Beklag tegen vordering van gegevens bij belastingadviseur ongegrond: Openbaar Ministerie bevoegd zolang het EOM geen onderzoek instelt of evocatierecht uitoefent
/Rechtbank Rotterdam 18 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14782
De rechtbank Rotterdam verklaart het beklag van een besloten vennootschap tegen een vordering van gegevens bij haar belastingadviseur ongegrond. De vennootschap wordt verdacht van het opzettelijk onjuist, onvolledig of niet doen van aangiften omzetbelasting. Volgens de klaagster was alleen het Europees Openbaar Ministerie bevoegd, omdat de verdenking grensoverschrijdende btw-fraude betreft. De rechtbank oordeelt dat het Nederlandse Openbaar Ministerie bevoegd blijft zolang het EOM geen onderzoek instelt of zijn evocatierecht uitoefent. Voor filtering door de rechter-commissaris ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat concrete aanwijzingen voor verschoningsgerechtigde informatie ontbreken. Daarbij wijst de rechtbank op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de belastingadviseur in het strafrecht geen verschoningsrecht toekomt.
Inleiding en context
De klaagster is een besloten vennootschap. Op 14 januari 2025 start naar aanleiding van bevindingen van de Belastingdienst een strafrechtelijk onderzoek naar haar handelsketen. Op 23 juli 2025 reikt de officier van justitie van het functioneel parket aan haar belastingadviseur, een naamloze vennootschap, een vordering historische gegevens uit. De belastingadviseur verstrekt op 28 juli 2025 een usb-stick met drie mappen, waarvan twee met een wachtwoord zijn versleuteld, en op 27 augustus 2025 een nieuwe usb-stick. De meervoudige economische raadkamer behandelt het klaagschrift van 8 oktober 2025 op 21 mei 2026; de klaagster is niet verschenen, haar raadsman wel.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Er is geen tenlastelegging; het gaat om een beklag op grond van artikel 552a Sv tegen een vordering ex artikel 126nd Sv. De klaagster wordt verdacht van overtreding van artikel 69 lid 1 AWR juncto artikel 51 Sr over de periode juli 2022 tot en met augustus 2023. Centraal staan Verordening (EU) 2017/1939, in het bijzonder de artikelen 25, 26 en 27, en het verschoningsrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring. Het Openbaar Ministerie blijft bevoegd totdat het EOM een onderzoek start of het evocatierecht uitoefent; dat is voor 24 juli 2025 niet gebeurd. Aan de belastingadviseur komt volgens HR 6 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9405, geen verschoningsrecht toe. De belastingadviseur heeft via haar advocaat afgezien van een beroep op het informele verschoningsrecht en de eerder versleutelde gegevens alsnog verstrekt.
Standpunt van de verdediging
Primair verzoekt de klaagster vernietiging van alle gegevens, omdat de zaak, met volgens de FIOD meer dan € 100.000.000 aan btw en grensoverschrijdende transacties, onder het EOM valt en niet blijkt dat het EOM is geïnformeerd. Subsidiair vraagt zij vernietiging van de communicatie met wettelijk verschoningsgerechtigden en met haarzelf, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Koopman van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1402. Meer subsidiair verzoekt zij aanhouding voor beoordeling door de rechter-commissaris, omdat de filtering van 86.000 bestanden onder tijdsdruk en grotendeels op basis van herinneringen is uitgevoerd.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt voorop dat het EOM zijn bevoegdheid pas uitoefent door een onderzoek in te stellen (artikel 26) of het evocatierecht te gebruiken (artikel 27). Geen van beide is gebeurd, zodat het Openbaar Ministerie bevoegd bleef tot de vordering. Een eventueel ontbrekende melding aan het EOM betreft een interne procedure zonder invloed op de procespositie van de klaagster, die bovendien niet in haar belangen is geschaad. Gelet op het summiere karakter van de procedure volstaan het proces-verbaal van verdenking en de processen-verbaal van verstrekking; van onrechtmatigheid of strijd met subsidiariteit en proportionaliteit blijkt niet. De enkele omvang van het aantal bestanden levert geen redelijk vermoeden van verschoningsgerechtigde informatie op. Stuit de FIOD daarop, dan moet het Openbaar Ministerie dit melden bij de rechter-commissaris. Wat verder van het fair play-beginsel zij, de officier van justitie heeft de reden voor vervolging voldoende onderbouwd en van strijd met beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake. De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak dat de belastingadviseur in de strafrechtelijke procedure geen verschoningsrecht toekomt.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Advies AG aan Hoge Raad over verschoningsrecht van belastingadviseurs, 20 december 2024
EOM-beslag onder vuur: rechtbank Amsterdam buigt zich over rechtmatigheid, verschoningsrecht en bevoegdheid Nederlandse rechter, 9 oktober 2025
