EOM Beslag op buitenlandse rekeningen en landbouwgronden houdt stand ondanks beroep op artikel 6 EVRM

Rechtbank Rotterdam 9 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1605

De rechtbank beoordeelt een beklag ex artikel 552a Sv tegen conservatoir beslag op bankrekeningen en onroerende goederen in Duitsland en Italië in een onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie naar onder meer valsheid in geschrift en subsidiefraude. De klaagster voert aan dat geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, dat het beslag disproportioneel is en dat haar recht op een effectieve verdediging ex artikel 6 EVRM wordt geschonden. De gedelegeerd Europees aanklager stelt dat sprake is van verdenking van misdrijven waarop een geldboete van de vijfde categorie staat en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op ruim 1,3 miljoen euro. De rechtbank oordeelt dat het dossier voldoende is, dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een geldboete of ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Het beslag wordt proportioneel geacht en het beklag wordt ongegrond verklaard.

Context van de zaak

In deze raadkamerprocedure beoordeelt de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam een beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tegen een gelegd conservatoir beslag. Het betreft een strafrechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd onder verantwoordelijkheid van het Europees Openbaar Ministerie. De klaagster is een natuurlijke persoon, geboren in 1974 in het buitenland, die in deze zaak domicilie kiest ten kantore van haar raadslieden in Nederland.

Het Europees Openbaar Ministerie start een strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer klaagster op verdenking van valsheid in geschrift en subsidiefraude met betrekking tot Europese middelen. In het kader van dat onderzoek wordt, na machtiging van de rechter-commissaris van 7 mei 2024 tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek, conservatoir beslag gelegd op diverse bankrekeningen en onroerende goederen van klaagster in Duitsland en Italië. Het beslag is gebaseerd op artikel 94a Sv en strekt tot zekerheid voor een eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel.

Het klaagschrift wordt op 23 mei 2025 ingediend. De behandeling vindt plaats in openbare raadkamer, waarbij het onderzoek wordt aangehouden om het Europees Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken over te leggen. Na aanvulling van het dossier en nadere standpunten van de verdediging wordt de behandeling hervat op 21 januari 2026.

Hoewel in deze procedure nog geen formele tenlastelegging in de hoofdzaak aan de orde is, blijkt uit het strafrechtelijk financieel onderzoek dat klaagster wordt verweten dat zij zich schuldig maakt aan het vervalsen en/of valselijk opmaken van geschriften, waaronder arbeidsovereenkomsten, detacheringsoverzichten, declaraties en facturen, die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Tevens wordt haar verweten dat zij gebruik maakt van deze geschriften dan wel behulpzaam is bij het valselijk opmaken daarvan.

Daarnaast wordt haar verweten dat zij opzettelijk en wederrechtelijk EU-middelen, die met een bepaald doel door of vanwege een volkenrechtelijke organisatie zijn verstrekt, aanwendt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt. Deze verdenkingen zien op strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 225 lid 1 en/of lid 2 en 323a van het Wetboek van Strafrecht, misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De gedelegeerd Europees aanklager concludeert tot ongegrondverklaring van het beklag. Volgens het Openbaar Ministerie is sprake van een verdenking van misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het leggen van conservatoir beslag ex artikel 94a Sv.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op dat moment geschat op ten minste 1.376.094,22 euro en mogelijk hoger. Het strafrechtelijk financieel onderzoek is nog gaande. Gelet op de ernst van de verdenkingen en de hoogte van het geschatte voordeel is het volgens het Openbaar Ministerie niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

Ten aanzien van de proportionaliteit wordt betoogd dat het beslag in verhouding staat tot het geschatte voordeel. De aanklager benadrukt voorts dat het beslag op de buitenlandse bankrekeningen slechts ziet op het saldo ten tijde van de beslaglegging. Bedragen die nadien worden bijgeschreven, vallen niet onder het beslag. Ter zitting zegt de aanklager toe contact te zullen opnemen met de Italiaanse en Duitse autoriteiten om te bevorderen dat klaagster toegang tot haar rekeningen behoudt en geen onevenredige schade ondervindt, onder meer met betrekking tot de voorgenomen liquidatie van landbouwgronden in Duitsland.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair om opheffing van het beslag. Zij voert aan dat het beslagdossier onvolledig is en verwijst ter onderbouwing naar een beslissing van de Rechtbank Gelderland van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7865, waarin een beklag gegrond wordt verklaard wegens het ontbreken van een volledig beslagdossier.

Voorts stelt de verdediging dat geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Het is volgens haar hoogst onwaarschijnlijk dat op basis van de huidige verdenkingen een geldboete of ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Daarnaast wordt betoogd dat het beslag disproportioneel is in verhouding tot het gestelde financieel nadeel.

Subsidiair verzoekt de verdediging het beslag te beperken tot een proportioneel bedrag dan wel gedeeltelijk op te heffen, zodat klaagster haar verdedigingskosten kan voldoen. Het beslag belemmert haar ernstig in haar dagelijks functioneren. Door het beslag op haar Italiaanse bankrekeningen heeft zij geen toegang meer tot het bancaire systeem. Tevens is beslag gelegd op landbouwgronden in Duitsland die eigendom zijn van haar familie en dreigt liquidatie. Volgens de verdediging wordt het recht op een effectieve verdediging als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden, nu klaagster niet vrijelijk haar raadslieden in meerdere landen kan bekostigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer ex artikel 552a Sv een summier karakter heeft. De rechter dient niet vooruit te lopen op de uitkomst van een eventuele hoofdzaak of ontnemingsprocedure.

De rechtbank overweegt dat het dossier, na aanvulling, voldoende stukken bevat om het beklag inhoudelijk te toetsen. Het ontbreken van enkele vertaalde stukken uit buitenlandse procedures leidt niet tot gegrondverklaring van het beklag.

Uit het proces-verbaal van 1 mei 2024 en de toelichting van de aanklager ter zitting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek is rechtmatig verleend.

De rechtbank acht het op basis van de voorlopige bevindingen niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het strafvorderlijk belang verzet zich daarom tegen opheffing van het beslag.

Ten aanzien van de proportionaliteit overweegt de rechtbank dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ten minste 1.376.094,22 euro bedraagt en dat het onderzoek nog loopt. Het beslag staat daarmee in verhouding tot een eventueel op te leggen sanctie. De door de verdediging geplaatste kanttekeningen bij de rechtsmacht van het Europees Openbaar Ministerie leiden in deze beklagprocedure niet tot een ander oordeel.

Wat betreft het beroep op artikel 6 EVRM overweegt de rechtbank dat het recht op bijstand van een raadsman naar keuze niet absoluut is en dat kosteloze rechtsbijstand mogelijk is indien onvoldoende middelen beschikbaar zijn. De stelling dat klaagster niet in staat is haar gewenste raadslieden in meerdere landen te bekostigen, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden vastgesteld dat geen alternatieve mogelijkheden bestaan om in haar verdediging te voorzien. Daarbij betrekt de rechtbank de toezegging van de aanklager om in overleg te treden met buitenlandse collega’s teneinde onevenredige schade te voorkomen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^