Wetsvoorstel elektronisch bewijsmateriaal ingediend bij Tweede Kamer

Op 18 februari 2026 hadden alle EU-lidstaten de e-Evidence richtlijn (EU) 2023/1544 moeten omzetten in nationaal recht. Slechts vier landen haalden die deadline: Kroatië, Italië, Litouwen en Slowakije. Nederland behoort niet tot dat select gezelschap. Opmerkelijk, want ons land was juist een van de uitgesproken voorstanders van het e-Evidence pakket tijdens de Europese onderhandelingen.

Inmiddels is het wetsvoorstel, de Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (kamerstuk 36 905), ingediend bij de Tweede Kamer. De Memorie van Toelichting, het Voorstel van Wet en het advies van de Raad van State (gedateerd 14 januari 2026, gepubliceerd op 19 januari 2026) zijn nu openbaar.

Wat regelt het e-Evidence pakket?

Het Europese wetgevingspakket bestaat uit twee instrumenten: Verordening (EU) 2023/1543 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel, en Richtlijn (EU) 2023/1544 over de aanwijzing van geadresseerden bij dienstaanbieders.

De kern is eenvoudig maar ingrijpend: opsporingsinstanties in de EU krijgen de bevoegdheid om rechtstreeks en grensoverschrijdend bevelen te geven aan aanbieders van onlinediensten in andere lidstaten. Geen omslachtige rechtshulpverzoeken meer voor elk stukje elektronisch bewijsmateriaal. Het gaat om abonneegegevens, verkeersgegevens én inhoudelijke gegevens die door een dienstaanbieder worden opgeslagen. Denk aan communicatiediensten, platforms waarmee gebruikers gegevens opslaan, en diensten voor internetdomeinnamen en IP-nummering. Financiële diensten zijn expliciet uitgezonderd.

De verordening is van toepassing vanaf 18 augustus 2026. Dat is dus de harde deadline voor de praktijk, ook als de implementatiewet nog niet volledig door het parlement is.

Wat doet de Uitvoeringswet?

De Nederlandse implementatiewet heeft twee pijlers.

Pijler 1: De aanwijzing van geadresseerden

Iedere dienstaanbieder die diensten aanbiedt binnen de EU — maar niet uitsluitend in Nederland — moet een geadresseerde aanwijzen: een aangewezen vestiging (voor in de EU gevestigde aanbieders) of een wettelijke vertegenwoordiger (voor aanbieders buiten de EU, of aanbieders uit lidstaten die niet deelnemen aan de EU-instrumenten, zoals Denemarken). Die geadresseerde is het aanspreekpunt voor de ontvangst, naleving en tenuitvoerlegging van bevelen.

Dienstaanbieders die op 18 februari 2026 al actief zijn, krijgen tot 18 augustus 2026 de tijd om een geadresseerde aan te wijzen. Nieuwkomers hebben zes maanden na hun start.

Belangrijk: de wet geldt niet voor dienstaanbieders die in Nederland zijn gevestigd en uitsluitend diensten in Nederland aanbieden.

Pijler 2: Een nieuwe titel in het Wetboek van Strafvordering

Het wetsvoorstel voegt een nieuwe Titel 11 aan het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering toe, specifiek voor het Europees verstrekkingsbevel (EVB) en het Europees bewaringsbevel (EBB). Daarin worden de nationale bevoegdheden en procedurele kaders vastgelegd die de Verordening overlaat aan de lidstaten.

De rol van officier van justitie en rechter-commissaris

De wet maakt helder wie wat mag doen. Zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris kunnen een EVB of EBB uitvaardigen. Maar er is een belangrijk onderscheid:

Gaat het EVB over verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens, dan kan de officier van justitie het bevel alleen geven na een machtiging van de rechter-commissaris. Voor abonneegegevens en louter identificerende gegevens — die minder ingrijpend zijn voor de grondrechten van de betrokkene — is die rechterlijke machtiging niet vereist.

Dit onderscheid sluit aan bij de systematiek van de Verordening zelf, die voor de zwaardere categorieën gegevens strengere voorwaarden stelt, waaronder de eis dat het feit een maximumvrijheidsstraf van minimaal drie jaar kent.

De officier van justitie treedt tevens op als tenuitvoerleggingsautoriteit voor inkomende bevelen uit andere lidstaten. Hij ontvangt kennisgevingen (bij verkeers- en inhoudelijke gegevens), beslist over weigeringsgronden en erkent of weigert de tenuitvoerlegging van buitenlandse EVB's en EBB's. Tegen zijn erkenningsbeslissing kan de geadresseerde binnen twee weken bezwaar instellen bij dezelfde officier van justitie.

De rechtbank (behandeld door de raadkamer) beslist in de zogeheten toetsingsprocedure wanneer een dienstaanbieder stelt dat een EVB of EBB in strijd is met het recht van een derde land.

Toezicht en handhaving: de ACM als spil

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) krijgt een dubbele rol: zij is zowel de centrale autoriteit in de zin van de Richtlijn als de toezichthouder op de naleving van de aanwijzings- en kennisgevingsverplichtingen. De ACM heeft eerder een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd (aangeboden op 25 juli 2025), en de financiële gevolgen passen binnen het bestaande budgettaire kader.

Het toezicht is primair signaalgedreven: handhaaft de ACM alleen als zij signalen ontvangt van niet-naleving, in het bijzonder van (buitenlandse) bevoegde autoriteiten. De ACM houdt geen toezicht op de naleving van individuele bevelen — dat is voorbehouden aan de officier van justitie als tenuitvoerleggingsautoriteit.

De sancties zijn fors. De ACM kan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen tot de zesde categorie (ex art. 23 lid 4 Sr), of — indien dat meer is — 10% van de jaaromzet van de dienstaanbieder. Dit hogere maximum voor het niet aanwijzen van een geadresseerde is bewust gekozen: een dienstaanbieder die structureel geen geadresseerde aanwijst, maakt het per definitie onmogelijk om aan enig bevel te voldoen. Dat rechtvaardigt een hogere sanctionering dan het schenden van één enkel bevel.

Voor het niet-naleven van een concreet EVB of EBB geldt een strafrechtelijke sanctie: niet-voldoen aan een wettelijk voorschrift (art. 184 Sr, maximaal drie maanden gevangenisstraf), maar in afwijking daarvan kan aan de dienstaanbieder een geldboete worden opgelegd van maximaal 2% van de totale mondiale jaaromzet in het voorafgaande boekjaar — conform art. 15 lid 1 van de Verordening.

Het advies van de Raad van State: twee kritiekpunten

De Afdeling advisering van de Raad van State leverde advies op 14 januari 2026. Twee punten vielen op.

1. Rechtspersoonlijkheid

De Richtlijn spreekt bij de eerste twee categorieën dienstaanbieders expliciet van aanbieders "met rechtspersoonlijkheid". Het wetsvoorstel nam die beperking aanvankelijk niet over, waardoor de plicht potentieel ook gold voor dienstaanbieders zonder rechtspersoonlijkheid. De Raad van State vroeg om een toelichting of — bij gebrek aan goede reden — aanpassing. De regering heeft het wetsvoorstel en de toelichting aangepast. Zij gaat ervan uit dat als een dienstaanbieder een natuurlijke persoon is, die persoon zelf de geadresseerde is. In de praktijk zijn bij de regering geen dienstaanbieders in Nederland bekend die geen rechtspersoon zijn.

2. Bevoegdheden ACM (art. 5:18 Awb)

Het wetsvoorstel sloot bepaalde bevoegdheden van de ACM als toezichthouder al uit (last onder bestuursdwang, onderzoek van vervoermiddelen). De Raad van State wees erop dat ook de bevoegdheid om zaken te onderzoeken en monsters te nemen (art. 5:18 Awb) niet noodzakelijk lijkt voor dit type toezicht. De regering heeft dit advies opgevolgd: ook art. 5:18 Awb is nu uitgesloten van de toezichtsbevoegdheden van de ACM.

Technische infrastructuur: e-Codex

Voor de praktische uitvoering wordt gebruik gemaakt van e-Codex, het Europese systeem voor geautomatiseerde grensoverschrijdende gegevensuitwisseling in civiele en strafzaken. In Nederland beheert de Justitiële Informatiedienst het nationale toegangspunt. Zowel bevoegde autoriteiten als dienstaanbieders die in Nederland een geadresseerde hebben aangewezen, moeten tijdig op e-Codex zijn aangesloten — uiterlijk op 18 augustus 2026, de datum waarop de Verordening van kracht wordt.

Conclusie: te laat, maar inhoudelijk solide

Nederland is de implementatiedeadline van 18 februari 2026 niet gehaald. Dat is politiek pijnlijk voor een land dat het e-Evidence pakket actief heeft bepleit. Tegelijkertijd laat het wetsvoorstel zien dat de wetgever de materie serieus neemt: de taakverdeling tussen officier van justitie, rechter-commissaris en rechtbank is doordacht, de rol van de ACM is helder gepositioneerd, en de opmerkingen van de Raad van State zijn — terecht — opgevolgd.

De echte test komt op 18 augustus 2026, als de Verordening van toepassing wordt en Nederlandse opsporingsinstanties daadwerkelijk Europese verstrekkings- en bewaringsbevelen kunnen uitvaardigen. Of de wet dan al in werking is getreden, hangt af van de parlementaire behandeling.

Print Friendly and PDF ^