Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over toewijzing van affectieschade aan een uitwonende stiefzoon
/Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1722
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer is veroordeeld voor doodslag op een lid van een vrijgezellengroep, die hij op 9 juli 2022 in Groningen met een vuurwapen in de buik schiet. Het hof wijst de vordering tot vergoeding van affectieschade van de meerderjarige, uitwonende stiefzoon van het slachtoffer gedeeltelijk toe op grond van de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW. Het derde cassatiemiddel klaagt dat de stiefzoon niet als naaste in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt. De Hoge Raad herhaalt aan de hand van de wetsgeschiedenis dat de kring van gerechtigden beperkt is en dat een andere persoon een hechte affectieve relatie moet aantonen, waarbij de intensiteit, de aard en de duur van de relatie van belang zijn. Het oordeel van het hof dat de omstandigheden van de stiefzoon, die het slachtoffer als zijn vader zag en pas twee maanden voor het feit op zichzelf is gaan wonen, een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De overige middelen worden afgedaan met artikel 81 lid 1 RO en de overschrijding van de redelijke termijn blijft zonder rechtsgevolg.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1998. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem op 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3357). Volgens de inleiding van de conclusie van de advocaat-generaal veroordeelt het hof hem wegens doodslag, poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, tot een gevangenisstraf van vijftien jaren met aftrek van voorarrest. Het hof beslist daarnaast op acht vorderingen van benadeelde partijen en legt in verband daarmee schadevergoedingsmaatregelen op. Voor de doodslag vermeldt de inhoudsindicatie artikel 287 Sr; de toepasselijke wetsartikelen voor de poging tot doodslag blijken niet uit de aangeleverde stukken.
Uit de conclusie blijkt dat een groep mannen uit Friesland op 9 juli 2022 voor een vrijgezellenfeest in Groningen is en dat enkele leden van die groep een aanvaring krijgen met de verdachte. De verdachte gaat daarna met een vuurwapen de confrontatie aan en schiet vijf keer in de richting van leden van de groep. Het slachtoffer wordt door het eerste schot in de buik geraakt en overlijdt. Twee andere leden raken gewond aan hun armen.
De meerderjarige stiefzoon van het slachtoffer voegt zich als benadeelde partij met een vordering van € 17.500 ter vergoeding van affectieschade en beroept zich op de hardheidsclausule. Hij woont ten tijde van het feit sinds twee maanden op zichzelf. De verdediging verzoekt in hoger beroep de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens onevenredige belasting van het strafgeding, artikel 361 lid 3 Sv, en voert aan dat stiefzonen niet tot de wettelijke categorieën behoren en dat de onderbouwing van een nauwe affectieve relatie te summier is. Het hof oordeelt dat de advocaat van de benadeelde partij concreet heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een hechte affectieve relatie, die de verdediging slechts in zeer beperkte mate heeft betwist. In verband met een geslaagd beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW wijst het hof € 15.750 toe, vermeerderd met de wettelijke rente, legt het de schadevergoedingsmaatregel op en wijst het de vordering voor het overige af.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stellen de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo drie cassatiemiddelen voor. De inhoud van het eerste en het tweede middel blijkt niet uit het arrest.
Het derde middel klaagt over de gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de stiefzoon en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat hij kan worden aangemerkt als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW.
Namens de benadeelde partij dient de advocaat R. Spoelstra een verweerschrift in. De advocaat-generaal D.J.C. Aben concludeert tot verwerping van het beroep (ECLI:NL:PHR:2026:830).
Beoordeling Hoge Raad
Het eerste en het tweede middel kunnen niet tot vernietiging leiden. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de beoordeling geen vragen vergt die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO.
Bij het derde middel geeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 de tekst van de artikelen 6:107 en 6:108 BW en de wetsgeschiedenis weer. Daaronder is de passage uit de nota naar aanleiding van het verslag dat stief- en pleegkinderen onder onderdeel f vallen zolang zij in gezinsverband met de gekwetste leven, en dat hun daarna mogelijk een beroep op onderdeel g toekomt, waarbij wordt gedacht aan meerderjarige stiefkinderen met een relatie die vergelijkbaar is met die van de gekwetste tot zijn andere kinderen. Ook geeft hij weer dat de naaste de nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk moet maken en dat biologische verwantschap daarvoor niet is vereist.
In rechtsoverweging 3.4.1 en 3.4.2 stelt de Hoge Raad voorop dat de wetgever de kring van gerechtigden heeft beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Tot die kring behoort ook de andere persoon, niet genoemd onder a tot en met f, die een hechte affectieve relatie aantoont, met als relevante factoren de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hij verwijst daarbij naar HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.
In rechtsoverweging 3.5.1 vat de Hoge Raad de onderbouwing van de vordering samen. De stiefzoon maakt in 2015 kennis met het slachtoffer, dat eerst in de weekenden komt logeren en later bij hem en zijn moeder komt wonen. Zijn biologische vader is al lange tijd niet in beeld en hij ziet het slachtoffer als zijn vader en als zijn steun en toeverlaat. Het slachtoffer helpt hem tijdens een periode met problemen op school, mentale problemen en drugsgebruik. Na lange tijd samenwonen gaat hij twee maanden voor het feit op zichzelf wonen, waarbij het slachtoffer een grote rol speelt bij het zoeken naar een woning. Daarna houdt hij veel appcontact met het slachtoffer en bezoekt hij in de weekenden zijn moeder en het slachtoffer.
Het oordeel van het hof dat deze omstandigheden zo uitzonderlijk zijn dat zij een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen, getuigt volgens de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5.2, in het licht van de wetsgeschiedenis en tegen de achtergrond van wat in rechtsoverweging 3.4 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het derde middel faalt.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de beperkte mate van overschrijding volstaat de Hoge Raad met dat oordeel en verbindt hij er geen ander rechtsgevolg aan.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Vergoeding van misdrijfschade: naar een trauma-geïnformeerde aanpak, 13 mei 2026
Meerjarenagenda Slachtofferbeleid zorgt voor meer recht doen aan slachtoffers, 27 juni 2025
Hoe normering kan bijdragen aan betere behandeling van schadevergoedingsvorderingen in het strafproces, 25 april 2025
