Hoge Raad vernietigt veroordeling voor opzettelijk lozen van afvalwater uit een voormalige mestkelder wegens ontoereikend gemotiveerd voorwaardelijk opzet

Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1754

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin een man is veroordeeld voor het opzettelijk lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam zonder vergunning, in strijd met artikel 6.2 Waterwet. De verdachte pompt op 27 maart 2020 met een dompelpomp water uit een voormalige mestkelder onder een veestal en voert dat via een slang af naar een bermsloot. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat het water zuurstofloos is en parameters bevat die overeenkomen met mest in een zeer verdunde vorm. Het hof acht de kans aanmerkelijk dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten bevinden die bij vermenging met water loskomen en oplossen, en oordeelt dat de verdachte die kans heeft aanvaard door zonder toezicht te pompen. Volgens de Hoge Raad kan uit de bewijsvoering van het hof, mede in het licht van wat namens de verdachte is aangevoerd, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De advocaat-generaal concludeert tot verwerping van het beroep, maar de Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1982. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, veroordeelt hem op 12 november 2024 wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 Waterwet, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten. Blijkens de conclusie van de advocaat-generaal legt het hof een geldboete op van € 500, subsidiair 10 dagen hechtenis. Uit het arrest blijkt niet wat in eerste aanleg is beslist.

Bewezenverklaard is dat de verdachte op 27 maart 2020 opzettelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam brengt, zonder vergunning of vrijstelling, door vanuit een oude mestkelder zuurstofloos afvalwater met een slang in een bermsloot te pompen die is aangesloten op een waterloop. Na een melding over bruin water treffen verbalisanten van het waterschap een blauwe slang aan waaruit visueel verontreinigd water stroomt. De verdachte verklaart dat de kelder onder de voormalige veestal is volgelopen met regenwater en dat hij het niveau wil verlagen om de kelder als hemelwateropvang aan te sluiten. Een aankoopmakelaar verklaart bij de raadsheer-commissaris dat mestkelders standaard zuigleeg worden opgeleverd, dat een kelder nooit helemaal leeg te krijgen is en dat er gemiddeld 10 tot 15 centimeter kan blijven staan.

De verdediging voert aan dat de verdachte na het aansluiten van de pomp alleen helder water zag, dat hij niet wist dat zich nog mestresten in de kelder bevonden, dat hem niet is uitgelegd wat zuigleeg inhoudt en dat de zware mest op de bodem lag. Het hof verwerpt dit verweer. Het overweegt dat de verdachte sinds 2002 in een landelijke omgeving woont waar mestkelders een bekend verschijnsel zijn, dat de kans op loskomende mestresten aanmerkelijk is, wat ook volgt uit de verklaring van de makelaar, en dat de verdachte door de kelder zonder toezicht leeg te pompen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij verontreinigd water loosde. Voor opzet bij economische delicten is volgens het hof niet vereist dat de verdachte opzet had op het ontbreken van een vergunning.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt advocaat J. Kuijper één cassatiemiddel voor, dat zich volgens de conclusie van de advocaat-generaal met twee deelklachten tegen de bewezenverklaring richt. Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het lozen van verontreinigd water. De inhoud van de overige klacht blijkt niet uit het arrest. De advocaat-generaal Aben concludeert tot verwerping van het beroep. De raadsvrouw reageert daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.3 vast dat het hof heeft geoordeeld dat de kans dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten bevinden en dat die bij vermenging met water loskomen en oplossen, aanmerkelijk is. Uit de bewijsvoering van het hof kan echter, mede in het licht van wat namens de verdachte is aangevoerd, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

De klacht is gegrond. Bespreking van het restant van het cassatiemiddel is daarom niet nodig (rechtsoverweging 2.4).

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^