Faillissementsfraude: hof legt achttien maanden cel op voor ontbrekende administratie en onttrekking van ruim € 350.000 aan twee vennootschappen
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3365
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt op 27 mei 2026 een bestuurder voor faillissementsfraude tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachte voert geen sluitende administratie en stelt deze niet terstond ter beschikking van de curator van de gefailleerde vennootschap. Daarnaast onttrekt hij ruim € 350.000 aan de boedel, terwijl hij weet dat de Belastingdienst, het pensioenfonds en het UWV daardoor in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Via een opvolgende vennootschap maakt hij bovendien ruim € 280.000 rechtstreeks over naar zijn privérekening met het oogmerk zichzelf te bevoordelen. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij geen enkel inzicht toont in de strafwaardigheid van zijn handelen en de schuld steeds buiten zichzelf legt. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot € 32.799,55, het onbetaalde salaris van de curator, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Inleiding en context
De zaak speelt voor de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, en betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2025. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1981 in Iran. Hij is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en meerdere bijzondere voorwaarden. De verdachte stelt hoger beroep in tegen dat vonnis. Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet opnieuw recht.
De zaak draait om faillissementsfraude rond een vennootschap die op 19 juli 2022 failliet is verklaard en waarvan de verdachte sinds mei 2020 enig bestuurder is. Kort na de faillietverklaring blijkt de verdachte onbereikbaar voor de curator. Opvallend aan de procesgang is dat in een zaak met dit financiële nadeel en deze ernst is gedagvaard bij de politierechter, hetgeen de advocaat-generaal verklaart uit het oogpunt van een snelle afdoening, in de wetenschap dat de politierechter geen hogere gevangenisstraf dan twaalf maanden kan opleggen. Doordat de verdachte hoger beroep instelt, voltrekt zich het risico van een hogere straf dan in eerste aanleg is geëist en opgelegd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig maakt aan drie faillissementsdelicten. Onder feit 1 wordt hem verweten dat hij als bestuurder van de gefailleerde vennootschap tijdens het faillissement opzettelijk niet terstond een overeenkomstig de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie aan de curator verstrekt, en dat hij voor of tijdens het faillissement opzettelijk niet voldoet aan de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie, waardoor de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt. Dit feit is toegesneden op artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht en het administratievereiste van artikel 2:10 BW.
Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij als bestuurder van diezelfde vennootschap voor of tijdens het faillissement geldbedragen aan de boedel onttrekt en buitensporige middelen vervreemdt, terwijl hij weet dat daardoor schuldeisers, te weten de Belastingdienst, het Pensioenfonds Metaal en Techniek en het UWV, in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Het gaat in de periode van 20 juli 2021 tot en met 20 juli 2022 om een totaalbedrag van ongeveer € 353.311,38, bestaande uit onder meer contante opnames van € 200.948,50, privébetalingen van € 41.668,35, huur van een woning in Spanje, leasebetalingen, betalingen aan een ex-partner en aan een zus, en overboekingen naar de eigen privérekening.
Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij als bestuurder van een opvolgende vennootschap buitensporige middelen vervreemdt met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan die rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt en het voortbestaan in gevaar komt. Hij maakt daartoe in totaal € 281.654,60 rechtstreeks over van de bankrekening van die vennootschap naar zijn privérekening. Dit feit is toegesneden op artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hij vordert een gevangenisstraf van achttien maanden, het opheffen van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 32.799,55, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 voert zij aan dat de verdachte geen opzet heeft op het niet verstrekken van de administratie aan de curator, nu de boekhouder over de administratie van de vennootschap beschikt en deze niet wil afgeven. Ten aanzien van feit 2 betoogt zij dat de verdachte niet het doel heeft zichzelf te bevoordelen, maar de gelden aanwendt om personeel zwart te betalen, werkzaamheden in een nieuw opgerichte vennootschap voort te zetten en uiteindelijk schulden te kunnen voldoen. Ten aanzien van feit 3 voert zij aan dat de verdachte geen oogmerk heeft zichzelf te bevoordelen, omdat hij de gelden aanwendt ter voortzetting van zijn onderneming in Spanje en ter afdekking van acute financiële tekorten, zodat slechts sprake is van financieel onzorgvuldig handelen en niet van opzet. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu geen sprake is van rechtstreeks toegebrachte schade en de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
Oordeel gerecht
Het hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig en twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan.
Ten aanzien van feit 1 stelt het hof vast dat de verdachte ten tijde van het faillissement enig feitelijk en formeel bestuurder is van de gefailleerde vennootschap en daarmee verantwoordelijk is voor het voeren en bewaren van de administratie. De curator ontvangt nooit een volledige administratie; hij ontvangt slechts enkele losse stukken en via de boekhouder enige loonadministratie. Deze stukken kwalificeren niet als een administratie in de zin van artikel 2:10 BW: er ontbreken onder meer stukken van contante betalingen, een jaarrekening, een kolommenbalans en een kasboek. Gelet op de door de verdachte erkende zwarte loonbetalingen kan bovendien ook niet van een juiste en volledige loonadministratie worden gesproken. Het hof oordeelt dat de verdachte opzettelijk verzuimt een sluitende administratie te voeren en deze terstond aan de curator te verstrekken.
Ten aanzien van feit 2 stelt het hof vast dat de vennootschap reeds in mei 2021 kampt met een belastingschuld van ruim € 200.000, een schuld van circa € 16.000 bij het pensioenfonds en daarnaast een schuld bij het UWV. De verdachte weet blijkens de verklaring van een getuige al in 2020 van het bestaan van een behoorlijke belastingschuld. Ondanks die wetenschap blijft hij grote contante bedragen opnemen en privébetalingen verrichten vanaf de bankrekening van de vennootschap, in totaal € 353.311,38, zonder deze in een rekening-courantverhouding te verwerken. De verdachte erkent ter zitting dat hij feitelijk geld van de Belastingdienst in een nieuwe onderneming in Spanje investeert die geen enkele zakelijke verhouding met de gefailleerde vennootschap heeft. Het hof betrekt daarbij dat het faillissement niet op zichzelf lijkt te staan, maar onderdeel is van een patroon: een eerdere vennootschap van de verdachte is in 2020 eveneens failliet verklaard met een aanzienlijke belastingschuld, en de activiteiten worden telkens voortgezet in een nieuw opgerichte vennootschap. Het hof concludeert dat de verdachte de vennootschap willens en wetens gebruikt als financier voor zijn eigen privéwensen en daarbij weet dat hij meerdere schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeelt.
Ten aanzien van feit 3 verwerpt het hof het verweer dat het oogmerk tot bevoordeling ontbreekt. De opvolgende vennootschap wordt pas kort na het faillissement actief en is volgens de eigen verklaring van de verdachte in feite een voortzetting van de gefailleerde onderneming. De verdachte verklaart dat hij de € 281.654,60 aanwendt voor de kosten van het huis van zijn vriendin, kosten in Spanje, dagelijks tanken en het huren van dure auto's, en voor de opbouw van een nieuw leven en een nieuwe handel in kaviaar in Spanje. Daarmee weerspreekt de verdachte zelf het verweer dat de gelden zouden zijn aangewend voor een doorstart van de onderneming in zonnepanelen. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte het oogmerk heeft zichzelf en zijn andere onderneming in Spanje te bevoordelen.
Het hof acht de drie feiten wettig en overtuigend bewezen en kwalificeert deze als faillissementsdelicten in de zin van de artikelen 344a, 343 en 347 van het Wetboek van Strafrecht.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen:
dat de verdachte als bestuurder van de gefailleerde vennootschap tijdens het faillissement desgevraagd opzettelijk niet terstond de overeenkomstig de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie aan de curator verstrekt, en voor het faillissement opzettelijk niet voldoet aan de wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie, waardoor de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt (feit 1);
dat de verdachte als bestuurder van diezelfde vennootschap, wetende dat daardoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon vervreemdt tot een bedrag van € 353.311,38 (feit 2);
dat de verdachte als bestuurder van een opvolgende vennootschap, buiten het geval van de artikelen 342 en 343, buitensporig middelen vervreemdt met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt en het voortbestaan in gevaar komt, door € 281.654,60 over te maken naar zijn privérekening (feit 3).
Het hof spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. Het hof overweegt dat de verdachte zichzelf bevoordeelt en schuldeisers benadeelt, de curator bemoeilijkt in de afwikkeling van het faillissement en een opvolgende vennootschap richting een faillissement brengt, waarmee hij inbreuk maakt op het openbaar krediet en het vertrouwen in de kredietverlening. Het hof heeft de stellige indruk dat de verdachte geen enkel inzicht heeft in de strafwaardigheid van zijn handelen en de schuld steeds buiten zichzelf legt, terwijl hij een spoor van financiële vernieling achterlaat. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom volgens het hof de enige passende straf. Het hof acht een straf conform de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de vordering van de advocaat-generaal passend en geboden en ziet, gelet op de aard en de ernst van de feiten, geen reden voor een lichtere straf. Omdat de verdachte na de onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere overtredingen, past het hof artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toe.
Over de gevorderde opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis doet het hof geen uitspraak, nu het geschorste bevel reeds door de politierechter is opgeheven en gevangenneming niet is gevorderd.
De benadeelde partij, de curator, vordert een schadevergoeding van € 415.199,62 wegens materiële schade. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks schade lijdt tot een bedrag van € 32.799,55, bestaande uit het onbetaalde salaris van de curator, en wijst de vordering tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2022. Het hof legt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op, met een gijzeling van ten hoogste 167 dagen. Voor het overige verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat dat deel van de vordering een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert en bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Lees hier de volledige uitspraak.
