Cassatie leidt tot herkansing voor buitenlandse vennootschap: verkeerde wettelijke grondslag bij beslagklacht

Hoge Raad 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:35

Een Bulgaarse vennootschap diende een klaagschrift ex art. 552a Sv in over een woning die onder een derde in beslag was genomen en later verbeurd verklaard. Het hof wees het klaagschrift ongegrond, maar de verbeurdverklaring werd pas in cassatie onherroepelijk. De Hoge Raad oordeelt dat het klaagschrift daardoor had moeten worden behandeld als een klacht ex art. 552b Sv. Het hof had moeten toetsen of het daartoe bevoegd was en zo niet, de stukken moeten doorzenden. Omdat dit niet is gebeurd, vernietigt de Hoge Raad de beschikking. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Achtergrond

De zaak betreft een beslag- en verbeurdverklaringskwestie rond een woning in Berghem, gelegen aan de Koolzaadweg 21 (5351 LP). Deze woning is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen onder betrokkene 1, tegen wie een strafprocedure is gevoerd wegens – onder meer – het medeplegen van meermalig witwassen (artikel 420bis Sr). In eerste aanleg heeft de rechtbank Oost-Brabant op 6 september 2021 de woning verbeurd verklaard. Deze verbeurdverklaring is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep op 9 november 2023 bevestigd. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld. Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. Daarmee is de verbeurdverklaring van de woning onherroepelijk geworden.

De klaagster in deze zaak is een vennootschap gevestigd in Bulgarije. Zij heeft op 9 februari 2024 – dus nog vóór de onherroepelijke verbeurdverklaring – een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De vennootschap stelt dat zij eigenaar is van de woning en vordert primair de opheffing van het strafvorderlijk beslag en/of herroeping van de verbeurdverklaring. Subsidiair vordert zij de afgifte van de opbrengst van de woning (ex artikel 117 lid 4 Sv) of toekenning van een schadeloosstelling (ex artikel 552b Sv juncto artikel 33c Sr). Op 16 juli 2024 heeft het gerechtshof dit klaagschrift ongegrond verklaard.

De kern van het geschil is of het hof bevoegd was om het klaagschrift te beoordelen op grond van artikel 552a Sv, nu de woning inmiddels onherroepelijk verbeurd is verklaard.

Middel

De klaagster heeft cassatie ingesteld en stelt dat het gerechtshof ten onrechte haar klaagschrift op de voet van artikel 552a Sv heeft beoordeeld. Volgens de klaagster had het klaagschrift – gelet op de inmiddels onherroepelijke verbeurdverklaring – moeten worden aangemerkt als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv. Daarnaast stelt zij dat het hof bij gebreke van bevoegdheid had moeten bepalen dat de stukken ter verdere behandeling naar het bevoegde gerecht zouden worden gezonden.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt vast dat sprake is van een situatie waarin sinds de indiening van het klaagschrift de betreffende woning bij inmiddels uitvoerbare en onherroepelijke beslissing ten laste van een ander – te weten betrokkene 1 – is verbeurdverklaard. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie (HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284) overweegt de Hoge Raad dat in een dergelijk geval het ingediende klaagschrift niet langer als een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv moet worden beschouwd, maar als een klaagschrift in de zin van artikel 552b Sv.

De Hoge Raad benadrukt dat dit ook geldt indien de verbeurdverklaring pas tijdens de cassatiefase van de beklagprocedure onherroepelijk is geworden. In dat geval verliest het oorspronkelijk ingediende klaagschrift ex artikel 552a Sv zijn grondslag en moet het worden omgezet naar een klacht op basis van artikel 552b Sv, dat ziet op geschillen over beslag van derden ná een onherroepelijke verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Het hof had daarom moeten nagaan of het op grond van artikel 552b lid 2 Sv bevoegd was tot behandeling van dit zo omgezette klaagschrift. Indien dat niet het geval is, schrijft de wet voor dat de griffier de stukken moet doorzenden naar het daarvoor wél bevoegde gerecht. De Hoge Raad stelt vast dat het hof deze verplichting niet heeft nageleefd en het klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

Het standpunt dat in dit stadium van de procedure de klager geen belang meer zou hebben bij voortzetting van de procedure op grond van artikel 552a Sv, omdat er al een beslissing over het beslag is genomen door de strafrechter, wordt door de Hoge Raad expliciet verworpen. Indien dat standpunt zou worden gevolgd, zou artikel 552b Sv, dat juist voorziet in een rechtsingang voor derden na onherroepelijke verbeurdverklaring, zinledig worden.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en bepaalt dat de zaak ter verdere behandeling en afdoening moet worden teruggezonden naar datzelfde hof, dat dan in een andere hoedanigheid – namelijk als bevoegd gerecht in de zin van artikel 552b lid 2 Sv – zal moeten beoordelen of de klacht van de vennootschap gegrond is.

Conclusie

De Hoge Raad komt tot de volgende beslissingen:

  • de bestreden beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2024 wordt vernietigd;

  • de stukken worden teruggezonden naar dat gerechtshof voor verdere behandeling en afdoening op basis van artikel 552b Sv.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^