Faillissementsfraude: Feitelijke leiding geven aan eenvoudige bankbreuk, begaan door een rechtspersoon

Rechtbank Rotterdam 3 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9853

De verdachte heeft als feitelijk leidinggever van de bestuurder van een rechtspersoon niet voldaan aan zijn wettelijke verplichting om de administratie van die rechtspersoon te bewaren, waardoor hij niet aan een andere wettelijk verplichting kon voldoen, te weten het aan de curator overhandigen van de administratie toen die rechtspersoon in staat van faillissement was verklaard.

Dergelijk handelen belemmert de curator in het uitoefenen van zijn taken. Door geen administratie te kunnen overhandigen is een curator immers niet in staat om eventuele rechten van de rechtspersoon op derden vast te stellen en deze waar mogelijk te incasseren.

Namens de verdachte is bepleit hem vrij te spreken van het subsidiair onder B ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte in de ten laste gelegde periode psychisch in de war was vanwege problemen in zijn privé situatie. Hierdoor kan hem niet worden verweten dat hij de administratie van bedrijf niet heeft bewaard en na faillissement van bedrijf niet ter beschikking heeft kunnen stellen aan de curator.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verdachte heeft als bestuurder de rechtspersoon overgenomen. Hij bewaarde de administratie van bedrijf in zijn huurwoning. De verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment naar het buitenland is vertrokken vanwege problemen in zijn privé situatie. Hij heeft zijn huurwoning met daarin de administratie van bedrijf achtergelaten en daar niet meer naar omgekeken. De huurwoning is vervolgens ontruimd en de administratie van bedrijf is enige tijd later vernietigd.

Als ondernemer had de verdachte zich te houden aan de wettelijke bepalingen die gelden voor het drijven van een onderneming. De door de verdachte geschetste privé problematiek ontslaat hem niet van zijn wettelijke verplichting om de administratie van zijn bedrijf gedurende meerdere jaren te bewaren. De verdachte is, zonder enige moeite te doen om de administratie van bedrijf veilig te stellen, voor langere tijd naar het buitenland vertrokken. Dat de administratie in de tussentijd is vernietigd en hij na het faillissement van bedrijf de administratie niet meer aan de curator ter beschikking kon stellen, is dan ook aan hem te wijten. Dat hij destijds zeer ernstige problemen had op het persoonlijke vlak, doet daaraan niet af.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair onder B ten laste gelegde.

Voor zover de verdediging heeft beoogd te betogen dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend vanwege zijn psychische toestand in 2007, wordt dit beroep verworpen. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte destijds in een zodanige toestand verkeerde dat van hem niet gevergd kon worden dat hij maatregelen nam om de administratie veilig te stellen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF