Hoge Raad verklaart gedelegeerd Europees aanklager niet-ontvankelijk in cassatieberoep tegen een beklagbeschikking over beslag ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel
/Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1739
De Hoge Raad verklaart de gedelegeerd Europees aanklager niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam in een beklagprocedure over beslag op twee auto’s van een vennootschap. Het beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel van de Belgische autoriteiten in een onderzoek naar btw-fraude. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om het klaagschrift te behandelen en bepaalt dat het wordt doorgezonden naar de rechtbank Noord-Holland. Artikel 5.5.18 Sv verklaart enkele bepalingen over het beklag van overeenkomstige toepassing; artikel 552d lid 2 Sv, dat het cassatieberoep regelt, hoort daar niet bij. Omdat tegen beschikkingen op grond van artikel 445 Sv alleen cassatieberoep openstaat in de bij wet bepaalde gevallen, en ook geen andere wet daarin voorziet, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Een recht op cassatie volgt evenmin uit de regeling over grensoverschrijdende onderzoeken en rechterlijke toetsing in de EOM-verordening.
Achtergrond
De klaagster is een rechtspersoon, een besloten vennootschap. De zaak betreft een beklagprocedure op grond van artikel 5.5.18 in samenhang met artikel 552a Sv; een tenlastelegging, veroordeling of opgelegde straf is niet aan de orde.
Op 5 februari 2025 worden ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel van de Belgische autoriteiten twee auto’s van het merk Tesla, met bijbehorende kentekens en sleutels, onder de klaagster in beslag genomen. Als grondslag noemt de rechtbank artikel 31 lid 6 van Verordening (EU) 2017/1939 in verbinding met Verordening (EU) 2018/1805, artikel 94a lid 2 Sv en een machtiging als bedoeld in artikel 103 Sv. Het bevriezingscertificaat van de Belgische autoriteiten van 7 februari 2025, als bedoeld in de artikelen 4 en 6 van Verordening (EU) 2018/1805, beschrijft beide voertuigen als ingeschreven op naam van de klaagster. Het onderzoek betreft een verdenking van btw-fraude.
De klaagster dient een klaagschrift in dat strekt tot teruggave van de auto’s, waarop conservatoir beslag rust. De rechtbank Amsterdam verklaart zich bij beschikking van 26 maart 2026 onbevoegd en bepaalt dat de griffier het klaagschrift doorzendt aan de rechtbank Noord-Holland. De gedelegeerd Europees aanklager stelt daartegen cassatieberoep in.
Cassatiemiddelen
De gedelegeerd Europees aanklager stelt bij schriftuur cassatiemiddelen voor. De uitspraak geeft de inhoud daarvan niet weer. Volgens de conclusie gaat het om twee middelen die opkomen tegen de onbevoegdverklaring door de rechtbank. De advocaat-generaal Frielink concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de gedelegeerd Europees aanklager.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad beoordeelt alleen de ontvankelijkheid. In rechtsoverweging 2.4 citeert hij artikel 445 Sv, artikel 552d lid 2 Sv, artikel 5.5.18 Sv en artikel 144a lid 1 RO, op grond waarvan de bevoegdheden van de officier van justitie en het Openbaar Ministerie toekomen aan de gedelegeerd Europees aanklager.
In rechtsoverweging 2.5 stelt de Hoge Raad vast dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de auto’s in beslag zijn genomen ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel. Artikel 5.5.18 Sv verklaart enkele bepalingen uit Titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing; artikel 552d lid 2 Sv hoort daar niet bij.
In rechtsoverweging 2.6 overweegt de Hoge Raad dat tegen beschikkingen op grond van artikel 445 Sv alleen cassatieberoep openstaat in de gevallen die het wetboek bepaalt. Het wetboek bevat geen bepaling die cassatieberoep openstelt tegen een beschikking als deze, en ook in een andere wet is zo’n bepaling niet te vinden. Een recht op cassatie volgt evenmin uit de regeling in Verordening (EU) 2017/1939 over grensoverschrijdende onderzoeken en de rechterlijke toetsing van procedurele handelingen van het Europees Openbaar Ministerie, waarbij de Hoge Raad verwijst naar artikel 31 en artikel 42 lid 1 en naar de overwegingen 87 en 88 van de preambule. De Hoge Raad kan het cassatieberoep daarom niet in behandeling nemen en komt niet toe aan de cassatiemiddelen.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Geen cassatie mogelijk bij beslag op basis van Europees bevriezingsbevel, 25 september 2025
EOM Beslag op buitenlandse rekeningen en landbouwgronden houdt stand ondanks beroep op artikel 6 EVRM, 27 februari 2026
Cassatie leidt tot herkansing voor buitenlandse vennootschap: verkeerde wettelijke grondslag bij beslagklacht, 15 januari 2026
