Veroordeling voor medeplegen van faillissementsfraude na procesafspraken: feitelijk leidinggever onttrekt goederen en geldbedragen aan de boedel van twee failliete vennootschappen

Rechtbank Oost-Brabant 4 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4443

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een bestuurder voor het medeplegen van faillissementsfraude, waaraan hij als feitelijk leidinggever uitvoering heeft gegeven. De zaak wordt afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, die de rechtbank toetst aan het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022. De verdachte heeft als bestuurder van twee in 2017 failliet verklaarde vennootschappen goederen en geldbedragen aan de boedel onttrokken, waardoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld. Het gaat onder meer om de overdracht van personeel en klantenbestand zonder vergoeding en om overboekingen van honderdduizenden euro's tussen G-rekeningen. De rechtbank weegt mee dat sprake is van oude feiten en van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaren. In overeenstemming met het afdoeningsvoorstel legt de rechtbank een taakstraf van 300 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden met een proeftijd van drie jaren op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1964. De zaak draait om een rechtspersoon die bestuurder is van twee vennootschappen die bij vonnis van de rechtbank Limburg van 4 april 2017 in staat van faillissement zijn verklaard. Aan de verboden gedragingen van die bestuurder-rechtspersoon heeft de verdachte feitelijke leiding gegeven. De gedragingen spelen zich af in de periode van 1 september 2016 tot en met 9 februari 2018, op verschillende plaatsen in Nederland en in Hoogstraten in België. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. Het vonnis wordt op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2025 en 4 juni 2026. Op 27 mei 2026 sluiten het Openbaar Ministerie en de verdediging een overeenkomst met procesafspraken en een afdoeningsvoorstel, dat zij gezamenlijk aan de rechtbank voorleggen. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die overeenkomst.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan faillissementsfraude, gepleegd door de bestuurder-rechtspersoon van de twee failliete vennootschappen. Primair is ten laste gelegd dat die rechtspersoon, telkens tezamen en in vereniging met anderen, als bestuurder van de failliete vennootschappen voor en tijdens het faillissement goederen en activa aan de boedel heeft onttrokken en schuldeisers wederrechtelijk heeft bevoordeeld, terwijl zij wist dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, en dat de verdachte daaraan opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. Subsidiair is aan de verdachte het medeplegen van diezelfde feiten ten laste gelegd. De onttrekkingen bestaan onder meer uit de overdracht van activa, werknemers en klantenbestand zonder vergoeding, het overboeken van geldbedragen tussen G-rekeningen, het verrekenen en afboeken van vorderingen met schulden die in het zicht van het faillissement zijn gecreëerd, en het selectief voldoen van schuldeisers. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht (bedrieglijke bankbreuk), in samenhang met de bepalingen over medeplegen en feitelijke leidinggeven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert, overeenkomstig het met de verdediging gesloten afdoeningsvoorstel, ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit een taakstraf voor de duur van 300 uren met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met een proeftijd van drie jaren. De procesafspraken houden onder meer in dat het Openbaar Ministerie volstaat met een relatief gematigde strafeis en geen ontnemingsvordering aanhangig maakt, en dat beide partijen afzien van hoger beroep indien de rechtbank de procesafspraken op hoofdlijnen volgt.

Standpunt van de verdediging

In het kader van de procesafspraken voert de verdediging geen rechtmatigheids- of bewijsverweren, dient zij geen onderzoekswensen in en trekt zij eerder ingediende onderzoekswensen in. De verdediging voert geen strafmaatverweer.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Bij de beoordeling van het afdoeningsvoorstel gaat de rechtbank uit van het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252. Zij constateert dat partijen onderkennen dat de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend blijven en dat de rechtbank geen partij is bij en niet gebonden is aan de procesafspraken. Ter terechtzitting van 4 juni 2026 toetst de rechtbank of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en met rechtskundige bijstand aan de afspraken heeft meegewerkt en of hij de inhoud en de gevolgen daarvan begrijpt. De rechtbank komt tot de overtuiging dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig heeft besloten mee te werken, zich bewust is van de rechtsgevolgen en van de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, en dat is voldaan aan de eisen van artikel 6 EVRM. Bij het strafmaximum overweegt de rechtbank dat de tenlastelegging één feit omvat dat meermalen is gepleegd, terwijl de afzonderlijke gedragingen elk als zelfstandig strafbaar feit hadden kunnen worden ten laste gelegd, met voor elk feit een taakstraf van ten hoogste 240 uren. Omdat de keuze van de officier van justitie om de gedragingen als één feit, meermalen gepleegd, ten laste te leggen volgens de rechtbank dezelfde rechtsgevolgen heeft, acht zij zich niet gebonden aan het maximum van 240 uren van artikel 22c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en ziet zij ruimte dat maximum te overschrijden. De rechtbank oordeelt dat de voorgestelde straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en de overige betrokken belangen, waarbij zij in het bijzonder gewicht toekent aan de schulderkenning die de verdachte en zijn medeverdachte in een afzonderlijke overeenkomst met de curator zijn overeengekomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de bestuurder-rechtspersoon, telkens tezamen en in vereniging met anderen, als bestuurder van de twee failliete vennootschappen voor en tijdens het faillissement goederen en activa aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, en dat de verdachte daaraan telkens feitelijke leiding heeft gegeven. De onttrekkingen bestaan uit:

  • het overdragen van het werknemers- en klantenbestand van de failliete vennootschappen aan andere vennootschappen, zonder dat daarvoor een vergoeding is betaald;

  • het overmaken van een totaalbedrag van 128.378,43 euro van de G-rekening van de ene failliete vennootschap naar de G-rekening van een gelieerde vennootschap;

  • het overmaken van een totaalbedrag van 361.772,47 euro van de G-rekening van de andere failliete vennootschap naar de G-rekening van diezelfde gelieerde vennootschap;

  • het verrekenen en afboeken van vorderingen van de ene failliete vennootschap op vennootschappen met schulden aan vennootschappen, terwijl die schulden in het zicht van het faillissement zijn gecreëerd;

  • het verrekenen en afboeken van vorderingen van de andere failliete vennootschap op vennootschappen met schulden aan vennootschappen, terwijl die schulden in het zicht van het faillissement zijn gecreëerd;

  • het door gelieerde vennootschappen laten betalen van een totaalbedrag van 1.055.287,83 euro op een schuld van de failliete vennootschappen aan een schuldeiser, waarbij in het zicht van en tijdens het faillissement een schuld aan gelieerde vennootschappen is gecreëerd die is verrekend met vorderingen op die vennootschappen.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Het bewezenverklaarde levert op het medeplegen van het als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor en tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken, terwijl de verdachte aan de verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een taakstraf op voor de duur van 300 uren, subsidiair 150 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van twee uur per in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag. Daarnaast legt zij een gevangenisstraf op voor de duur van tien maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij de strafmotivering betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en het feit dat de verdachte als feitelijk leidinggever zijn eigen financiële belangen boven die van de schuldeisers heeft geplaatst. Zij weegt mee dat het gaat om oude feiten uit de periode van 1 september 2016 tot en met 9 februari 2018 en dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM met bijna vier jaren is overschreden. Verder houdt de rechtbank rekening met de vaststellingsovereenkomst die de medeverdachte met de curator heeft getroffen en met de afspraken die de verdachte vervolgens met de medeverdachte heeft gemaakt om naar draagkracht aan die schikking bij te dragen. De rechtbank wijkt niet af van de eis van het Openbaar Ministerie en legt de straf op in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel. De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Medeverdachte

Rechtbank Oost-Brabant 4 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4441

Aan de verboden gedragingen van die bestuurder-rechtspersoon heeft de verdachte feitelijke leiding gegeven. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden met een proeftijd van drie jaren op. Zij weegt mee dat de redelijke termijn met bijna vier jaren is overschreden en dat de verdachte een schikking met de curator heeft getroffen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^