Procesafspraken afgewezen: rechtbank verlangt inhoudelijke behandeling van fiscale fraudezaak

Rechtbank Amsterdam 29 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1235

Dit betreft een fiscale fraudezaak waarin de verdachte wordt verweten dat hij aangiften omzetbelasting over 2020 niet tijdig indient en aanzienlijke bedragen aan zijn ondernemingen onttrekt. Het Openbaar Ministerie en de verdediging sluiten procesafspraken met een voorstel tot twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij een benadelingsbedrag van circa 603.000. De officier van justitie stelt dat zonder afspraken een hogere straf, ongeveer zes maanden onvoorwaardelijk, zou zijn geëist. De verdediging verzoekt daarnaast om omzetting van de gevangenisstraf in elektronisch toezicht, hetgeen wettelijk niet mogelijk blijkt. De rechtbank oordeelt dat de voorgestelde bewezenverklaring en strafmaat geen recht doen aan het dossier en dat geen volledige overeenstemming bestaat over kwalificatie en straf. De zaak wordt daarom aangehouden en verwezen naar een andere zittingscombinatie voor inhoudelijke behandeling.

Context van de zaak

Deze zaak speelt zich af bij de Rechtbank Amsterdam en betreft een strafrechtelijke procedure tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1983, woonachtig te Amsterdam. De verdachte staat terecht in een zaak waarin fiscale onregelmatigheden centraal staan. Uit het dossier blijkt dat het gaat om het niet, althans niet tijdig, indienen van aangiften omzetbelasting over meerdere kwartalen in 2020, alsmede om aanzienlijke onttrekkingen uit ondernemingen.

De zaak wordt behandeld door een meervoudige kamer voor strafzaken. De officier van justitie vertegenwoordigt het Openbaar Ministerie. De verdachte wordt bijgestaan door een advocaat te Amsterdam. Ter zitting blijkt dat het Openbaar Ministerie en de verdediging voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling procesafspraken hebben gemaakt, welke zijn neergelegd in een schriftelijke overeenkomst en aan de rechtbank zijn voorgelegd.

De verdenking ziet op het niet tijdig indienen van aangiften omzetbelasting over het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2020. Een deel van deze aangiften wordt pas ingediend nadat de Belastingdienst reeds ambtshalve aanslagen heeft opgelegd. Volgens het Openbaar Ministerie worden deze latere indieningen niet meer aangemerkt als rechtsgeldige aangiften, maar als bezwaarschriften tegen de ambtshalve aanslagen. Daarnaast is sprake van onttrekkingen uit de ondernemingen van verdachte voor een totaalbedrag van ongeveer 1.200.000. Het benadelingsbedrag wordt door het Openbaar Ministerie begroot op circa 603.000.

De verdachte beroept zich ter terechtzitting op zijn zwijgrecht, conform hetgeen in de procesafspraken is opgenomen. Hij verklaart dat hij achter deze afspraken staat en dat hij begrijpt wat de gevolgen daarvan zijn. Over de inhoud van het dossier en met name over de benadeling van schuldeisers wenst hij geen nadere verklaringen af te leggen.

Tenlastelegging

Hoewel het proces-verbaal geen integrale tenlastelegging bevat, blijkt uit de behandeling ter zitting dat de verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk de aangiften omzetbelasting over meerdere kwartalen in 2020 niet, althans niet tijdig, indient en daarmee de Belastingdienst benadeelt. Daarnaast wordt hem verweten dat hij aanzienlijke bedragen aan zijn ondernemingen onttrekt, hetgeen leidt tot benadeling van schuldeisers en mogelijk tot faillissementen.

De kern van het verwijt ziet op fiscale fraude, bestaande uit het niet voldoen aan de wettelijke verplichting tot tijdige en juiste aangifte van omzetbelasting.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie licht toe dat uit het dossier, in het bijzonder uit document DOC-006, volgt dat de aangiften omzetbelasting over het eerste en vierde kwartaal van 2020 via internet zijn ingediend en die over het tweede en derde kwartaal via e-herkenning. De aangiften over het eerste, tweede en vierde kwartaal zijn echter ingediend nadat reeds ambtshalve aanslagen zijn opgelegd. Deze worden daarom formeel niet als aangiften aangemerkt, maar als bezwaarschriften.

De officier van justitie erkent ter zitting dat de naheffingsaanslagen zich niet in het dossier bevinden en dat deze ook niet tijdig van de FIOD zijn ontvangen. Desondanks stelt hij zich op het standpunt dat op basis van het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de aangiften in ieder geval niet binnen de wettelijke termijn zijn ingediend.

Ten aanzien van het benadelingsbedrag hanteert het Openbaar Ministerie een bedrag van circa 603.000. Hoewel in totaal 1.200.000 aan de ondernemingen is onttrokken, merkt de officier van justitie niet alle onttrekkingen als nadeel aan, aangezien de ondernemingen in bepaalde perioden winstgevend zijn.

In het kader van de procesafspraken komen het Openbaar Ministerie en de verdediging een strafvoorstel overeen van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De officier van justitie merkt op dat, indien geen procesafspraken tot stand zouden zijn gekomen, hij vermoedelijk een aanzienlijk hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben geëist, te weten ongeveer zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bevestigt dat het initiatief tot het maken van procesafspraken bij het Openbaar Ministerie ligt. Na overleg tussen cliënt en raadsman en diverse besprekingen met het Openbaar Ministerie wordt een overeenkomst bereikt. De verdachte verklaart dat hij het proces en de inhoud van de afspraken begrijpt en dat hij daar volledig achter staat.

In de procesafspraken wordt uitgegaan van een benadelingsbedrag van ruim 600.000. Tevens wordt gerefereerd aan eerdere betrokkenheid van verdachte bij fraude waarbij ondernemingen failliet gaan na onttrekkingen. De verdachte wenst hierover geen verklaring af te leggen.

De verdediging voert ter zitting aan dat zij, ondanks instemming met de overeengekomen gevangenisstraf van twee maanden onvoorwaardelijk, de rechtbank verzoekt om te bepalen dat deze straf in de executiefase wordt omgezet in elektronisch toezicht door middel van een enkelband. De rechtbank merkt op dat een dergelijke omzetting binnen het huidige wettelijke kader niet mogelijk is. De raadsman geeft aan in de veronderstelling te hebben verkeerd dat dit wel tot de mogelijkheden behoort.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden voert de verdediging aan dat verdachte in loondienst werkzaam is en onder bewind staat. Hij beschikt niet over vermogensbestanddelen waarop verhaal mogelijk is en ontvangt leefgeld via zijn bewindvoerder. Er loopt een schuldhulpverleningstraject.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beoordeelt allereerst de aan haar voorgelegde procesafspraken. Zij stelt vast dat de voorgestelde bewezenverklaring, zoals neergelegd in het afdoeningsvoorstel, op voorhand geen recht lijkt te doen aan de overgelegde bewijsmiddelen in het dossier. Met andere woorden, de rechtbank acht de feitelijke en juridische onderbouwing van de voorgestelde bewezenverklaring onvoldoende overtuigend in het licht van het beschikbare bewijs.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de voorgestelde strafmaat van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voorhand niet passend lijkt bij de ernst van de voorgestelde bewezenverklaring. De rechtbank betrekt daarbij onder meer de hoogte van het benadelingsbedrag en de oriëntatiepunten voor straftoemeting bij fraudezaken, die bij een benadelingsbedrag van ruim 600.000 uitgaan van een gevangenisstraf van 18 tot 20 maanden.

Voorts constateert de rechtbank dat er geen volledige overeenstemming lijkt te bestaan tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging over de precieze inhoud van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafmaat. Dat ondermijnt het karakter van de procesafspraken als een gedragen en consistente basis voor afdoening.

De rechtbank wijst de procesafspraken af en besluit de zaak niet af te doen conform het voorliggende voorstel.

De voorgestelde straf van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt niet overgenomen, nu de rechtbank de procesafspraken niet aanvaardt en de zaak niet inhoudelijk afdoet.

De rechtbank schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd en verwijst de zaak naar een andere zittingscombinatie binnen dezelfde rechtbank voor een inhoudelijke behandeling. Daarbij bepaalt zij dat voor de volgende zitting ten minste 180 minuten worden gereserveerd en beveelt zij de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

De rechtbank benadrukt dat het het Openbaar Ministerie en de verdediging vrijstaat om opnieuw in overleg te treden en de procesafspraken en het onderliggende dossier aan te vullen of te wijzigen, teneinde deze aan een volgende zittingscombinatie voor te leggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^