DOJ vervolgt Frans medtechbedrijf Balt niet voor omkoping in ziekenhuis

Op 19 maart 2026 maakte het Amerikaanse Department of Justice (DOJ) bekend dat het afziet van strafrechtelijke vervolging van het Franse medtechbedrijf Balt SAS. Het bedrijf was onderwerp van een onderzoek naar vermeende omkoping van een arts in een Frans staatsziekenhuis. Tegelijkertijd worden twee personen die bij het omkopingsschema betrokken zouden zijn geweest wel strafrechtelijk vervolgd.

Het bedrijf

Balt werd in 1977 in Frankrijk opgericht door Leopold Płowiecki als klein familiebedrijf. Het bedrijf ontwikkelt en produceert medische hulpmiddelen voor de behandeling van neurovasculaire aandoeningen, waaronder beroertes en aneurysma's. Tot het productaanbod behoren katheters, stents en coils. Balt is inmiddels actief in meer dan 70 landen en telt circa 1.000 medewerkers verspreid over dertien vestigingen in elf landen. Het hoofdkantoor staat in Montmorency, nabij Parijs. In 2016 nam Balt het Amerikaanse bedrijf Blockade Medical in het Californische Irvine over, waarmee het een directe aanwezigheid op de Amerikaanse markt kreeg.

Het omkopingsschema

Volgens het DOJ en een reconstructie van Radical Compliance vonden de omkopingen plaats tussen 2017 en 2023. In totaal zou meer dan 602.000 dollar zijn doorgesluisd naar een arts die een leidinggevende positie bekleedde bij een Frans staatsziekenhuis. De betalingen waren bedoeld om het ziekenhuis ertoe te bewegen medische hulpmiddelen van Balt aan te schaffen.

Het schema werd volgens de tenlastelegging opgezet door twee personen: David Ferrera uit Californië, destijds Chief Technology Officer van Balts Amerikaanse dochteronderneming, en Marc Tillman uit België, een externe consultant die was ingeschakeld om verkopen in Europa te bevorderen. De constructie werkte als volgt: Tillman ontving betalingen van Balt in de vorm van adviesvergoedingen en bonussen, en gaf die vervolgens door aan de betreffende arts. Om de geldstromen te verhullen werden nepadviessovereenkomsten, valse facturen en privé-e-mailaccounts gebruikt. Het DOJ schat dat het schema in totaal 1,6 miljoen dollar aan omzet en 1,2 miljoen dollar aan winst opleverde voor Balt.

De beslissing van het DOJ

Het DOJ heeft besloten Balt niet te vervolgen en het bedrijf in plaats daarvan een zogenoemde "declination" verleend. Volgens het persbericht van het DOJ heeft Balt het wangedrag zelf gemeld bij de autoriteiten, volledig meegewerkt aan het onderzoek en de interne organisatie tijdig aangepast. Het bedrijf nam afscheid van de betrokken personen en voerde gerichte compliance-trainingen door voor het senior management.

Als onderdeel van de schikking betaalt Balt ongeveer 1,2 miljoen dollar aan disgorgement: het terugbetalen van de winst die met de omkoping werd behaald. Volgens advocatenkantoor Wiley is de Balt-zaak de eerste afhandeling onder het nieuwe departementbrede Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Policy dat het DOJ op 10 maart 2026 publiceerde.

Naast de Amerikaanse schikking heeft Balt ook een parallelle overeenkomst gesloten met het Franse Parquet National Financier (PNF), de Franse nationale financiële aanklager. Een Franse rechtbank bekrachtigde deze overeenkomst op dezelfde dag.

De vervolging van Ferrera en Tillman

Terwijl het bedrijf niet wordt vervolgd, worden Ferrera en Tillman elk wel vervolgd voor samenzwering om de Foreign Corrupt Practices Act (FCPA) te overtreden, twee tellingen van FCPA-schendingen, samenzwering tot witwassen en twee tellingen van witwassen. Bij veroordeling riskeren zij maximaal vijf jaar gevangenisstraf per omkopingstelling en twintig jaar per witwastelling. Het onderzoek wordt geleid door het FBI Washington Field Office.

Het nieuwe DOJ-beleid

De Balt-zaak valt samen met de introductie van een nieuw handhavingsbeleid door het DOJ. Op 10 maart 2026 publiceerde het ministerie het eerste departementbrede Corporate Enforcement and Voluntary Self-Disclosure Policy. Dit beleid vervangt de afzonderlijke richtlijnen van de verschillende DOJ-onderdelen en U.S. Attorney's Offices en creëert één uniform kader voor de afhandeling van bedrijfsstrafzaken.

Onder dit beleid zegt het DOJ toe vervolging af te wijzen wanneer een bedrijf wangedrag vrijwillig meldt, volledig meewerkt aan het onderzoek, tijdig saneert en er geen verzwarende omstandigheden zijn. Bedrijven die niet aan alle voorwaarden voldoen maar zich wel te goeder trouw hebben gemeld, kunnen volgens het beleid rekenen op een non-prosecution agreement, geen onafhankelijke compliance-monitor en een boetevermindering van 50 tot 75 procent. Het beleid is van toepassing op alle bedrijfsstrafzaken binnen het DOJ, met uitzondering van antitrustzaken.

Print Friendly and PDF ^