EHRM: vermoeden van onschuld geldt onverkort bij uitlatingen van het OM en (ook nog steeds) in hoger beroep

Op 22 januari 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Kaya tegen België geoordeeld dat België zowel artikel 6 § 1 als artikel 6 § 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft geschonden. Het arrest raakt aan twee kernbeginselen van het strafprocesrecht: het recht op berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter en het vermoeden van onschuld. Het Hof benadrukt dat deze waarborgen onverkort gelden, óók na een veroordeling in eerste aanleg en zolang geen sprake is van een onherroepelijke beslissing.

Achtergrond van de zaak

De zaak betreft een Belgische ondernemer die in 2010 door de correctionele rechtbank te Gent werd veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder het niet-betalen van sociale zekerheidsbijdragen en loon. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie gingen in hoger beroep. Tijdens de appelprocedure verscheen in de Vlaamse financiële krant De Tijd een uitgebreid artikel over fraude en uitbuiting in de sector van arbeidsbemiddeling, waarin de zaak van de betrokkene uitvoerig werd besproken. In dat artikel werden citaten toegeschreven aan de arbeidsauditeur die de vervolging in eerste aanleg had gevoerd.

In hoger beroep sprak het hof van beroep te Gent de verdachte gedeeltelijk vrij en oordeelde dat de tussenkomst van de arbeidsauditeur in de pers een schending van de onschuldpresumptie opleverde. De zaak kende vervolgens een complex procesverloop via cassatie en verwijzing, waarna de betrokkene uiteindelijk opnieuw werd veroordeeld. Tegen die veroordeling werd cassatieberoep ingesteld.

In die cassatieprocedure zetelde echter een raadsheer die eerder, zeven jaar daarvoor, als voorzitter van de correctionele rechtbank had geoordeeld over de schuld van de verdachte in eerste aanleg. Dat gegeven vormde één van de kernklachten in Straatsburg.

Schending van het objectieve onpartijdigheidsbeginsel

Het EHRM stelt voorop dat rechterlijke onpartijdigheid zowel subjectief als objectief moet worden beoordeeld. In deze zaak was niet gesteld dat de betrokken rechter persoonlijk bevooroordeeld was. De klacht zag uitsluitend op de objectieve onpartijdigheid: de vraag of de samenstelling van de rechterlijke instantie voldoende waarborgen bood om iedere gerechtvaardigde twijfel bij de justitiabele weg te nemen.

Volgens het Hof stond vast dat dezelfde magistraat:

  • in 2010 als rechter ten gronde had geoordeeld over de schuld van de verdachte, en

  • in 2017 deel uitmaakte van de kamer van het Hof van Cassatie die het cassatieberoep in dezelfde zaak behandelde.

Hoewel de rol van het Hof van Cassatie formeel beperkt is tot een legaliteitscontrole en geen herbeoordeling van de feiten omvat, acht het EHRM dit onderscheid niet doorslaggevend. Ook een cassatierechter oordeelt over het “bien-fondé” van een strafvervolging in juridische zin en kan met zijn beslissing invloed uitoefenen op de strafrechtelijke positie van de betrokkene.

Van belang is dat de betrokken raadsheer geen marginale rol vervulde: hij had in eerste aanleg de verdachte schuldig verklaard en nam later deel aan een cassatiebeslissing die grotendeels ongunstig voor de verdachte uitviel. Dat meerdere jaren tussen beide procedures waren verstreken, doet volgens het Hof geen afbreuk aan het gerechtvaardigde wantrouwen dat bij de justitiabele kan ontstaan. Ook het feit dat de beslissing in cassatie collegiaal werd genomen, neemt die twijfel niet weg.

Het EHRM hecht in dit verband bovendien gewicht aan het ontbreken van een effectief intern mechanisme binnen het Belgische Hof van Cassatie om te voorkomen dat een rechter die eerder in dezelfde zaak heeft geoordeeld, opnieuw deelneemt aan de behandeling daarvan. Tegen deze achtergrond concludeert het Hof dat de vrees van de verzoeker objectief gerechtvaardigd was en dat artikel 6 § 1 EVRM is geschonden.

Vermoeden van onschuld en publieke uitlatingen van het openbaar ministerie

Naast de rechterlijke onpartijdigheid boog het EHRM zich over de vraag of het vermoeden van onschuld was geschonden door uitlatingen van een lid van het openbaar ministerie in de pers.

Het Hof herhaalt dat de onschuldpresumptie niet alleen kan worden geschonden door rechterlijke beslissingen, maar ook door verklaringen van andere overheidsfunctionarissen, waaronder officieren van justitie en leden van het parket. Weliswaar mogen zij het publiek informeren over lopende strafzaken, maar dat moet gebeuren met de nodige terughoudendheid en neutraliteit.

Cruciaal is dat het vermoeden van onschuld blijft gelden zolang geen definitieve veroordeling is uitgesproken. Dat betekent dat ook na een veroordeling in eerste aanleg, zolang de zaak nog in hoger beroep aanhangig is, publieke uitlatingen die de indruk wekken dat de schuld vaststaat, ontoelaatbaar zijn.

In deze zaak had de arbeidsauditeur in een kranteninterview uitspraken gedaan waarin de verdachte werd neergezet als een “fraudeur” en waarin zonder voorbehoud werd verwezen naar diens vermeende strafbare gedragingen. Hoewel in het artikel werd vermeld dat hoger beroep was ingesteld, oordeelt het EHRM dat de toon en inhoud van de uitlatingen verder gingen dan het beschrijven van een “staat van verdenking”.

Volgens het Hof konden deze uitspraken het publiek ertoe aanzetten de verdachte als schuldig te beschouwen in een procedure die op dat moment nog niet was afgerond. Dat de arbeidsauditeur op dat moment formeel niet meer met het dossier was belast, acht het Hof niet doorslaggevend. Als magistraat en vertegenwoordiger van de staat bleef hij gebonden aan de verplichting het vermoeden van onschuld te respecteren.

Het EHRM benadrukt dat vooral van magistraten een verhoogde mate van terughoudendheid mag worden verwacht bij mediacontacten over lopende strafzaken. In dit geval is die grens overschreden, hetgeen leidt tot een schending van artikel 6 § 2 EVRM.

Betekenis van het arrest

Het arrest Kaya tegen België bevestigt op indringende wijze dat fundamentele procesrechten niet worden gerelativeerd door tijdsverloop, procedurele fases of institutionele rolverdelingen. Het vermoeden van onschuld geldt onverkort:

  • bij publieke uitlatingen van leden van het openbaar ministerie, en

  • gedurende het gehele strafproces, inclusief hoger beroep, zolang geen onherroepelijke beslissing is genomen.

Daarnaast onderstreept het EHRM dat rechterlijke onpartijdigheid ook in hoogste instanties strikt moet worden gewaarborgd. De enkele omstandigheid dat een rechter eerder in dezelfde zaak over de schuld heeft geoordeeld, kan – ongeacht de aard van de latere procedure en het tijdsverloop – voldoende zijn om objectief gerechtvaardigde twijfel te doen ontstaan.

Het Hof kent de verzoeker een schadevergoeding toe van € 6.000 wegens immateriële schade en € 4.754,39 aan kosten en uitgaven. Het arrest is unaniem gewezen en zal definitief worden na het verstrijken van de in het EVRM voorziene termijn.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^