Vervolging na niet-betekend voorwaardelijk sepot toegestaan: rechtbank maakt onderscheid tussen informeel en formeel sepot
/Rechtbank Gelderland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1771
De rechtbank Gelderland veroordeelt een vrouw tot 183 dagen gevangenisstraf voor acht strafbare feiten, waaronder poging tot diefstal met geweld, bedreigingen met de dood en mishandelingen. Juridisch relevant is het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat een eerder voorwaardelijk sepot niet aan de verdachte is betekend. De rechtbank verwerpt dit verweer en maakt een principieel onderscheid tussen het informele sepot op grond van artikel 167 Sv en het formele sepot op grond van artikel 242 lid 2 Sv. Alleen het formele sepot vereist betekening aan de verdachte. De rechtbank wijkt hiermee af van een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank uit 2024. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar wegens schizofrenie, een posttraumatische stresstoornis en een lichte verstandelijke beperking, en verblijft voor behandeling bij de Van der Hoevenkliniek.
Inleiding en context
De rechtbank Gelderland veroordeelt een vrouw voor acht uiteenlopende strafbare feiten, gepleegd in de periode van april tot september 2025 in Zwolle, Ermelo en Harderwijk. Het betreft een zaak in eerste aanleg waarin zes parketnummers gevoegd ter terechtzitting worden behandeld. De verdachte is een in 1998 geboren vrouw die ten tijde van de feiten lijdt aan schizofrenie, een chronische posttraumatische stresstoornis en een lichte verstandelijke beperking. Zij verblijft ten tijde van de zitting op basis van een zorgmachtiging bij de Van der Hoevenkliniek. De zaak is juridisch met name van belang vanwege het verweer van de verdediging inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie na een niet-betekend voorwaardelijk sepot. De rechtbank wijdt hieraan principiele overwegingen over het onderscheid tussen het informele en het formele sepot in het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt een reeks van acht feiten verweten, verdeeld over zes parketnummers. Het gaat om twee winkeldiefstallen (artikel 310 Sr) bij een tankstation in Zwolle en een supermarkt aldaar, een poging tot diefstal met geweld (artikelen 312 jo. 45 Sr) gepleegd tegen een persoon in een scootmobiel in Harderwijk, twee bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Sr) jegens hulpverleners in Ermelo waarbij in het ene geval een scherf en in het andere geval een mes wordt gebruikt, twee mishandelingen (artikel 300 Sr) van voor de verdachte onbekende personen op de openbare weg, en een vernieling (artikel 350 Sr) van serviesgoed en theeglazen in een GGZ-instelling. De centrale delictsbestanddelen betreffen het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de diefstallen, het geweldscomponent bij de poging tot diefstal met geweld, de bij de slachtoffers opgewekte redelijke vrees bij de bedreigingen, en het opzet bij de mishandelingen en de vernieling.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van de strafmaat vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 183 dagen met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie gaat daarbij uit van verminderde toerekenbaarheid van de verdachte. Ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag bij het eerste parketnummer voert de officier van justitie aan dat, nu het voorwaardelijk sepot niet aan de verdachte is uitgereikt, het de officier van justitie vrijstaat alsnog een dagvaarding uit te vaardigen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw voert allereerst een formeel verweer inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het eerste parketnummer. Zij verzoekt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, nu de sepotbeslissing niet is betekend aan de verdachte. De raadsvrouw verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank van 2 september 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:6084). De verdachte wist niet van het sepot en was dus evenmin op de hoogte van de lopende proeftijd, zo voert de raadsvrouw aan. Ten aanzien van het bewijs voert de raadsvrouw uitsluitend bij het parketnummer betreffende de mishandeling van het vierde slachtoffer een verweer, inhoudende een verzoek tot partiele vrijspraak van het onderdeel dat ziet op het meermalen slaan. Voor de overige feiten worden geen bewijsverweren gevoerd. Ten aanzien van de strafmaat bepleit de raadsvrouw primair toepassing van artikel 9a Sr (schuldigverklaring zonder oplegging van straf), gelet op de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de lange duur van het voorarrest. Subsidiair verzoekt zij een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overstijgt.
Oordeel gerecht
Het meest principiele onderdeel van het vonnis betreft de beslissing op het ontvankelijkheidsverweer. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie in een brief van 4 april 2025 heeft vermeld dat is besloten de zaak voorwaardelijk te seponeren, onder de voorwaarde dat de verdachte zich gedurende een proeftijd van een jaar niet aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Bij de stukken bevindt zich geen akte van uitreiking. De rechtbank overweegt dat het Wetboek van Strafvordering een onderscheid maakt tussen het informele sepot en het formele sepot. Het informele sepot betreft de beslissing tot een voorwaardelijk sepot door politie of justitie op grond van artikel 167 Sv, in het stadium van het opsporingsonderzoek. De wet stelt aan deze vorm geen eisen ten aanzien van de wijze waarop de verdachte in kennis moet worden gesteld, en in de praktijk geschiedt dit bij gewone brief. Het formele sepot daarentegen is de beslissing om van verdere vervolging af te zien op de voet van artikel 242 lid 2 Sv, in de situatie dat een rechter reeds bij de zaak is betrokken. Die beslissing moet op grond van artikel 243 lid 1 jo. lid 3 Sv worden betekend aan de verdachte. De rechtbank stelt vast dat het in casu om een voorwaardelijk informeel sepot gaat, zodat betekening niet noodzakelijk is. Nu de beslissing de verdachte niet bekend was, is er evenmin sprake van opgewekt vertrouwen dat niet meer zou worden vervolgd. De rechtbank beslist hiermee uitdrukkelijk anders dan in het door de verdediging aangehaalde vonnis van 2 september 2024 en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk.
Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank dat voor alle feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 lid 3 laatste zin Sv, zodat wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Het bewijs steunt telkens op processen-verbaal van aangifte en verklaringen van de verdachte, afgelegd bij de politie dan wel ter terechtzitting.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
diefstal van een flesje water, een bounty en autodrop bij een tankstation te Zwolle op 4 april 2025
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een slachtoffer te Ermelo op 18 mei 2025, door met een scherf dreigende bewegingen te maken en te dreigen met neersteken
vernieling van serviesgoed en theeglazen toebehorend aan GGZ Centraal te Ermelo op 18 mei 2025
poging tot diefstal met geweld van een portemonnee te Harderwijk op 21 mei 2025
diefstal van vier repen chocolade en een ijsje bij een supermarkt te Zwolle op 23 mei 2025
mishandeling door het knijpen in de arm en slaan in het gezicht van een slachtoffer te Zwolle op 30 mei 2025
mishandeling door het slaan in het gezicht van een slachtoffer te Zwolle op 4 juni 2025
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een slachtoffer te Ermelo op 16 september 2025, door met een mes doodsbedreigingen te uiten
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 183 dagen met aftrek van het voorarrest, conform de eis van het Openbaar Ministerie. De rechtbank overweegt dat gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij weegt de rechtbank de aard van de feiten zwaar: de poging tot diefstal met geweld maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde, de bedreigingen met de dood tegen hulpverleners zijn zeer beangstigend voor de slachtoffers, en de mishandelingen betreffen plotseling geweld op klaarlichte dag tegen willekeurige personen op de openbare weg.
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater over en gaat uit van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdachte lijdt aan schizofrenie, een chronische posttraumatische stresstoornis en een lichte verstandelijke beperking, en deze stoornissen beinvloedden haar gedragskeuzes ten tijde van de feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid mee bij de straftoemeting, maar oordeelt dat toepassing van artikel 9a Sr onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De opgelegde straf van 183 dagen met aftrek van voorarrest betekent dat de verdachte niet hoeft terug te keren naar de gevangenis en zich kan richten op haar behandeling bij de Van der Hoevenkliniek, waar zij op basis van een zorgmachtiging verblijft.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij wijst de rechtbank een bedrag van euro 30,83 aan materiele schade toe wegens inkomstenderving, en stelt het smartengeld naar maatstaven van billijkheid vast op euro 500, lager dan het gevorderde bedrag van euro 700. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr op, met bepaling van vijf dagen gijzeling bij niet-betaling.
Lees hier de volledige uitspraak.
