Rechtbank Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1813
De rechtbank Amsterdam legt in een ontnemingsprocedure een betalingsverplichting op van 83.474,51 euro aan een rechtspersoon die is veroordeeld voor visfraude met valse vangstregistraties. De veroordeelde heeft zeebaars die met het ene vaartuig is gevangen via valse geschriften op naam van een niet-varend vaartuig verkocht op de visveiling. De rechtbank merkt de volledige verkoopopbrengst van de zeebaars aan als wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst het verweer af dat het voordeel beperkt zou moeten worden tot bespaarde kosten. Alleen de veilingkosten van 5.619,08 euro worden als direct aan de strafbare feiten gerelateerde kosten in aftrek gebracht op de bruto-opbrengst van 89.093,59 euro. Het verweer dat ook algemene bedrijfskosten in mindering moeten worden gebracht wordt verworpen, omdat deze kosten ook zonder het strafbare handelen zouden zijn gemaakt. De draagkrachtkwestie wordt door de rechtbank verwezen naar de executiefase van de ontnemingsmaatregel.
Read More