitkomst van een procedure tegen een oud-aandeelhouder. Groen Invest moest hem vier miljoen euro betalen. Vijf dagen na deze veroordeling is het bedrijf failliet verklaard. Omdat de ex-directeur het geld ruim voor deze beide gebeurtenissen overmaakte, kan volgens de rechtbank niet worden gesteld dat hij het faillissement toen al had moeten zien aankomen en door de overmakingen de schuldeisers bewust benadeelde. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van faillissementsfraude.

Tijdens de behandeling van de strafzaak bleek overigens dat de man de onttrokken bedragen wel aan de curator moest terugbetalen. Dat besliste het gerechtshof ’s-Hertogenbosch al eerder in een civiele procedure.

Niet strafbaar

Verder wordt de ex-directeur verweten dat hij van maart tot mei 2009 leiding gaf aan een dochtervennootschap die toen zonder vergunning beleggingsobjecten aanbood. De rechtbank oordeelt echter dat dit de man niet kan worden toegerekend. Hij had in deze korte periode geen aanvaardbare mogelijkheid om anders te handelen. De man is daarom niet strafbaar en wordt hiervoor ontslagen van alle rechtsvervolging.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte en zijn mededader hebben niet voldaan aan administratieverplichting en zij hebben een deel van de inventaris aan de failliete onderneming onttrokken

Gerechtshof Den Haag 19 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3849

De verdachte en zijn mededader hebben niet voldaan aan de verplichting om de administratie van hun onderneming te blijven voeren. Voorts hebben de verdachte en zijn mededader een deel van de inventaris aan de failliete onderneming onttrokken, waardoor deze buiten het beheer van de curator werd gehouden. Daardoor hebben zij de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt en andere crediteuren van de onderneming benadeeld. De verdachte heeft zich voorts meermalen schuldig gemaakt aan diverse vormen van valsheid in geschrift. De verdachte heeft samen met een ander op verschillende adressen ook hennepplanten aanwezig gehad. Tenslotte heeft de verdachte samen met een ander getracht een getuige te beïnvloeden.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tot en met 6 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bevolen en is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bewezenverklaring

  • Dagvaarding I onder 1: Bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
  • Dagvaarding I onder 2: Valsheid in geschrift.
  • Dagvaarding I onder 3: Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Dagvaarding I onder 4: Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Dagvaarding I onder 5: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
  • Dagvaarding II: Medeplegen van opzettelijk bij geschrift zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor fiscale (IB) fraude wegens niet het opgeven van voordeel uit aanmerkelijk belang. Veroordeling voor onder meer bedrieglijke bankbreuk.

Rechtbank Amsterdam 13 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7916

Verdachte heeft een valse factuur laten opmaken, waarvan hij in privé heeft geprofiteerd en die door zijn toedoen in de administratie van bedrijf 1 is opgenomen. Vervolgens heeft hij feitelijk leidinggegeven aan een strafbare gedraging van bedrijf 1, erop neerkomende dat deze valse factuur beschikbaar is gesteld aan de Belastingdienst ten behoeve van een boekenonderzoek en strekkende tot verlaging van de belastingdruk binnen deze vennootschap. Daarnaast heeft verdachte zich als bestuurder van bedrijf 1 schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk. Bovendien heeft hij, hoewel hij daartoe wel wettelijk verplicht was, geen inlichtingen verstrekt op daartoe strekkende verzoeken van de curator.

Verdenking

Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het

  1. niet opgeven van inkomsten uit aanmerkelijk belang in zijn aangiften Inkomstenbelasting 2003 en 2006;
  2. opmaken van een valse factuur;
  3. feitelijk leidinggeven aan het opnemen van een valse factuur in de administratie van bedrijf 1 en het vervolgens beschikbaar stellen van die factuur aan de fiscus;
  4. als bestuurder niet voldoen aan zijn verplichting deugdelijke administratie te voeren, bewaren en beschikbaar te stellen na faillietverklaring van bedrijf 1 (primair) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, (subsidiair) idem, met uitzondering van het bestanddeel ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers;
  5. als bestuurder/commissaris van bedrijf 1 niet voldoen aan de inlichtingenplicht jegens de curator.

Feiten

De onderneming (bedrijf 1) is opgericht op 12 juli 2002. Per 2 oktober 2003 is bedrijf 2 enig aandeelhouder en per 17 oktober 2003 staan als bestuurders van bedrijf 1 ingeschreven, bedrijf 2 en verdachte. De enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 2 sinds 14 mei 1991 is verdachte.

Bedrijf 1 is failliet verklaard per 23 juni 2009.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3, 4 primair en 5 kunnen worden bewezen verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1, eerste gedachtenstreepje, heeft de officier van justitie gesteld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het schip naam 1 in 2003 tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. De inkomsten uit de verkoop van dit schip, die verdachte in privé op zijn rekening ontving, had hij in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2003 moeten vermelden als inkomsten uit aanmerkelijk belang, nu verdachte via zijn vennootschap bedrijf 2 100% aandeelhouder is van bedrijf 1.

Ten aanzien van feit 1, tweede gedachtenstreepje, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte in 2006 een bedrag van € 50.000, dat ziet op een deelbetaling van het schip naam 2, contant heeft ontvangen. Dit bedrag is niet verantwoord in de boekhouding van bedrijf 1 of de moedermaatschappij bedrijf 2, noch in rekening-courant tussen bedrijf 1 en verdachte verwerkt. Verdachte heeft bewust onjuist zijn aangifte Inkomstenbelasting 2006 ingevuld, aangezien hij voornoemde inkomsten niet heeft opgenomen als inkomsten uit aanmerkelijk belang.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie gewezen op de bij bedrijf 3 in de administratie aangetroffen bescheiden die zien op de aankoop van een keuken door verdachte en de verklaring van persoon 1, keukenadviseur bij bedrijf 3. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte de keukenverkoper expliciet heeft gevraagd een splitsing te maken in de order, een gedeelte op zijn eigen naam en een gedeelte op naam van het bedrijf 1. Verdachte heeft verklaard dat hijzelf afnemer van de keuken was. De factuur op naam van bedrijf 1 is dus vals opgemaakt.

Vervolgens is deze factuur in de administratie van bedrijf 1 verwerkt en bij controle door de Belastingdienst door de administratief medewerkster aan de belastingambtenaren ter beschikking gesteld. Verdachte is hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk, omdat hij als feitelijk leidinggever van deze gedraging kan worden aan gemerkt.

Deze gedraging heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en verdachte had opzet op deze gedraging. Immers, hij wist dat het om een valse factuur ging en dat het boekenonderzoek plaats zou vinden.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie betoogd dat bedrijf 1 per 23 juni 2009 failliet is verklaard, dat de curator op 22 oktober 2009 aangifte heeft gedaan van bedrieglijke bankbreuk en dat uit de brieven die door de curator aan verdachte zijn gestuurd blijkt dat, ondanks herhaalde verzoeken tot verstrekking van de administratie van bedrijf 1, verdachte niet voldoende gevolg aan die verzoeken heeft gegeven. Dit heeft ertoe geleid dat het voor de curator niet mogelijk was om de vermogenspositie van bedrijf 1 vast te kunnen stellen, noch wie de debiteuren in het faillissement waren en vast te stellen of sprake was van bevoordeling van specifieke crediteuren. Verdachte heeft verklaard dat hij wel aan alle verplichtingen heeft voldaan. Opvallend is daarom dat delen van de door de curator specifiek gevraagde administratie bij hem thuis zijn aangetroffen bij de doorzoeking van zijn woning in november 2009. Kortom, het staat vast dat verdachte, als bestuurder, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een deugdelijke administratie.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte moedwillig een onvolledige administratie heeft verstrekt. Ook is van het boekenonderzoek in 2008/2009 bij de curator geen melding gemaakt. Daar komt bij dat de curator het vermoeden had dat sprake was van onttrekkingen aan de boedel. Gelet op de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte belastingfraude pleegde en niet wilde dat de curator daar van op de hoogte raakte. De belastingfraude zag op onttrekkingen aan de vennootschap en onzakelijke transacties die er in de kern toe leidden dat de vennootschap verarmde waardoor schuldeisers worden benadeeld. Dit leidt tot de conclusie dat de primair ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk kan worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie verwezen naar hetgeen zij bij feit 4 heeft bepleit en benadrukt dat verdachte, ondanks herhaalde verzoeken van de curator daartoe, opzettelijk niet alle gevraagde stukken heeft verstrekt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder de feiten 1, 4 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde en daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1, eerste gedachtenstreepje, heeft de raadsman primair betoogd dat het schip naam 1 nimmer tot de handelsvoorraad van bedrijf 1 heeft behoord; verdachte heeft het casco van het schip in privé gekocht en betaald en ook privé de opdracht gegeven om het af te bouwen. Er is dus geen sprake van inkomsten uit aanmerkelijk belang en er is ook geen onjuiste informatie in de aangifte Inkomstenbelasting 2003 opgenomen. Verdachte heeft ten aanzien van feit 1, tweede gedachtenstreepje, verklaard dat hij de laatste betalingstermijn van € 50.000 nooit heeft ontvangen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte nooit opzet op het onjuist of onvolledig invullen van de belastingaangiften heeft gehad. Immers, verdachte heeft zijn aangiften nooit zelf opgemaakt, maar dit door zijn boekhouder persoon 2 laten doen.

Met betrekking tot feit 4 primair en subsidiair heeft de raadsman bepleit dat vanaf de datum waarop het faillissement is uitgesproken de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn faillissementsvermogen verliest en de curator wordt belast met het beheer en de vereffening daarvan. Dat betekent dat de onder het eerste gedachtenstreepje ten laste gelegde verplichting van het voeren van een administratie niet meer bestond.

Aan de onder het tweede gedachtenstreepje genoemde verplichting tot het bewaren van de administratie heeft verdachte ook voldaan. De gehele administratie is bij verdachte thuis aangetroffen tijdens de doorzoeking.

Ten aanzien van het onder het derde gedachtenstreepje genoemde niet afgeven van stukken aan de curator heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit niet opzettelijk is gebeurd. Verdachte had niet begrepen dat de curator ook nog andere stukken nodig had dan die reeds door hem waren verstrekt.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 4 primair betoogd dat geen sprake was van een oogmerk tot het bedrieglijk verkorten van de rechten van de schuldeisers.

Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman verwezen naar hetgeen hij bij feit 4 ten aanzien van het derde gedachtenstreepje heeft bepleit en benadrukt dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij alle benodigde stukken aan de curator had overhandigd. Hij heeft nimmer de opzet gehad om de curator te negeren.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 3 heeft hij voorts opgemerkt dat sprake is van een voortgezette handeling die voortvloeit uit het reeds onder feit 2 ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De aangifte Inkomstenbelasting 2003 (eerste gedachtenstreepje)

Allereerst staat ter beoordeling of het schip naam 1 op het moment van de verkoop tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde.

Verdachte heeft dit ter terechtzitting betwist en, kort samengevat, het volgende verklaard. Nog voordat bedrijf 1 is opgericht en de werf in Roemenië heeft overgenomen, heeft verdachte met de toenmalige eigenaar van de werf, persoon 3 afgesproken dat een oud casco dat daar lag voor verdachtes rekening en risico afgebouwd zou worden. Verdachte heeft zelf alle kosten van de bouw van die boot, de naam 1 genaamd, betaald. Toen de boot gereed was, heeft hij deze op zijn kosten ingevoerd in de Europese Unie. Later heeft verdachte de boot op zijn naam verkocht.

Noch uit de door de officier van justitie in haar requisitoir aangehaalde bewijsmiddelen, noch uit de overige stukken van het dossier of het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank afleiden dat het schip op het moment van de verkoop aan bedrijf 1 toebehoorde. De naam 1 komt voor op een document betreffende de productieplanning 2000-2001 van bedrijf 1, maar dat is op zich niet in strijd met het door de verdachte geschetste scenario. Het schip staat op enig moment vermeld als “onderhanden werken” op een document van bedrijf 2, viel in 2002 onder de door bedrijf 1 verzekerde jachten en bedrijf 1 wordt als “receiver” genoemd op een document. Uit de inhoud van deze documenten kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat de naam 1 ten tijde van de verkoop tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde.

Daarentegen bevindt zich in het dossier een aantal documenten die het door verdachte geschetste scenario ondersteunen: een verkoopovereenkomst waarin verdachte als verkoper wordt vermeld; een vaarbewijs waarin verdachte als eigenaar van de naam 1 wordt vermeld en het eerder aangehaalde document waar bedrijf 1 weliswaar als “receiver” wordt genoemd, maar waar bij staat “for verdachte”.

Dit leidt er toe dat fiscaalrechtelijk niet vast is komen te staan dat de naam 1 ten tijde van de verkoop in 2003 tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. Met betrekking tot de verkoop van dit schip kan dus niet worden gezegd dat verdachte inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het gevolg daarvan is dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk dat hij geen inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft opgegeven bij zijn aangifte Inkomstenbelasting 2003, niet kan worden bewezen.

De aangifte Inkomstenbelasting 2006 (tweede gedachtenstreepje)

Verdachte wordt verweten dat hij een deelbetaling met betrekking tot de verkoop van het schip naam 2 in contanten in ontvangst heeft genomen zonder dit bedrag op de aangifte Inkomstenbelasting 2006 op te geven als inkomsten uit aanmerkelijk belang.

Niet in geschil is dat het schip waarop deze deelbetaling ziet, tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. Vervolgens dient te worden vastgesteld of verdachte een deel van de verkoopprijs, groot € 50.000, heeft ontvangen.

Dat verdachte dit bedrag zou krijgen, staat vermeld in een document genaamd “statement payments, persoon 4/ 051Y”. De rechtbank is van oordeel dat dit overzicht slechts kan worden geduid als een aanwijzing dat het de bedoeling was dat verdachte voornoemd bedrag in Wenen in contanten in ontvangst zou nemen. Uit het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze betaling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft ontkend dat hij het bedrag ooit heeft ontvangen.

Het gevolg daarvan is dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk dat hij geen inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft opgegeven bij zijn aangifte Inkomstenbelasting 2006, niet kan worden bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

In de administratie van bedrijf 1 is een factuur van bedrijf 3 gericht aan bedrijf 1 aangetroffen. Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van keukenapparatuur ten behoeve van (de woning van) verdachte, in wiens woning de keukenapparatuur ook is geleverd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat bedrijf 1 al klant was bij bedrijf 3 toen hij voor privédoeleinden keukenmeubelen en –apparatuur bestelde. Hij heeft twee verschillende verklaringen gegeven voor het feit dat de factuur voor door hem in privé aangekochte apparatuur aan bedrijf 1 is gericht. De eerste verklaring is dat het ‘is fout gegaan’ bij de tenaamstelling; de factuur had aan hem gericht moeten worden en niet aan de vennootschap. De tweede verklaring is dat hij ‘in hoogmoed’ bij bedrijf 3 heeft gezegd dat het hem niet uitmaakte of zij de factuur aan hem richtte of aan bedrijf 1; hij zou toch degene zijn die de factuur feitelijk zou betalen. Indien de factuur op naam van bedrijf 1 was gesteld – zoals het geval is – dan had deze in de rekening-courant tussen bedrijf 1 en verdachte moeten worden opgenomen en dat is niet gebeurd, aldus verdachte.

De verklaringen van verdachte worden weersproken door de inhoud van het dossier en de verklaring die persoon 1 heeft afgelegd. persoon 1 heeft namelijk verklaard dat hij bij de aankoop van een keuken door verdachte en zijn echtgenote een eerste order op naam van verdachte heeft gemaakt en dat verdachte hem daarna heeft verzocht om de order te splitsen en alle keukenapparatuur op naam van bedrijf 1 te zetten. Dat heeft persoon 1 vervolgens gedaan.

In de orderbevestiging op naam van bedrijf 1 staat alle keukenapparatuur vermeld die ook in de oorspronkelijke order op naam van verdachte is opgenomen. Dit gegeven strookt niet met de verklaring van verdachte dat het slechts ‘niet goed is gegaan’ met de tenaamstelling van de factuur en ondersteunt de verklaring van persoon 1.

Kortom, de keukenapparatuur wordt in opdracht van verdachte onterecht gefactureerd aan bedrijf 1 in plaats van aan verdachte. Verdachte heeft derhalve opzettelijk een valse factuur doen opstellen door persoon 1.

Medeplegen

Medeplegen vereist bewuste en nauwe samenwerking. Dit houdt in dat medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de delictuele gedraging. Dat bij persoon 1 dit (voorwaardelijk) opzet aanwezig was, valt uit de bewijsmiddelen niet af te leiden, zodat hij niet als medepleger kan worden aangemerkt. Dat overigens sprake was van het tenlastegelegde medeplegen is evenmin gebleken. Verdachte zal derhalve voor dit bestanddeel worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘medeplegen’.

Voorts ten aanzien van feit 3

Feitelijk leidinggeven

De eerste vraag die in dit verband beantwoord dient te worden is of de verweten gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie vindt vaststelling van daderschap van rechtspersonen plaats aan de hand van het criterium van de redelijke toerekening. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

Per brief van 4 februari 2008 aan bedrijf 1 heeft de Belastingdienst een boekencontrole aangekondigd en meegedeeld dat de volledige administratie van bedrijf 1 over de jaren 2003 tot en met 2007 op 4 maart 2008 op het kantoor van de onderneming aanwezig diende te zijn.

Zoals overwogen met betrekking tot feit 2 is in de administratie van bedrijf 1 een factuur van bedrijf 3 gericht aan bedrijf 1 aangetroffen, waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat deze vals is. Persoon 5, office manager bij bedrijf 1, heeft deze factuur in het kader van voornoemde boekencontrole aan ambtenaren van de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Dit ter beschikking leggen van administratie van de rechtspersoon ten behoeve van een verzoek aan de rechtspersoon past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is de rechtspersoon dienstig geweest in het door deze uitgeoefende bedrijf. Bovendien kon de rechtspersoon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard. Het ter beschikking stellen van de valse factuur aan de ambtenaren van de Belastingdienst kan op grond van het voorgaande aan bedrijf 1 worden toegerekend.

De volgende vraag is of verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Verdachte was bestuurder en (indirect) aandeelhouder van bedrijf 1 (zoals reeds in rubriek 4.1 is vermeld). Bovendien besliste hij ook feitelijk op welke wijze stukken werden geadministreerd en droeg hij binnen de rechtspersoon de volle verantwoordelijkheid voor de administratie.

Uit het overwogene ten aanzien van feit 2 volgt dat verdachte wist dat de valse factuur onderdeel uitmaakte van de administratie van bedrijf 1, nu hij zelf deze factuur ten name van bedrijf 1 had laten opmaken en deze factuur dus door zijn toedoen terecht was gekomen in die administratie. Ook wist hij van het boekenonderzoek af, aangezien de controleambtenaar van de Belastingdienst hierover meerdere malen contact heeft gehad met een medewerker op het kantoor van bedrijf 1. Derhalve wist verdachte dat de administratie door bedrijf 1 ter beschikking zou dienen te worden gesteld aan de Belastingdienst en tevens dat de valse factuur onderdeel van die administratie vormde. Het aldus ter beschikking stellen van de valse factuur aan de Belastingdienst strekte ertoe dat er te weinig belasting werd geheven bij bedrijf 1; de omzetbelasting over de keukenapparatuur is immers ten onrechte in vooraftrek gebracht en de winst van de vennootschap is dus te laag aangegeven.

Verdachte heeft niettemin in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan bedrijf 1 maatregelen ter voorkoming van het doen verstrekken van de valse factuur aan de Belastingdienst achterwege gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was. Hij heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich voordeed.

Gelet op de bovenomschreven interne organisatie en taak en verantwoordelijkheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat ditzelfde voorwaardelijk opzet van verdachte aan bedrijf 1 dient te worden toegerekend.

Medeplegen

Het ten laste gelegde medeplegen is door de officier van justitie niet nader gemotiveerd en ook overigens niet uit de bewijsmiddelen te destilleren. Verdachte dient dan ook voor dat bestanddeel te worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘medeplegen’.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

De curator persoon 6 heeft op 29 juni 2009 een gesprek gehad met verdachte. Daarbij heeft verdachte mondeling toegezegd diverse stukken uit de administratie van bedrijf 1 aan te leveren, waaronder de bankafschriften en verkoopfacturen vanaf 1 januari 2008.

Vervolgens heeft de curator vier brieven, gedateerd 10 augustus 2009, 26 augustus 2009, 17 september 2009 en 28 september 2009, aan verdachte gestuurd inhoudende het (herhaalde) verzoek om een telefoonnummer op te geven waarop hij bereikbaar is, om contact met de curator op te nemen en om bepaalde stukken te overhandigen. In zijn eerste brief heeft de curator meegedeeld dat hij bij gebrek aan contact zijn werkzaamheden niet op correcte wijze kan uitvoeren. In zijn derde brief heeft de curator daar wederom op gewezen.

Op 19 oktober 2009 is verdachte op het kantoor van de curator geweest. De curator was tijdens dat bezoek niet aanwezig, dus heeft verdachte een aantal stukken uit de administratie aan een kantoormedewerkster overhandigd. De ingeleverde stukken bevatten niet de bankbescheiden, debiteurenlijst, jaarstukken 2008 en andere primaire bescheiden als in- en verkoopfacturen, waar de curator om gevraagd had. De ingeleverde administratie was voor de curator onvoldoende om de vermogenspositie van bedrijf 1 vast te kunnen stellen. Daarom heeft hij op 22 oktober 2009 aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk door verdachte.

Op 27 november 2009 heeft een doorzoeking op het woonadres van verdachte, adres, te plaats, plaatsgevonden. Daarbij is een grote hoeveelheid administratie van bedrijf 1 in beslag genomen, te weten bankbescheiden Rabobankrekening 2008, verkoopfacturen 2008 en kopie inkoopfacturen 2008, zijnde bescheiden die de curator blijkens zijn verklaring reeds voor de doorzoeking bij verdachte had opgevraagd.

Op 27 november 2009 heeft verdachte verklaard: “Alles wat hij (de rechtbank begrijpt: de curator) wilde, heeft hij gehad van mij. Wat hij graag wil hebben, zijn debiteurenoverzichten, maar die zijn er niet.” Op de vraag later in het verhoor of verdachte bekend was met de debiteuren ten tijde van het faillissement en of hij geld had geïncasseerd van debiteuren, antwoordde verdachte: “Neen, ik weet niet wie de debiteuren in het faillissement zijn en ik heb nog geen gelden van debiteuren geïncasseerd”.

Ter terechtzitting heeft verdachte wederom verklaard dat er geen lijst met openstaande debiteuren bestond. Verdachte gaf hiervoor als verklaring dat de bouw van een boot in fasen verliep en dat er telkens per termijn betaald moet zijn voordat er met een volgende fase van de afbouw van een schip werd voortgegaan, zodat pas als de opdrachtgever een termijn had betaald, de volgende fase van start ging.

Ter terechtzitting heeft verdachte tevens verklaard dat hij in oktober 2009 de volledige boekhouding op het kantoor van de curator heeft afgeleverd, dat hij heeft gevraagd of dat afdoende was en dat hij nooit heeft begrepen dat de curator nog andere documenten wenste te ontvangen. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij wel op de brieven van de curator heeft gereageerd en dat de curator stukken waar hij om vroeg niet nodig had.

Voorts ten aanzien van feit 4

Het niet voeren van de administratie (eerste gedachtenstreepje)

Onder het eerste gedachtenstreepje wordt verdachte verweten dat hij de administratie van bedrijf 1 niet zodanig heeft gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van bedrijf 1 konden worden gekend. De ten laste gelegde periode betreft een periode die aanvangt per de datum van de faillietverklaring, te weten op 23 juni 2009. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verplichting tot het voeren van een volledige en deugdelijke administratie na faillietverklaring niet meer tot de taak van de bestuurder – in casu: verdachte – behoort. De in artikel 2:10 BW genoemde plicht om een administratie te voeren, houdt immers op vanaf het faillissement van de rechtspersoon. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het niet bewaren van de administratie (tweede gedachtenstreepje)

Met betrekking tot het onder het tweede gedachtenstreepje van het ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat blijkens de bewijsmiddelen uiteindelijk pas bij de huiszoeking in de privéwoning van verdachte de nog ontbrekende door de curator opgevraagde stukken werden aangetroffen, zij het met uitzondering van de door de curator opgevraagde debiteurenlijst.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte omtrent het ontbreken van een debiteurenlijst, zoals hierboven weergegeven, onvoldoende consistent en niet aannemelijk. Ook indien wordt uitgegaan van de door verdachte beschreven (doch niet met stukken onderbouwde) fasegewijze oplevering, facturering en betaling, ligt het immers voor de hand dat openstaande en betaalde rekeningen worden geadministreerd. Dit sluit dus – de noodzaak van – het bestaan van een debiteurenadministratie bij bedrijf 1 bepaald niet uit. Voor zover verdachte heeft verklaard dat er na faillissement geen debiteurenlijst was omdat de onderneming geen debiteuren met openstaande rekeningen had, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig. De administratie van bedrijf 1 zou minst genomen een debiteurenlijst moeten bevatten, ook al zouden er geen openstaande rekeningen op staan.

De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat bij bedrijf 1 een debiteurenadministratie gevoerd had dienen te worden, en dat deze

  • of níet is gevoerd voorafgaand aan het faillissement zodat verdachte zich impliciet in de onmogelijkheid heeft gesteld deze te bewaren vanaf het faillissement,
  • of wèl is gevoerd maar vervolgens niet is bewaard.

In beide gevallen heeft verdachte niet voldaan aan zijn verplichting als bestuurder tot het bewaren van de gehele administratie.

Het niet uitleveren van de administratie (derde gedachtenstreepje)

Uit de hierboven opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte niet heeft voldaan aan herhaalde verzoeken van de curator in het faillissement om onderdelen van de administratie van bedrijf 1 aan hem heeft uit te leveren, zoals onder het derde gedachtenstreepje ten laste is gelegd. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de curator aan verdachte tijdens de bespreking op 29 juni 2009 en wederom per brief van 28 september 2009 heeft verzocht om specifieke documenten uit de administratie. Op 19 oktober 2009 is weliswaar alsnog een deel uitgeleverd, maar niet alle gevraagde bescheiden. De ingeleverde stukken bevatten niet de bankbescheiden, debiteurenlijst, jaarstukken 2008 en andere primaire bescheiden zoals in- en verkoopfacturen, waar de curator om gevraagd had. De rechtbank constateert dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 27 november 2009 documenten in beslag zijn genomen waar de curator om had verzocht, zoals verkoopfacturen en rekeningafschriften die betrekking hadden op het jaar 2008. Verdachte heeft dus, ondanks diverse verzoeken van de curator daartoe, deze stukken niet aan de curator uitgeleverd, terwijl deze wel beschikbaar waren. Bovendien is, zoals hiervoor is overwogen, de opgevraagde debiteurenlijst niet verstrekt aan de curator. Het verweer dat verdachte alles aan de curator heeft gegeven wat de curator wilde hebben, wordt dan ook verworpen.

Het verweer dat de curator om stukken vroeg die hij niet nodig had, kan evenmin slagen. De rechtbank acht aannemelijk dat de door de curator gevraagde en niet ontvangen stukken essentieel waren voor het vaststellen van de vermogenspositie van bedrijf 1 door de curator met het oog op een prudente afwikkeling van het faillissement, hetgeen verdachte moet hebben geweten dan wel had behoren te begrijpen.

Dat verdachte wel gereageerd zou hebben op de brieven van de curator blijkt – behalve uit de verklaring van verdachte – nergens uit en is bovendien in strijd met zijn eigen eerdere verklaring dat hij twee brieven van de curator niet heeft geopend. Het verweer dat het niet beschikbaar stellen van deze stukken niet opzettelijk is gebeurd, mist derhalve feitelijke grondslag en wordt reeds daarom verworpen.

Bedrieglijke bankbreuk

De volgende vraag die in het kader van het ten laste gelegde moet worden beantwoord, is of verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon. De raadsman heeft ten verwere aangevoerd dat hiertoe geen oogmerk bestond bij verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het volgende is hiervoor redengevend.

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende, aan artikel 341 Sr ontleende bewoordingen "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers" brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

Dat het niet op vordering van de curator uitleveren van de bestaande administratie de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan, moge duidelijk zijn en moet worden beschouwd als een feit van algemene bekendheid. Zonder de uit de administratie voortvloeiende informatie had de curator geen zicht op de baten en lasten van bedrijf 1, kon hij niet vaststellen wat de vermogenspositie was van deze vennootschap, wie de debiteuren waren in het faillissement, of er onttrekkingen aan de boedel waren geweest, of er bevoordeling van specifieke crediteuren had plaatsgevonden en of er ten behoeve van de boedel nog gelden te verkrijgen waren.

De rechtbank leidt bovendien uit de bewijsmiddelen af dat verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 tijdens de hem verweten gedraging de voornoemde aanmerkelijke kans dat de schuldeisers door de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden bewust heeft aanvaard. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte had weet van het faillissement en het tekort daarin. Verdachte heeft niettemin, zoals hiervoor is overwogen, niet zijn gehele administratie bewaard en ondanks herhaalde verzoeken van de curator niet voldaan aan zijn gehoudenheid stukken uit de administratie tevoorschijn te brengen en uit te leveren. De curator heeft verdachte er in zijn eerste brief al op gewezen dat hij zonder contact zijn werkzaamheden niet correct kon uitvoeren en heeft verdachte er in zijn derde brief bovendien mee geconfronteerd dat hij concrete informatie miste en dat dit tot schade kon leiden. Verdachte heeft dus moeten weten wat het belang hiervan was. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat verdachte hardnekkig is geweest in het niet geven van inlichtingen aan de curator, waarvoor hij bovendien redenen geeft die niet steekhoudend zijn. Dit klemt temeer nu aan de curator uiteindelijk op 19 oktober 2009 weliswaar informatie werd verstrekt, welke evenwel nog altijd onvolledig was, terwijl vervolgens tijdens de huiszoeking op het privéadres die informatie grotendeels wel werd gevonden. Dit duidt op het moedwillig en langdurig achterhouden van relevante informatie. Daar komt bij dat verdachte na faillissementsdatum de post, in het bijzonder brieven van de curator, niet openmaakte.

De curator heeft verklaard dat verdachte telefonisch niet te bereiken was, dat het telefoonnummer op enig moment buiten bedrijf blijkt te zijn, dat verdachte de naam van zijn boekhouder niet kon geven en dat verdachte een verkeerd telefoonnummer van zijn boekhouder heeft doorgegeven. Ook heeft verdachte geen melding gemaakt van het boekenonderzoek dat de Belastingdienst uitvoerde. De curator had het vermoeden dat er sprake was van onttrekkingen aan de boedel, maar kon dit niet aantonen bij gebrek aan administratie.

Daarnaast heeft persoon 5 verklaard dat het reeds in de periode voor het faillissement voorkwam dat er geen geld was om betalingen te verrichten. In dat geval overlegde zij met verdachte hoe ze de diverse crediteuren een beetje konden betalen om één en ander te rekken.

Op basis van dit samenstel van omstandigheden en gedragingen en bij gebreke van contra-indicaties neemt de rechtbank aan dat hier geen sprake was van een incidentele slordigheid dan wel onkundigheid, maar dat verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 met zijn gedraging tenminste de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers bewust heeft aanvaard.

Daarmee is de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk bewezen.

Conclusie

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 niet voldaan aan zijn verplichting de gehele administratie van bedrijf 1 te bewaren en aan de curator uit te leveren na daartoe strekkende verzoeken. Hierdoor was sprake van aanmerkelijke kans op nadeel voor de schuldeisers van de rechtspersoon. Verdachte heeft die kans bewust aanvaard. De onder feit 4 primair ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk dient daarom bewezen verklaard te worden.

Verdachte heeft als bestuurder zonder geldige reden geweigerd de vereiste inlichtingen te geven aan de curator, hetgeen leidt tot een bewezenverklaring van feit 5.

Medeplegen

Voor zover ten aanzien van de feiten 4 en 5 het medeplegen daarvan ten laste is gelegd, overweegt de rechtbank dat de officier van justitie dit niet nader heeft gemotiveerd. Ook overigens valt uit de bewijsmiddelen niette destilleren dat deze feiten in vereniging zijn gepleegd. Dit brengt mee dat verdachte voor dit bestanddeel van de feiten 4 en 5 zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Voortgezette handeling van

    • Feit 2: valsheid in geschrift;

en

    • Feit 3: opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Eendaadse samenloop van

    • Feit 4 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard terwijl hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als in artikel 10 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld;

en

    • Feit 5: als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uur.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank ook mee de ontwijkende proceshouding van verdachte, in het bijzonder ten aanzien van de strafbare feiten die zien op het niet verstrekken van inlichtingen en schriftelijke stukken aan de curator ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in strafmatigende zin meegewogen dat verdachte zelf een grote verliezer is in die zin dat de overname van bedrijf 1 voor hem op een financieel debacle is uitgelopen. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zichzelf ten koste van de boedel door middel van onttrekkingen heeft verrijkt. Daarnaast is, hoewel door het handelen van verdachte de kans op verkorting van de rechten van schuldeisers is ontstaan en bewust door verdachte is aanvaard, de rechtbank niet gebleken van omvangrijk daadwerkelijk financieel nadeel. Voorts zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, in het bijzonder de inval waarmee verdachte, ruim een jaar na de doorzoeking van zijn huis, met vertoon van macht uit zijn woning is opgehaald en waarvan de rechtbank de dwingende noodzaak niet is gebleken.

Daarnaast wordt meegewogen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, van het medeplegen zoals ten laste gelegd onder de feiten 2 tot en met 5, alsmede de samenloopbepalingen die van toepassing zijn op feit 2 en 3, respectievelijk 4 en 5.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De curator als milieuvervuiler. De positie van de curator bij bestuursrechtelijke handhaving van milieuvoorschriten

De curator wordt regelmatig geconfronteerd met een failliete onderneming die voor faillissement milieuovertredingen heeft begaan die daarna voortduren. Meestal hebben de overtredingen al aandacht van de overheid, die een handhavingstraject heeft opgestart tegen de failliete onderneming. De curator wordt dus geconfronteerd met een boedel waarin zich een inrichting bevindt die milieuovertredingen heeft begaan. Hiervoor wordt hij vervolgens door de overheid aangeschreven; de curator moet de overtredingen ongedaan maken. Daar waar curatoren zelf actief milieuovertredingen (doen) begaan, speelt een andere problematiek. In deze bijdrage wordt ingegaan op de voortdurende milieuovertreding; een toestand die strijdig is met de milieuwetgeving (waaronder bijvoorbeeld de omgevingsvergunning), welke toestand is ontstaan voor faillissement en die na faillissement voortduurt.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^