Verdachten gehoord in strafrechtelijke onderzoeken naar niet-melders

De FIOD en de Politie hebben in de afgelopen weken verdachten gehoord in zes strafrechtelijke onderzoeken naar het niet-melden van ongebruikelijke transacties dan wel het niet doen van verplicht clientenonderzoek. De FIOD heeft deze week een truckhandelaar uit de omgeving van Rotterdam gehoord. Hij wordt verdacht van het niet-melden van een ongebruikelijke transactie met Soedan. Hij leverde 200 trucks die contant betaald werden en dat had gemeld moeten worden, omdat Soedan ten tijde van de transacties op een lijst met risicolanden stond van de FATF.

Niet-melden ongebruikelijke transacties

De andere onderzoeken lopen naar twee goudhandel bedrijven uit Heerhugowaard, een makelaar uit de gemeente Goerree-Overflakkee, een notaris uit Den Haag en een autohandelaar uit de omgeving van Eindhoven.

De notaris wordt verdacht van het  niet-melden van een ongebruikelijketransactie bij de aankoop van onroerend goed. Een pand zou betaald zijn met tonnen euro's afkomstig uit Zwitserland. Het geld kwam eerst op rekening van een BV en werd vervolgens via de privérekening van de bestuurder in delen overgemaakt naar de rekening van de Notaris. De autohandelaar zou meerdere ongebruikelijke transacties niet hebben gemeld. Het vermoeden is dat de auto’s in Belgie verkocht worden, maar omdat in België niet langer meer dan 3000 euro contant betaald mag worden, zou er in Nederland contant afgerekend worden.

Eigenaar goudhandel meteen gedagvaard

De man achter de twee goudhandelaren wordt het niet doen van cliëntenonderzoek en het niet melden van ongebruikelijke transacties verweten, in meer dan 60 gevallen. Hij is na verhoor meteen gedagvaard voor een zitting op 16 juni 2016 in de rechtbank in Amsterdam. Hij heeft vermoedelijk  transacties van hoge bedragen bewust ‘opgeknipt’ in meerdere transacties, om onder de grens voor cliëntenonderzoek van 15.000 euro per transactie te blijven. Onder de 15.000 euro is het doen van cliëntenonderzoek niet verplicht, waardoor kopers anoniem kunnen blijven.  De makelaar uit de gemeente Goerree-Overflakkee wordt ook verdacht van het niet doen van cliëntenonderzoek.

Project Niet-Melders

Alle onderzoeken maken deel uit van het ‘niet-melders project’. Dit is een gezamenlijk project van het Anti Money Laundering Centre (AMLC) van deFIOD, de Politie, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), Belastingdienst Holland Midden/Bureau Toezicht Wwft, De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het Openbaar Ministerie (OM). Het project heeft als doel de naleving van de regels van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) te verbeteren.

Ieder half jaar wordt in het kader van het project Niet-Melders een aantal zaken opgepakt. De aanpak in combinatie met voorlichting heeft inmiddels ook geleid tot significant meer en betere meldingen van ongebruikelijke transacties bij de FIU.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Megazaak Juwelier: veroordeling wegens gewoontewitwassen, eigen misdrijf (fiscaal de-lict)

Gerechtshof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:675 Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van personenauto’s en geldbedragen, hetgeen gericht is geweest op het veiligstellen van uit eigen misdrijf (belastingfraude) afkomstige opbrengsten. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (in de kluis van A.B. aangetroffen) geldbedrag van €20.000,00 en tot bewezenverklaring van het overigens onder 1 tenlastegelegde, daaronder begrepen de twee horloges van A.K.

De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

De verdachte ontvangt sinds 1974 een WAO-uitkering en heeft verder geen legale inkomsten. Zijn echtgenote AvA ontvangt naast beperkte looninkomsten sinds 1992 een aanvullende WAO-uitkering. Gezamenlijk konden zij derhalve in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008 beschikken over een legaal netto inkomen van €149.259,74. Uit onderzoek is echter gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €625.053,97 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte en zijn echtgenote een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er in totaal €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort. Ook heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode diverse leningen verstrekt, te weten €50.000,00 aan CvB, ƒ 100.000,00 aan GvdK en €17.000,00 aan A.K. De verdachte, zijn echtgenote én zijn vriendin G.B., die sinds 2000 een WAO-uitkering ontving, leefden gelet op de auto’s waarin zij reden en die op naam stonden van de verdachte, zijn echtgenote dan wel op Z. B.V., zijnde het bedrijf van M.P., op grote voet. Daarnaast dienen de verdachte en zijn vriendin als rechthebbende te worden beschouwd van een aantal kavels en een recreatiewoning. De verdachte heeft ter zake geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven, zodat tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen kan worden gekomen. Ten aanzien van de horloges geldt dat er vanuit kan worden gegaan dat deze van A.K. zijn en dat A.K. deze als onderpand voor een woekerlening aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte staat eveneens terecht voor de afpersing van A.K. Hij wist aldus dat de horloges deel uitmaakten van enig door hem gepleegd strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgelegd waarom hij in de tenlastegelegde periode kon beschikken over aanzienlijk meer contant geld dan op grond van zijn legale inkomstenbron verklaarbaar was. Die verklaring houdt in dat hij vanaf zijn 14e jaar heeft gewerkt als loodgieter: overdag voor een baas en ’s avonds voor zichzelf. Vanaf zijn 25e is hij incassowerkzaamheden gaan verrichten en enkele jaren later is hij geld gaan uitlenen tegen hoge rentepercentages. Van het op deze wijze bijeengebrachte vermogen heeft de verdachte nimmer aangifte gedaan bij de belastingdienst, noch heeft hij er melding van gemaakt aan de instantie die sinds 1974 zijn WAO uitkering uitkeerde. Het legale vermogen van de verdachte is vermengd met zijn illegale vermogen, waardoor het vermogen van de verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is. Hetzelfde heeft te gelden voor de legale inkomsten van AvA, de echtgenote van de verdachte, die naast een salaris uit dienstbetrekking een WAO-uitkering had, welke inkomsten eveneens met het deels illegale vermogen van de verdachte vermengd zijn geraakt. Indien sprake is van een eigen misdrijf, geldt dat sprake moet zijn van meer dan het enkele voorhanden hebben of verwerven om de gedraging te kunnen kwalificeren als witwassen. Zo dat niet mogelijk is, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van een verhullende gedraging gerefereerd ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen: €381.715,35 (bonnetjes Hillegom) en €57.238,57 (bonnetjes Hensbroek) als ook ten aanzien van de kavels grond, het chalet en de auto’s waar G.B. zich in voortbewoog.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de twee horloges van A.K., omdat niet kan worden bewezen dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van €20.000,00, aangezien niet kan worden bewezen dat de verdachte dit voorhanden heeft gehad en heeft verhuld. De verdachte moet voorts worden vrijgesproken van het in de woning bij G.B. aangetroffen geldbedrag van €2.115,00, omdat niet kan niet worden bewezen dat de verdachte dat geld op dat moment voorhanden had. Subsidiair moet de verdachte ter zake worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien niet is gebleken dat er ten aanzien van dat bedrag verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Dat laatste geldt ook voor het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van €10.076,07.

De verdachte moet tevens worden vrijgesproken van het geldbedrag van €89.100,00. Dit bedrag is enkel gebaseerd op de verklaring van G.B. De stukken in het dossier bieden onvoldoende houvast voor het bepalen van de hoogte van het door haar ontvangen bedrag.

De verdachte moet ten slotte ook worden vrijgesproken van het geldbedrag van €24.042,00 op de rekening in België. De rekening staat op naam van AvA en de verdachte is als gemachtigde geregistreerd. De verdachte is wel eens mee geweest als er geld werd gestort. Het ging daarbij om niet al te grote bedragen. Van duidelijke pogingen om de criminele opbrengsten veilig te stellen is hier geen sprake.

Oordeel van het hof

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Daarbij geldt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

  • Partiële vrijspraak (afkomstig uit enig misdrijf)

Het hof heeft ten aanzien van na te noemen voorwerpen het volgende vastgesteld.

De G.B. -auto’s, kavels en de recreatiewoning (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief)

De Mercedes-Benz A160 is op 7 mei 2004 door M.P. bij Centraal Automobielbedrijven B.V. gekocht tegen (contante) betaling (op 17 mei 2004) van een bedrag van €12.000,00. Uit de gegevens bij de RDW blijkt dat deze auto op naam heeft gestaan van M.P. van 7 mei 2004 tot 24 maart 2005, waarna de tenaamstelling weer is overgegaan op Centraal Automobielbedrijven B.V. De vriendin van de verdachte, G.B., heeft in de genoemde periode in deze auto gereden.

De Mercedes-Benz SLK is op 24 maart 2005 door Z. B.V. (het hof begrijpt: vertegenwoordigd door M.P.) gekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. door inruil van de Mercedes-Benz en tegen (girale) betaling van een bedrag van €62.000,00. G.B. heeft vanaf 24 maart 2005 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 1 (met daarop een mobiele bungalow) voor een bedrag van ƒ 45.000,00 voor de grond (en ƒ 190.000,00 voor de mobiele bungalow). Een deel van de koopsom was, zo blijkt uit de akte tot levering, al voldaan door koper aan verkoper. Het resterende deel is door koper voldaan door storting op een rekening van de stichting: Appel Eskens Boon en Willemsen Stichting Derdengelden, aan welke stichting de notaris is verbonden. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object in eigendom toe aan AvdV.

G.L. heeft op 21 september 1999 aan AvdV verkocht een registergoed, te weten een kavel (het hof begrijpt: 2), grenzend aan de oostzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 én een kavel, grenzend aan de noordzijde van 1 en deel uitmakend van G 1182 voor een bedrag van ƒ 25.5000,00, welk bedrag reeds door koper aan verkoper is voldaan. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: AvdV) van 20 februari 2009 behoort dit object (2) in eigendom toe aan AvdV.

CvB heeft op 25 oktober 2000 verkocht aan SP B.V. (welke vennootschap wordt bestuurd door Z. B.V., die op haar beurt weer wordt bestuurd door (enig aandeelhouder) M.P. een registergoed, te weten een kavel grond, kadastraal bekend als 3 voor een bedrag van ƒ 30.000,00. Blijkens een kadastraal bericht per persoon (betreft: Z. B.V.) van 20 februari 2009 behoort dit object 3 in eigendom toe aan Z. B.V.

Het hof begrijpt dat met de recreatiewoning, adres, wordt bedoeld de mobiele bungalow op kavel 1, toebehorend aan AvdV. G.B. heeft vanaf 1999 tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze recreatiewoning gewoond.

Conclusie

Het hof stelt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van deze registergoederen/voorwerpen vast dat deze nooit op naam van de verdachte (en/of zijn echtgenote AvA) hebben gestaan én dat niet is gebleken van een (onderliggende) geldstroom van de verdachte naar de geregistreerde eigenaren met betrekking tot de (verkrijging van die) voorwerpen. Een aanwijzing voor het bestaan van zo’n geldstroom zou kunnen worden gevonden in een tweetal zich bij de stukken bevindende koopovereenkomsten (op pagina 961473/961480 en pagina 961461/961465). Het hof heeft echter ten aanzien van deze overeenkomsten vastgesteld dat deze (te) onvolledig zijn om daaraan enige conclusie te verbinden. Zo ontbreken bij de ene overeenkomst de pagina’s waaruit kan blijken op welke datum de verdachte welke kavel tegen welke prijs van CvB zou hebben gekocht en ontbreken bij de andere overeenkomst de datum alsmede de namen van de koper en verkoper.

Vaststaat dat G.B. de hierboven genoemde auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden gebruikte/bewoonde en dat de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd, daar vaak aanwezig was en alle met dat gebruik samenhangende kosten (waaronder huur, gas/water/licht, benzine, onderhoud en verzekering) voor zijn rekening nam. Wat daar ook van zij, voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen moet vast komen te staan dat deze voorwerpen/registergoederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Nu het dossier, zoals hierboven reeds is overwogen, geen concrete aanknopingspunten bevat voor enige criminele betrokkenheid van de verdachte bij de verkrijging van de auto’s en de recreatiewoning met omliggende gronden en ook overigens bewijs dat deze voorwerpen/registergoederen (middellijk of onmiddellijk) anderszins uit misdrijf afkomstig zijn in het dossier ontbreekt, dient de verdachte reeds op die grond van het ter zake van deze voorwerpen cumulatief/alternatief tenlastegelegde witwassen te worden vrijgesproken.

Twee horloges van het merk Rolex (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat deze twee horloges, die zijn aangetroffen (in de deur) van de kluis van juwelier M&B, door A.K. aan de verdachte zijn overhandigd als borg voor een door de verdachte aan A.K. verstrekte geldlening. Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft overwogen, en bij gebreke van enig ander bewijs, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze horloges van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (verbergen/verhullen van de werkelijke aard of herkomst)

De eigen auto’s (tenlastegelegd onder 1, eerste cumulatief/alternatief)

Het hof heeft, zoals hierna onder het kopje ‘Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken eigen auto’s’ uitgebreider wordt overwogen, ten aanzien van de:

  • de Mercedes-Benz
  • de BMW 320i Sedan
  • de BMW 3ER Reihe kenteken)

geconstateerd dat ze op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat ze (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA er gebruik van maakten dan wel hebben gemaakt. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing van die personenauto’s heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de daadwerkelijke rechthebbende op die personenauto’s was. Het hof zal de verdachte daarom ten aanzien van deze auto’s van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

  • Partiële vrijspraak (voorhanden hebben)

Een geldbedrag van 20.000,00 (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

Uit de stukken in het dossier blijkt dat in de deur van een kluis bij juwelier M&B een contant geldbedrag van €20.000,00 is aangetroffen. Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte dit geldbedrag, ter zake waarvan niet is gebleken dat het aan de verdachte toebehoort, voorhanden heeft gehad. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel.

  • Het vermoeden van witwassen

Ten aanzien van het overigens onder 1 tenlastegelegde zal het hof het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen, waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde geld en/of voorwerp(en) uit enig misdrijf afkomstig is/zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Bij toetsing door de zittingsrechter dienen daarbij de volgende stappen te worden doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte (en zijn echtgenote AvA, met wie hij een economische eenheid vormde) in de tenlastegelegde periode uitgaven hebben gedaan, die niet kunnen worden verklaard uit hun legale inkomen. Immers, hun legale inkomen bedroeg in de tenlastegelegde periode in totaal €149.259,74 (bestaande uit een WAO-uitkering van de verdachte en beperkte looninkomsten met (sinds 1992) een aanvullende WAO-uitkering voor AvA), terwijl uit onderzoek is gebleken dat de verdachte in die periode ongeveer €650.000,00 heeft uitgegeven. Daarnaast is op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een geldbedrag van €10.089,00 aangetroffen en bleek er een geldbedrag van €24.042,00 op een rekening in België te zijn gestort.

Het geldbedrag van €650.000,00 dat de verdachte in de tenlastegelegde periode zou hebben uitgegeven is opgebouwd uit de navolgende posten:

  • Uitgaven Hillegom €381.715,35
  • Uitgaven auto’s €118.400,05
  • Uitgaven Hensbroek €57.238,57
  • Toelage G.B. €89.100,00.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot een andere berekening dan hiervoor genoemd. Zo acht het hof niet bewezen dat de verdachte uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €57.238,57. Dit totaalbedrag aan uitgaven is gebaseerd op de in de door G.B. bewoonde recreatiewoning (adres) aangetroffen facturen en bonnetjes. Naar het oordeel van het hof valt geenszins uit te sluiten dat deze uitgaven (deels) zijn gedaan van de wekelijkse toelage die G.B. van de verdachte ontving, zodat in die zin sprake is van een dubbeltelling. Nu het dossier ook anderszins geen aanknopingspunten bevat om tot een nadere duiding van deze uitgaven te komen, zal het hof de verdachte van dit onderdeel in het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

Het hof is voorts van oordeel dat ook het in het dossier berekende bedrag aan uitgaven aan auto’s moet worden bijgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het hof geen daadwerkelijke geldstroom van de verdachte naar M.P. / Z. B.V. kunnen vaststellen met betrekking tot de auto’s, waarin G.B. reed. Ten aanzien van de overige personenauto’s heeft het hof vastgesteld, zoals hieronder nader wordt overwogen, dat de verdachte minst genomen uitgaven heeft gedaan voor een bedrag van €41.048,00.

Het hof komt aldus tot een bedrag aan uitgaven van ongeveer €510.000,00. Het hof overweegt dat ook ten aanzien dit bedrag geldt dat de gedane uitgaven niet kunnen worden verklaard uit de legale inkomsten van de verdachte en AvA, zodat te dien aanzien zonder meer sprake is van een witwasvermoeden.

  • Verklaring van de verdachte

In het onderhavige geval is de verdachte in een zeer laat stadium, namelijk pas ter terechtzitting in hoger beroep, met een verklaring gekomen, inhoudende dat hij naast legale inkomsten (uit werk en later een WAO-uitkering) gedurende een groot deel van zijn leven ook andere inkomsten heeft genoten. Zo had de verdachte vanaf zijn 14e inkomsten uit zwart (loodgieters)werk en vanaf zijn 25e inkomsten uit incassowerkzaamheden (eveneens zwart). Vanaf ongeveer diezelfde tijd is hij, volgens zijn verklaring, leningen gaan verstrekken tegen hoge rentepercentages. Over de daarmee door hem gegenereerde inkomsten heeft de verdachte nimmer belasting betaald noch heeft hij die inkomsten opgegeven aan de uitkeringsinstantie.

Hoewel aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat verdachtes verklaring betreffende zijn inkomsten uit loodgieters- en incassowerkzaamheden niet erg gedetailleerd is en wellicht niet eenvoudig te verifiëren, kan - naar het oordeel van het hof - die verklaring niet reeds op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden geschoven. Met betrekking tot verdachtes verklaring dat hij jarenlang inkomsten heeft gehad uit door hem verstrekte geldleningen overweegt het hof dat deze verklaring steun vindt in het onderhavige strafdossier. Uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het bijzonder zaaksdossier 7.1.0, is immers gebleken dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geldleningen aan derden heeft verstrekt en dat hij over die leningen een buitengewoon hoog bedrag aan rente ontving. Het hof neemt voorts in aanmerking dat het dossier geen gegevens bevat die inzicht verschaffen in de financiële situatie van de verdachte op het beginmoment van de ten laste gelegde periode. Het hof zal bij de beoordeling van het ten laste gelegde dan ook uitgaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte.

Nu de verdachte van deze inkomsten geen opgave heeft gedaan bij de belastingdienst, heeft hij zich ten minste schuldig gemaakt - ook naar zijn eigen zeggen - aan belastingontduiking. Voorts kan worden vastgesteld dat deze inkomsten zich hebben vermengd met de legale inkomsten van de verdachte en diens echtgenote.

  • Een eigen misdrijf

Volgens bestendige jurisprudentie zijn vermogensbestanddelen, waarover men de beschikking heeft doordat de belasting is ontdoken, van misdrijf afkomstig. In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen worden vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als "mede" of "deels" uit misdrijf afkomstig.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof het aannemelijk dat de verdachte aldus inkomsten heeft gegenereerd uit “eigen misdrijf”. Het hof betrekt daarbij ook dat het omvangrijke onderzoek Juwelier geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van de verdachte bij enig ander misdrijf.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie ter zake van witwassen dat in het geval dat het witwassen betrekking heeft op gelden/voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf, er in beginsel sprake dient te zijn van een handeling die erop is gericht om de crimineel verkregen gelden/voorwerpen veilig te stellen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen gelden/voorwerpen gericht karakter heeft. Die regel gaat niet op in gevallen waarin sprake is van voorwerpen die “middellijk” afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

  • Het verwerven/voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruiken (tenlastegelegd onder 1, tweede cumulatief/alternatief)

De eigen auto’s

Uit de stukken in het dossier leidt het hof ten aanzien van - kort gezegd - de eigen auto’s van de verdachte en AvA het volgende af.

De Mercedes-Benz is op 17 april 2007 aangekocht bij Centraal Automobielbedrijven B.V. voor een bedrag van €85.000,00. De auto is gefinancierd door inruil van een Mercedes-Benz ML 280 ter waarde van €70.000, welke auto sinds 6 januari 2006 op naam stond van de verdachte, en door bijbetaling van een geldbedrag van €15.000,00, welk geldbedrag op 18 april 2007 is voldaan door M.P. / Z. B.V. Blijkens de gegevens bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) stond deze auto vanaf 17 april 2007 op naam van de verdachte. Gebleken is dat de verdachte tot zijn aanhouding op 25 november 2008 in de onderhavige auto heeft gereden.

De BMW 320i Sedan is op 16 maart 2005 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €48.548,05. Blijkens de aantekeningen op de factuur, die op naam staat van AvA, is de auto deels contant betaald (€14.500,00, kennelijk door de verdachte), deels giraal (€11.548,05, gestort door AvA) en door inruil van een BMW 318IA ter waarde van €22.500,00, welke auto sinds 27 april 2001 op naam stond van AvA. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 18 maart 2005 tot en met 7 april 2007 op naam van AvA, waarna de tenaamstelling is overgegaan op Z. B.V.

De BMW 3ER Reihe is op 3 april 2007 aangekocht bij Ad Smelt B.V. voor een bedrag van €50.950,26. Dit bedrag is (giraal) voldaan door Z. B.V. Uit de stukken van Z. B.V. blijkt dat de verdachte ter financiering van deze auto een bedrag van €15.000,00 van Z. B.V. had geleend, welke lening de verdachte aan Z. B.V. heeft terug betaald. Blijkens de gegevens bij de RDW stond deze auto vanaf 6 april 2007 op naam van AvA. Zij heeft tot haar aanhouding op 25 november 2008 in deze auto gereden.

Het hof stelt aldus vast dat voornoemde personenauto’s op naam van de verdachte en/of AvA waren gesteld, dat die personenauto’s (in ieder geval grotendeels) met gelden van de verdachte en/of AvA zijn aangeschaft en dat de verdachte en/of AvA van die auto’s gebruik maakten dan wel gebruik hebben gemaakt. Nu, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, genoemde gelden door vermenging van legale en illegale inkomsten in hun geheel als van misdrijf afkomstig moeten worden aangemerkt, zijn de daarmee gekochte auto’s eveneens (middellijk) van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook het onder 1, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde ten aanzien van voornoemde auto’s in die zin bewezen.

  • Geldbedragen aan uitgaven tot in totaal ongeveer €381.715,35

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat bij de doorzoeking in de woning van de verdachte op 25 november 2008 een groot aantal schriftelijke bescheiden in beslag is genomen. Uit deze bescheiden, waaronder bonnen en facturen van contante aankopen, is gebleken dat de verdachte (en AvA) in de tenlastegelegde periode in totaal €381.715,35 contant hebben uitgegeven.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte aldus in de tenlastegelegde periode een geldbedrag van in totaal €381.715,35 afkomstig uit (eigen) misdrijf heeft omgezet en overgedragen.

  • De G.B. -geldbedragen

De raadsman heeft ten aanzien van deze gelden vrijspraak bepleit, stellende dat de stukken in het dossier onvoldoende houvast bieden voor het bepalen van de hoogte van dit bedrag.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

G.B. heeft op 19 december 2008 verklaard dat zij gedurende zo’n vijftien jaar wekelijks geld van de verdachte heeft ontvangen. Het is begonnen met een bedrag van ƒ 200,00 en dat bedrag is, naar haar zeggen, in stappen van €50,00 opgelopen tot een bedrag van €400,00 euro per week. Zij heeft destijds ook verklaard dat zij sinds ongeveer één jaar een wekelijkse toelage van €400,00 ontving. Bij de berekening van het totaalbedrag van de door de verdachte aan G.B. betaalde toelagen is rekening gehouden met deze door G.B. genoemde oplopende schaal. De verklaring van G.B. vindt (in ieder geval ten aanzien van het bedrag van €400,00) steun in een op 8 november 2011 tussen de verdachte en G.B. gevoerd telefoongesprek.

Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een bedrag van €89.100,00 aan toelagen aan G.B. heeft overgedragen.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat niet valt uit te sluiten dat de berekening van het op de aangetroffen bonnetjes en facturen gebaseerde bedrag aan uitgaven van €57.238,57 een dubbeltelling oplevert ten aanzien van het berekende totaalbedrag dat de verdachte als toelage aan G.B. heeft betaald.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden - waarbij de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte dit geldbedrag destijds voorhanden heeft gehad kan worden daargelaten - ten aanzien van het op 25 november 2008 in de recreatiewoning te adres aangetroffen contante geldbedrag van €1.115,00 (ten onrechte is in de tenlastelegging het bedrag van 2.115,00 vermeld). Het zal de verdachte om die reden ook ten aanzien van dit geldbedrag vrijspreken.

  • Contant geldbedrag van €10.076,07

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat op 25 november 2008 in de woning van de verdachte een contant geldbedrag van €10.076,07 is aangetroffen. Gelet op de door het hof aannemelijk geachte verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van zijn inkomsten dient er ook ten aanzien van dit geldbedrag van te worden uitgegaan dat deze gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan slechts worden afgeleid dat de verdachte deze gelden in zijn woning voorhanden heeft gehad. Aanknopingspunten dat de verdachte enige gedraging heeft verricht die (kennelijk) gericht was op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze gelden ontbreken in het dossier. Nu daarvan niet is gebleken, kan het voorhanden hebben van dit geldbedrag naar bestendige jurisprudentie niet als ‘witwassen’ worden gekwalificeerd. Gelet op het feit dat onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde het bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ in de tenlastelegging is opgenomen, zal het hof de verdachte om die reden van dit onderdeel vrijspreken.

  • Giraal geldbedrag van €24.042,00

Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat het geldbedrag van €24.042,00 op een bankrekening in België is gestort. AvA heeft op 6 september 1995 een bankrekening geopend bij de KBC-bank in Lanaken (België) met rekeningnummer 1. De verdachte was sindsdien gemachtigd op deze bankrekening. Op 29 december 2006 heeft AvA bij diezelfde bank een rekening geopend met rekeningnummer 2, waarna op 2 januari 2007 het gehele saldo van rekeningnummer 1 is overgeboekt naar rekeningnummer 2 In de tenlastegelegde periode heeft AvA (al dan niet met de verdachte) een geldbedrag van €24.042,00 op die rekeningen gestort en voorhanden gehad. Nu het storten van geld op een (buitenlandse) bankrekening op eigen naam niet zonder meer kan worden aangemerkt als een gedraging die er kennelijk op gericht is de criminele herkomst daarvan (uit eigen misdrijf) daadwerkelijk te verbergen of te verhullen en ook anderszins bewijs daarvoor in het dossier ontbreekt, kan naar het oordeel van het hof het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde bestanddeel ‘plegen van (gewoonte)witwassen’ niet worden bewezen. Ook van dit onderdeel zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.

  • Gewoontewitwassen

Gelet op de omvang en de continuïteit van de hierboven bewezen geachte gedragingen van de verdachte, acht het hof eveneens bewezen dat de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Het hof acht echter niet bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met AvA en/of G.B. aan dit gewoontewitwassen heeft schuldig gemaakt. Uit het dossier valt niet af te leiden of en in hoeverre AvA en G.B. wetenschap hadden van de aard en omvang van de uit eigen misdrijf van de verdachte afkomstige inkomsten en de uitgaven van de verdachte. Dit geldt te minder, nu uit het dossier naar voren komt dat de verdachte zijn betrokkenheid bij G.B. en zijn daarmede verband houdende uitgaven voor AvA verborgen heeft gehouden. Voorts valt evenmin vast te stellen of G.B. wetenschap had van het uitgavepatroon van de verdachte met betrekking tot AvA. Nu ook overigens wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal het hof de verdachte van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1: gewoontewitwassen

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Twaalf maanden gevangenisstraf voor witwassen geldbedrag in 2006 voor 'aankoop machines in Libanon t.b.v. Liberia'

Gerechtshof Amsterdam 2 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:786 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 februari 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 432.135 Engelse en/of Schotse Ponden, althans enig geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is; er is geen rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf vast te stellen. Voorts is de juistheid van de verklaring van getuige, volgens wie het geld de opbrengst is van een in Groot-Brittannië verkochte partij cocaïne, op geen enkele wijze te verifiëren. Bovendien lijkt deze getuige een motief te hebben voor het afleggen van een belastende verklaring.

Verder kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 5 februari 2006 is op Schiphol naar aanleiding van een binnengekomen tip de bagage van de verdachte gecontroleerd. Daarbij zijn in twee koffers 16 pakketten aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal 432.135 Engelse en Schotse ponden, in biljetten van verschillende coupures. De koffers waren geseald en ingecheckt voor de vlucht naar Beiroet in Libanon.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden was het vermoeden dat de verdachte zich schuldig maakte aan witwassen gerechtvaardigd, maar niet kon worden vastgesteld uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig was. Bij die stand van zaken kon van de verdachte worden gevergd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring zou geven omtrent de herkomst van het geld.

De verdachte heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Op 3 maart 2006 is de verdachte op verzoek van een Liberiaanse “diplomaat”, getuige 2 geheten - later als getuige 2 bekend geworden -, vanuit Beiroet naar Nederland gevlogen om geld van deze getuige 2 naar Beiroet te vervoeren voor een Liberiaanse gouverneur. De verdachte heeft van getuige 2 twee koffers gekregen met daarin het geld, volgens getuige 2 500.000 Britse ponden, in enveloppen. De verdachte heeft zijn eigen koffer achtergelaten. De verdachte heeft zelf het geld niet geteld omdat de koffers al gesloten waren. In Libanon moest hij het geld aan een (andere) Liberiaanse diplomaat geven en deze zou het geld aan voornoemde gouverneur overhandigen. getuige 2 zou het ticket van de verdachte betalen en mogelijk zou de verdachte als beloning nog USD 2.000 of 3.000 krijgen.

Over de persoon van getuige 2 heeft de verdachte verklaard dat hij hem eerder één keer had ontmoet, in Beiroet, dat hij diens adres niet had, maar dacht dat hij in Duitsland of Nederland woonde.

Hoewel van de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld bepaald niet kan worden gezegd dat deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was te noemen, is in hoger beroep het nodige onderzoek naar de aannemelijkheid daarvan geëntameerd (zie o.a. de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris van 14 mei 2013 en 19 maart 2015), mede naar aanleiding van de ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2007 afgelegde verklaring van getuige 2, die onder meer het volgende inhoudt:

Ik ben business consultant voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Liberia.

Ik heb de heer verdachte ingeschakeld om van Nederland naar Beiroet te vliegen; hij was de koerier. Ik was met hem bevriend sinds een klein jaar. Ik heb hem in Nederland ingelicht wat hij moest doen en zeggen. Ik heb gezegd dat hij het geld naar een bank moest brengen. Het moest gewisseld worden in US-dollars. Het was de bedoeling dat verdachte het geld aan de manager van mijn bank zou geven. Hij wist welke manager het was. De bankmanager zou hem op het vliegveld van Beiroet opwachten.

Met het geld was ik van plan machines te kopen op een veiling. Het geld was afkomstig van de ‘government’ van Liberia. U houdt mij voor dat verdachte heeft verklaard dat het geld bestemd was voor de gouverneur van Liberia. Dat klopt niet. Ik heb tegen verdachte gezegd dat het geld bestemd was voor de ‘government’ van Liberia. Het geld was bestemd voor de aankoop van landbouwmachines in Libanon en Dubai voor de regering van Liberia.

De rechtbank heeft haar oordeel dat het onder de verdachte aangetroffen geld afkomstig was van enig misdrijf mede doen steunen op de verklaringen die getuige zou hebben afgelegd (in het onderzoek Mijnenjager) over de verkoop van een grote partij cocaïne door getuige 2 in Engeland en de ontdekking van de opbrengst daarvan op Schiphol bij de in Beiroet woonachtige verdachte (hof: de verdachte). getuige kon niet worden getraceerd en kon dus niet als getuige worden gehoord. Wel heeft de raadsvrouw van de verdachte inzage gehad in het dossier Mijnenjager, hetgeen heeft geresulteerd in de voeging in het onderhavige dossier van processen-verbaal van door getuige afgelegde verklaringen, zoals samengevat door de politie. Nu evenwel de processen-verbaal van de desbetreffende verhoren zelf niet beschikbaar zijn en de context waarin de verklaringen zijn afgelegd, onduidelijk is, is controle van de betrouwbaarheid daarvan niet mogelijk, zodat dit naar het oordeel van het hof niet tegen de verdachte kan worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de zich eerder al in het dossier bevindende, in een “start proces-verbaal” samengevatte, bevindingen van de grootschalige handel in, en smokkel van, verdovende middelen waarvan onder anderen getuige 2 werd verdacht.

Het voorgaande staat evenwel niet in de weg aan de vaststelling dat het onderhavige geldbedrag van misdrijf afkomstig is, waarbij het hof het volgende in aanmerking neemt.

De verklaringen van de verdachte en getuige 2 komen niet overeen voor wat betreft de duur van hun “vriendschap”, de persoon/instantie voor wie het geld bestemd was en de persoon aan wie het geld in Libanon moest worden afgeleverd. Ook is onopgehelderd gebleven waarom het nodig was de verdachte (vanuit Beiroet) naar Amsterdam te laten vliegen om hem als koerier te laten optreden. De verklaring van getuige 2 vindt voorts geen bevestiging in een telefoongesprek dat hij op 6 februari 2006 voerde met de verdachte over de onderhavige zaak, waarin de verdachte onder meer opmerkte “ik heb hun verteld dat deze (papieren) voor de Liberiaanse ‘gouverner’ zijn”, waarop getuige 2 antwoordde “bravo, bravo, bravo” en voorts door beiden in enigszins versluierd taalgebruik wordt gesproken. Voorts is noch door de verdachte noch door getuige 2 verklaard door wie het geld aan laatstgenoemde zou zijn overhandigd. In een door de voormalige raadsman van de verdachte namens getuige 2 ingediend verzoek om teruggave van het geld wordt weliswaar medegedeeld dat het geld op de Liberiaanse ambassade te Lagos (Nigeria) aan getuige 2 is overhandigd door een naam, die als vice-consul aan die ambassade verbonden zou zijn, maar enige onderbouwing daarvoor ontbreekt, daargelaten een officieel ogende brief van getuige 2 zelf en een overzicht (op hetzelfde officieel ogende briefpapier) van de inbeslaggenomen coupures, aan welke documenten, zonder nadere onderbouwing, door het hof geen relevante betekenis wordt toegekend. Voorts roept genoemde mededeling de vraag op waarom geld dat bestemd is voor de aankoop van materieel voor Liberia in ontvangst moet worden genomen in Nigeria en vervolgens via Amsterdam naar Libanon moet worden overgebracht. En meer in het algemeen is onduidelijk gebleven waarom voor het overbrengen van het geld geen bancaire route is gebruikt.

Door de verdediging is ter zitting in hoger beroep van 19 april 2012 verzocht dhr. getuige 3 als getuige te horen, die ter zitting was verschenen. De stelling dat deze consul werkzaam was bij de Liberiaanse ambassade in Bonn is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd, reden waarom het hof ervoor heeft geopteerd inlichtingen te doen inwinnen door de raadsheer-commissaris bij de Liberiaanse autoriteiten door tussenkomst van de Liberiaanse ambassade in Brussel. Van voornoemde getuige 3 bevindt zich wel een brief van 7 september 2007 aan de voormalige raadsman van de verdachte in het dossier, alsmede twee bijgevoegde “notes verbale” maar de authenticiteit daarvan valt niet na te gaan.

Bij gebrek aan medewerking van de Liberiaanse autoriteiten heeft het aan de raadsheer-commissaris opgedragen onderzoek geen resultaten opgeleverd. Wel heeft de raadsheer-commissaris nog pogingen ondernomen een zekere getuige 4 als getuige te doen horen, maar ook die pogingen waren tevergeefs. Deze als “senator” aangeduide getuige 4 heeft op 14 maart 2006 een telefoongesprek gevoerd met getuige 2, waarin blijkens de weergave van dat gesprek in het dossier gesproken werd over het rechtzetten/corrigeren van informatie, over een vervalst document en een stempel dat getuige 2 bij zich had. Mede tegen deze achtergrond kan de zich in het dossier bevindende brief van 6 juli 2006 van deze getuige 4 die zich presenteert als “Chairman Parliamentary Committee on Foreign Affairs” niet serieus worden genomen, nog daargelaten het feit dat ook de authenticiteit van deze brief niet kon worden vastgesteld.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ook neemt het hof als vaststaand aan dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet daarop was gericht. Het hof baseert dit oordeel op de omstandigheid dat de verdachte een grote hoeveelheid cash geld heeft aangenomen om te vervoeren van Amsterdam naar Libanon voor iemand die hij pas één keer eerder had gezien, zonder dat hij kennelijk heeft doorgevraagd naar de herkomst van het geld of zich anderszins van enige nadere informatie heeft voorzien. De verdachte heeft aldus welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om crimineel geld ging.

Bewezenverklaring

  • Witwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid van een poging tot witwassen van een gestolen schilderij en een klok

Rechtbank Oost-Brabant 16 maart 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1170 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader, dat hij kan worden aangemerkt als medepleger bij de poging tot witwassen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte subsidiair ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan een poging tot witwassen van de antieke klok en het schilderij.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Primair omdat de handelingen van medeverdachte 1 niet kunnen worden beschouwd als een strafbare poging, subsidiair omdat sprake is van vrijwillige terugtred aan de zijde van medeverdachte 1 en meer subsidiair omdat de bewijsbare gedragingen niet kunnen worden begrepen onder de tenlastegelegde delictsomschrijving ex artikel 420bis, eerste lid, aanhef onder b, van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Op 16 maart 2014 is aangifte gedaan van diefstal van een schilderij met een afbeelding van Titus, de zoon van Rembrandt, en een antieke klok uit een woning aan de adres 1, gepleegd tussen zaterdag 15 maart 2014 en zondag 16 maart 2014.

medeverdachte 1 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in april of mei 2014 onder de ruitenwisser van zijn auto een gele enveloppe heeft aangetroffen met daarin een briefje en een cd-rom. Op dat briefje stond dat er in de villa aan de straat een inbraak was geweest waarbij een zelfportret van Rembrandt en een gouden klok waren gestolen. De cd-rom heeft hij aan verdachte gegeven en nooit meer teruggezien. Om te kijken of medeverdachte 1 hier mee de kost kon verdienen, heeft hij verdachte en betrokkene 2 ingeschakeld. medeverdachte 1 heeft verdachte verzocht voor hem uit te zoeken of er een inbraak was gepleegd en betrokkene 2 heeft hij ingeschakeld voor onderhandelingen met de verzekeringsmaatschappij.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte 1 (door hem aangeduid als medeverdachte 1 ) hem heeft verzocht of hij kon uitzoeken of de spullen uit de woning aan de straat waren weggehaald. Verdachte heeft aangever hierover gebeld. In het eerste telefoongesprek vroeg aangever of verdachte hem later kon terugbellen. Enkele dagen later heeft verdachte aangever weer gebeld. Verdachte heeft aangever toen gezegd dat hij informatie had over de spullen die uit de betreffende woning waren weggehaald. Verdachte heeft aangever in dat telefoongesprek verder gezegd dat hij aanneemt dat de spullen verzekerd zijn en dat de mensen die hem geïnformeerd hebben zaken willen doen met de verzekeringsmaatschappij. Verdachte heeft verder gezegd dat als die mensen contact kunnen leggen met de verzekeringsmaatschappij het een appeltje en een eitje is dat de spullen terug komen.

Op 29 oktober 2014 is bij verdachte thuis een cd-rom aangetroffen met daarop een tweetal filmpjes van het bij de inbraak op de straat weggenomen schilderij en de klok.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat toen hij aan aangever vroeg of het kon zijn dat er iets gestolen was, het voor hem duidelijk was dat het om gestolen waar ging. Tegen aangever heeft hij gezegd dat er een kans was dat aangever zijn spullen terug kon krijgen. Verdachte heeft verder verklaard dat medeverdachte 1 het niet zelf wilde doen vanwege zijn verleden en dat hij het voor medeverdachte 1 wilde uitzoeken. Als de diefstal bevestigd zou worden door aangever, dan werd het een verzekeringsverhaal en dan zou verdachte dat aan medeverdachte 1 meedelen. Het was verdachte duidelijk dat als er ergens een partij gestolen goederen zou staan dat medeverdachte 1 iets met de verzekering wilde regelen. Verdachte heeft tot slot verklaard dat hij denkt dat iedereen wel weet dat het zo werkt dat er dan iets financieels tegenover staat.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte medeplichtig is aan een poging tot het witwassen van het schilderij en de klok. Verdachte heeft contact opgenomen met de aangever en hij heeft de aangever laten weten dat de gestolen spullen terug gekregen konden worden. Verdachte heeft aangever gezegd dat dit via de verzekeringsmaatschappij zou verlopen en hij heeft vervolgens de naam van de verzekeringsmaatschappij bij aangever opgevraagd en gekregen. Deze naam heeft hij doorgegeven aan medeverdachte 1. Verdachte is daarmee medeverdachte 1 behulpzaam geweest en hij heeft medeverdachte 1 de benodigde inlichtingen verschaft bij diens poging om het gestolen schilderij en de klok tegen een vergoeding over te dragen. Het overdragen en omzetten van uit misdrijf afkomstige goederen wordt gekwalificeerd als witwassen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van medeverdachte 1 worden gekwalificeerd als een poging tot witwassen. medeverdachte 1 heeft naar aanleiding van de door hem aangetroffen enveloppe verdachte en betrokkene 2 benaderd en hen respectievelijk verzocht onderzoek te doen naar de diefstal en onderhandelingen te voeren met de verzekeringsmaatschappij. betrokkene 2 heeft verklaard dat hij de verzekeringsmaatschappij zou vragen wat de beloning was en vervolgens met medeverdachte 1 zou overleggen over de verdeling ervan. medeverdachte 1 heeft met verdachte en betrokkene 2 contact onderhouden om op de hoogte te blijven van de stand van zaken. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van medeverdachte 1 naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op de voltooiing van het witwassen van de schilderij en de klok. Van een vrijwillige terugtred door medeverdachte 1 is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu het witwassen niet is voltooid omdat de verzekeringsmaatschappij niet geïnteresseerd leek. Dit volgt uit de verklaring van medeverdachte 1. Aldus is geen sprake van omstandigheden van de wil van medeverdachte 1 afhankelijk.

Bewezenverklaring

  • Medeplichtigheid aan poging tot witwassen

Strafoplegging

Taakstraf voor de duur van 34 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Eenvoudig (schuld)witwassen'

Nederland kent inmiddels al weer geruime tijd strafbaarstellingen van witwassen. De reikwijdte van die strafbaarstellingen heeft vooral op twee punten aanleiding gegeven tot nogal wat jurisprudentie van de Hoge Raad. Het eerste betreft de eis dat het wit te wassen voorwerp afkomstig moet zijn uit enig misdrijf. De relatie tussen het voorwerp en een misdrijf staat volgens de Hoge Raad voldoende vast als het ‘niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Die regel is verwoord in HR 13 juli 2010, NJ 2010/456. Een rechtstreeks verband met een specifiek misdrijf behoeft, zo volgt uit deze formulering, niet te worden bewezen. Het tweede punt, dat in deze bijdrage centraal staat, betreft de situatie waarin het voorwerp afkomstig is uit een misdrijf dat de witwasser zelf heeft gepleegd. De vraag of het voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen geld witwassen kon opleveren, werd de Hoge Raad expliciet voorgelegd in HR 2 oktober 2007, NJ2008/16, m.nt. M.J. Borgers.

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op het Tijdschrift Delikt en Delikwent. 

 

 

Print Friendly and PDF ^

De komst van een openbaar UBO-register

Onlangs heeft de Minister van Financiën in een kamerbrief de contouren van het UBO-register bekend gemaakt. Het meest in het oog springend is de keuze voor een openbaar toegankelijk register. Waar gegevens van UBO’s nu überhaupt niet bekend zijn, kunnen deze gegevens straks door eenieder worden opgevraagd. Een keuze waarmee menig UBO niet erg gelukkig zal zijn. Maar ook andere belanghebbende instanties maken zich zorgen over de afnemende privacy van UBO’s. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Groot aantal moneymules opgepakt

In gezamenlijke Europese actie naar witwassen werden 200 verdachten gehoord. Zij hadden hun rekening beschikbaar gesteld (moneymules) voor andere criminelen. Het totale bedrag wat op deze rekeningen is gestort is minimaal 7.5 miljoen euro.

Tussen 22 en 26 februari 2016 voerden verschillende handhavingsinstanties en justitiële diensten uit België, Denemarken, Griekenland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Roemenië, Spanje en Portugal een eerste gezamenlijke actie uit op Europees niveau, gericht op het aanpakken van geldezels. De Nederlandse politie, in de hoedanigheid van Electronic Crimes Task Force (ECTF), leidde deze actie ondersteund door Europol en Eurojust.

Ronselen

Moneymules worden gewoonlijk geronseld door criminele organisaties die hen inzetten voor het ontvangen en overhevelen van onwettig verkregen gelden (onder andere phising) naar bankrekeningen en/of landen. Het gaat hier om een schadepost die in Nederland al 8 ton is en Europees 7.5 miljoen bedraagt.  Door gebruik te maken van deze moneymules hebben de criminele organisaties toegang tot gestolen goederen of geld zonder dat de identiteit van hun leden bekend wordt. De 'vacatures' worden vaak in de vorm van een reguliere baan bekend gemaakt via online postings en sociale media.

Wiswassen

De geronselde individuen voeren hun opdracht doorgaans op vrijwillige basis uit. Moneymules spelen niet alleen een rol bij witwaspraktijken, maar dragen ook bij aan andere misdrijven waar het gestolen geld gebruikt kan worden voor de financiering van georganiseerde misdaad, bijvoorbeeld de illegale drugshandel en mensenhandel. De Nedelandse verdachten konden na verhoor het politiebureau weer verlaten en zullen zich voor de rechter moeten verantwoorden.

Bewustwording

Deze succesvolle gezamenlijke actie ter bestrijding van moneymules is tevens de start van een preventieprogramma in alle deelnemende landen om bewustwording over deze vorm van criminaliteit en de gevolgen ervan te bevorderen. In een aantal landen kan het optreden als moneymule ernstige gevolgen hebben. Door deel te nemen aan criminele praktijken loopt de persoon in kwestie het risico dat al zijn persoonlijke gegevens bekend worden bij de criminelen voor wie hij werkt. Ook komt hij bij de banken op de zwarte lijst te staan, wordt hij aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen en in staat van beschuldiging gesteld. Lees meer over deze vorm van fraude op onze speciale themapagina.

Bron: Politie

 

Print Friendly and PDF ^

Guidance for a Risk-Based Approach for Money or Value Transfer Services

Money or Value Transfer Services (MVTS) providers play an important role in the international financial system, in particular for the migrant communities around the world. This Guidance will assist countries and their competent authorities, as well as the practitioners in the MTVS sector and in the banking sector that have or are considering MVTS providers as customers, to apply the risk-based approach to the development of measures to combat money laundering and terrorist financing for the MVTS sector.

 

Print Friendly and PDF ^

Anti Money Laundering Centre (AMLC) lanceert website

Onlangs heeft het - op initiatief van de FIOD opgezette - Anti Money Laundering Centre (AMLC) haar website gelanceerd. Op deze website is informatie te vinden over het doel van het centrum en de activiteiten worden ontplooid. 

Waarom een Anti Money Laundering Centre (AMLC)

Witwassen is een bedreiging voor onze samenleving en kan ons financiële stelsel ernstig verzwakken. De aanpak van witwassen heeft prioriteit bij de overheid omdat het van groot belang is bij de bestrijding van ernstige criminaliteit. Het versluieren van de criminele herkomst van opbrengsten uit misdrijven stelt daders van deze misdrijven in staat om buiten het bereik van de opsporingsinstanties te blijven en ongestoord van het vergaarde vermogen te genieten.

Om aan dit speerpunt invulling te geven heeft de staatssecretaris van Financiën in het laatste regeerakkoord middelen gekregen om witwasbestrijding te verbeteren. In het akkoord staat een aantal hoofdpunten.

Onder andere een centraal gecoördineerde nationale en internationale samenwerking, versterking van de onderlinge relaties en een effectievere voorbereiding van mogelijke witwaszaken.

Op initiatief van de FIOD is het Anti Money Laundering Centre (AMLC) in 2013 opgericht. Het AMLC is een ontmoetingsplaats voor haar partnerorganisaties, zoals de FIOD, de politie, het Openbaar Ministerie, de Financial Intelligence Unit en de bijzondere opsporingsdiensten. Zij bundelen hier hun krachten om bij te dragen aan een geïntegreerde, brede aanpak van witwassen.

Wat doet het AMLC

Intake

Het AMLC draagt bij aan de bestrijding van witwassen door gebruik te maken van wet- en regelgeving.

Witwasbestrijding verloopt in drie stappen:

  1. vooronderzoek door de intake-afdeling van het AMLC
  2. het opsporingsonderzoek door de witwasteams van de FIOD
  3. vervolging door het Openbaar Ministerie

De intake-afdeling AMLC heeft als taak om signalen die kunnen duiden op witwassen, te beoordelen op dit delict en het uitvoeren van een vooronderzoek. Daarna kunnen de witwasteams van de FIOD starten met hun opsporingsonderzoek.

Kansrijke signalen

Elke dag komen er nieuwe witwassignalen binnen bij het AMLC. De signalen komen meestal van de partnerorganisaties. We beoordelen de signalen bij binnenkomst om te zien of er sprake zou kunnen zijn van witwassen. Vervolgens besluiten we in samenwerking met het Openbaar Ministerie (Functioneel Parket) of een signaal kansrijk is om verder te worden onderzocht in het vooronderzoek.

Vooronderzoek

Tijdens het vooronderzoek naar signalen verzamelt de intake-afdeling zo veel mogelijk informatie over relevante feiten en omstandigheden, betrokkenen en mogelijk gepleegde strafbare feiten. Op basis van deze informatie besluiten we in overleg of het opsporingsonderzoek wordt gestart. Bij de besluitvorming kijken we naar het financieel en maatschappelijk effect van een mogelijke vervolging, maar ook naar de bewijsbaarheid, prioriteit en of er mogelijkheden zijn om goederen af te pakken.

Het gezamenlijk besluitvormingsoverleg bestaat uit vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie (Functioneel Parket en Landelijk Parket), de nationale politie en het AMLC. Na acceptatie wordt de zaak in één van de witwasteams verder opgespoord onder gezag van een officier van justitie.

Naast deze stroom van binnenkomende signalen is de intake-afdeling betrokken bij een groot aantal projecten waar mogelijke witwassignalen worden gezien.

Kennis

Kennis over witwasproblematiek is voor het AMLC een belangrijke pijler. Daarom werkt het AMLC aan de ontwikkeling van kennis over witwasbestrijding. We onderscheiden hierin twee gradaties:

  • het creëren van bewustzijn in de maatschappij
  • het verhogen van vakkennis bij specialisten die reeds actief bezig zijn met witwasbestrijding

We verzamelen, veredelen en verspreiden kennis over witwasbestrijding. Deels hebben we die kennis zelf in huis en deels weten we die buitenshuis te vinden. Het AMLC is een ‘spin in het web’ die weet waar welke kennis aanwezig is. Wij fungeren als vraagbaak voor specialisten, geven voorlichtingen over witwasbestrijding en ontwikkelen opleidingen voor verschillende doelgroepen. Ook maken we trendanalyses en signaleren we nieuwe witwasmethodieken.

Het AMLC biedt kennis in diverse vormen aan. Naast de traditionele klassikale cursussen maken we gebruik van innovatieve wijzen van kennisoverdracht. Zo houden we webinars waarbij mensen vanaf hun werkplek informatie krijgen en vragen kunnen stellen. Maar we hebben ook een witwasspel bedacht, waarmee de witwasproblematiek vanuit een geheel andere invalshoek benaderd wordt. De uitkomsten van het witwasspel gebruiken we vervolgens voor de analyse van nieuwe witwasmethodieken.

Door de intake van witwassignalen en kennisontwikkeling samen te brengen, zorgt het AMLC dat kennis en opsporing elkaar over en weer versterken.

Kennisproducten

Gezien de snelle ontwikkelingen op het gebied van witwassen is de afdeling kennis voortdurend bezig met het bijhouden van kennis voor het AMLC en haar partners. Het delen van actuele kennis kan een belangrijke bijdrage leveren aan de bestrijding van witwassen. Voor het delen maken we gebruik van diverse kennisproducten zoals bijvoorbeeld een nieuwsbrief met daarin actuele jurisprudentie, nieuwsberichten en verdiepende artikelen.

Samenwerking

Het AMLC heeft de ambitie om een ondersteunende en coördinerende rol te vervullen en een ontmoetingsplaats voor professionals te zijn. Zo kan de nationale en internationale samenwerking intensiever worden. Voor een effectieve witwasbestrijding is deze goede samenwerking van essentieel belang. Op die manier kunnen we ervoor zorgen dat het crimineel geld in de samenleving afneemt.

Internationaal

Criminelen houden zich niet aan landsgrenzen en zijn actief in alle landen op de wereld. Daarom beperkt de samenwerking van het AMLC zich niet tot Nederland. Ook wereldwijd investeren we in een netwerk en bieden we een uitnodigende ontmoetingsplaats, waar nationale en internationale partnerorganisaties samenkomen en kennis en ervaringen delen.

 

Meer weten? Kom dan op vrijdag 8 april 2016 naar de Cursus Witwassen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Improving Global AML/CFT Compliance

As part of its on-going review of compliance with the AML/CFT standards, the FATF has to date identified the following jurisdictions which have strategic AML/CFT deficiencies for which they have developed an action plan with the FATF. While the situations differ among each jurisdiction, each jurisdiction has provided a written high-level political commitment to address the identified deficiencies. The FATF welcomes these commitments. A large number of jurisdictions have not yet been reviewed by the FATF. The FATF continues to identify additional jurisdictions, on an on-going basis, that pose a risk to the international financial system.

The FATF and the FATF-style regional bodies (FSRBs) will continue to work with the jurisdictions noted below and to report on the progress made in addressing the identified deficiencies. The FATF calls on these jurisdictions to complete the implementation of action plans expeditiously and within the proposed timeframes. The FATF will closely monitor the implementation of these action plans and encourages its members to consider the information presented below.

Jurisdictions with strategic deficiencies  Jurisdictions no longer subject to the FATF’s on-going global AML/CFT compliance process
 Afghanistan Bosnia and Herzegovina Guyana Iraq Lao PDR Myanmar Papua New Guinea Syria Uganda Vanuatu Yemen  Algeria Angola Panama

Afghanistan

In June 2012, Afghanistan made a high-level political commitment to work with the FATF and APG to address its strategic AML/CFT deficiencies. Since October 2015, Afghanistan has taken steps towards improving its AML/CFT regime, including by issuing amended cross-border declaration regulations for the physical transportation of cash and bearer negotiable instruments. However, the FATF has determined that certain strategic deficiencies remain. Afghanistan should continue to implement its action plan, including by: (1) further implementing its legal framework for identifying, tracing and freezing terrorist assets; (2) implementing an adequate AML/CFT supervisory and oversight programme for all financial sectors; and (3) implementing effective controls for cross-border cash transactions. The FATF encourages Afghanistan to address its remaining deficiencies and continue the process of implementing its action plan.

Bosnia and Herzegovina

In June 2015, Bosnia and Herzegovina made a high-level political commitment to work with the FATF and MONEYVAL to address its strategic AML/CFT deficiencies. However, the FATF has determined that certain strategic deficiencies remain. Bosnia and Herzegovina should continue to implement its action plan to address these deficiencies, including by: (1) harmonising criminalisation of terrorist financing in all criminal codes; (2) establishing and implementing an adequate legal framework for freezing terrorist assets under UNSCR 1373; (3) implementing an adequate supervisory framework; (4) implementing adequate AML/CFT measures for the non-profit sector; (5) establishing and implementing adequate cross-border currency controls; (6) harmonising criminalisation of money laundering in all criminal codes; and (7) ensuring adequate procedures for the confiscation of assets. The FATF encourages Bosnia and Herzegovina to address its AML/CFT deficiencies by implementing its action plan.

Guyana

In October 2014, Guyana made a high-level political commitment to work with the FATF and CFATF to address its strategic AML/CFT deficiencies. Since October 2015, Guyana has taken steps towards improving its AML/CFT regime, including by enacting further amendments to the AML/CFT Act and AML/CFT Regulations, and issuing FIU guidelines on targeted financial sanctions. However, the FATF has determined that certain strategic deficiencies remain. Guyana should continue to implement its action plan, including by ensuring and implementing an adequate legal framework for identifying, tracing and freezing terrorist assets. The FATF encourages Guyana to address its remaining deficiencies and continue the process of implementing its action plan.

Iraq

In October 2013, Iraq made a high-level political commitment to work with the FATF and MENAFATF to address its strategic AML/CFT deficiencies. Since October 2015, Iraq has taken steps towards improving its AML/CFT regime, including by gazetting a new AML/CFT law, which has now entered into force. However, the FATF has determined that certain strategic deficiencies remain. Iraq should continue to implement its action plan to address these deficiencies, including by: (1) addressing remaining issues related to its criminalisation of money laundering and terrorist financing; (2) establishing and implementing an adequate legal framework and appropriate procedures for identifying and freezing terrorist assets; (3) ensuring that all financial institutions are subject to adequate customer due diligence requirements; (4) ensuring that all financial institutions are subject to adequate suspicious transaction reporting requirements; (5) ensuring a fully operational and effectively functioning financial intelligence unit; and (6) establishing and implementing an adequate AML/CFT supervisory and oversight programme for all financial sectors. The FATF encourages Iraq to address its remaining AML/CFT deficiencies and continue the process of implementing its action plan.

Lao PDR

In June 2013, Lao PDR made a high-level political commitment to work with the FATF and APG to address its strategic AML/CFT deficiencies. Since October 2015, Lao PDR has taken steps towards improving its AML/CFT regime, including by issuing a Prime Minister’s Order on the freezing of terrorist assets, STR guidance for reporting entities, and regulations on preventive measures and financial sector supervision. However, the FATF has determined that certain strategic deficiencies remain. Lao PDR should continue to work on implementing its action plan to address these deficiencies, including by: (1) adequately criminalising money laundering and terrorist financing; (2) establishing and implementing adequate procedures for the confiscation of assets related to money laundering; (3) establishing and implementing an adequate legal framework for identifying, tracing and freezing terrorist assets; (4) implementing an adequate AML/CFT supervisory and oversight programme for all financial sectors; and (5) implementing effective controls for cross-border currency transactions. The FATF encourages Lao PDR to address its AML/CFT deficiencies and continue the process of implementing its action plan.

Myanmar

Since February 2010, when Myanmar made a high-level political commitment to work with the FATF and APG to address its strategic AML/CFT deficiencies, Myanmar has substantially addressed its action plan at a technical level, including by: (1) adequately criminalising money laundering and terrorist financing; (2) establishing and implementing adequate procedures to identify and freeze terrorist assets; (3) strengthening the extradition framework in relation to terrorist financing; (4) ensuring a fully operational and effectively functioning Financial Intelligence Unit; (5) enhancing financial transparency; and (6) strengthening customer due diligence measures. The FATF will conduct an on-site visit to confirm that the process of implementing the required reforms and actions is underway to address deficiencies previously identified by the FATF.

Papua New Guinea

Since February 2014, when Papua New Guinea made a high-level political commitment to work with the FATF and APG to address its strategic AML/CFT deficiencies, Papua New Guinea has substantially addressed its action plan at a technical level, including by: (1) adequately criminalising money laundering and terrorist financing; (2) establishing adequate procedures for the confiscation of assets related to money laundering; (3) establishing and implementing an adequate legal framework for identifying, tracing and freezing terrorist assets; (4) establishing a fully operational and effectively functioning financial intelligence unit; (5) establishing suspicious transaction reporting requirements; (6) implementing an adequate AML/CFT supervisory and oversight programme for all financial sectors; and (7) establishing effective controls for cross-border currency transactions. The FATF will conduct an on-site visit to confirm that the process of implementing the required reforms and actions is underway to address deficiencies previously identified by the FATF.

Syria

Since February 2010, when Syria made a high-level political commitment to work with the FATF and MENAFATF to address its strategic AML/CFT deficiencies, Syria has made progress to improve its AML/CFT regime. In June 2014, the FATF determined that Syria had substantially addressed its action plan at a technical level, including by criminalising terrorist financing and establishing procedures for freezing terrorist assets. While the FATF determined that Syria has completed its action plan agreed upon with the FATF, due to the security situation, the FATF has been unable to conduct an on-site visit to assess whether the process of implementing the required reforms and actions is underway. The FATF will continue to monitor the situation, and will conduct an on-site visit at the earliest possible date.

Uganda

In February 2014, Uganda made a high-level political commitment to work with the FATF and ESAAMLG to address its strategic AML/CFT deficiencies. Since October 2015, Uganda has taken steps towards improving its AML/CFT regime, including by amending the Financial Institutions Act to make the financial intelligence unit the central agency for receiving STRs, issuing and implementing regulations for the freezing of terrorist assets, issuing AML regulations for implementation of AML requirements, and issuing AML/CFT inspection manuals for financial sector supervisors. However, the FATF has determined that strategic deficiencies remain. Uganda should therefore continue to work on addressing the following deficiencies: (1) implementing an adequate legal framework and set of procedures for identifying and freezing terrorist assets; (2) ensuring that all financial institutions are subject to adequate record-keeping requirements; (3) establishing a fully operational and effectively functioning financial intelligence unit; (4) ensuring an adequate and effective AML/CFT supervisory and oversight programme for all financial sectors; and (5) ensuring that appropriate laws and procedures are in place with regard to international co-operation for the financial intelligence unit and supervisory authorities. The FATF encourages Uganda to address its remaining AML/CFT deficiencies, including adequately criminalising terrorist financing, and continue the process of implementing its action plan.

Vanuatu

In February 2016, Vanuatu made a high-level political commitment to work with the FATF and APG to address its strategic AML/CFT deficiencies. Vanuatu will work on implementing its action plan to address these deficiencies, including by: (1) adequately criminalising money laundering and terrorist financing; (2) establishing and implementing adequate procedures for the confiscation of assets related to money laundering; (3) establishing and implementing an adequate legal framework for identifying, tracing and freezing terrorist assets and other UNSCR sanctions; (4) ensuring a fully operational and effectively functioning financial intelligence unit; (5) strengthening preventive measures, including for wire transfers; (6) establishing transparency for the financial sector, and for legal persons and arrangements; (7) implementing an adequate AML/CFT supervisory and oversight programme for the whole financial sector and trust and company service providers; and (8) establishing appropriate channels for international co-operation and domestic coordination policies and actions on identified risks and ensuring effective implementation.

Yemen

Since February 2010, when Yemen made a high-level political commitment to work with the FATF and MENAFATF to address its strategic AML/CFT deficiencies, Yemen has made progress to improve its AML/CFT regime. In June 2014, the FATF determined that Yemen had substantially addressed its action plan at a technical level, including by adequately criminalising money laundering and terrorist financing; establishing procedures to identify and freeze terrorist assets; improving its customer due diligence and suspicious transaction reporting requirements; issuing guidance; developing the monitoring and supervisory capacity of the financial sector supervisory authorities and the financial intelligence unit; and establishing a fully operational and effectively functioning FIU. While the FATF determined that Yemen has completed its action plan agreed upon with the FATF, due to the security situation, the FATF has been unable to conduct an on-site visit to assess whether the process of implementing the required reforms and actions is underway. The FATF will continue to monitor the situation, and conduct an on-site visit at the earliest possible date.

Jurisdictions no Longer Subject to the FATF’s On-Going Global AML/CFT Compliance Process

Algeria

The FATF welcomes Algeria’s significant progress in improving its AML/CFT regime and notes that Algeria has established the legal and regulatory framework to meet its commitments in its action plan regarding the strategic deficiencies that the FATF had identified in October 2011. Algeria is therefore no longer subject to the FATF’s monitoring process under its on-going global AML/CFT compliance process. Algeria will work with MENAFATF as it continues to address the full range of AML/CFT issues identified in its mutual evaluation report.

Angola

The FATF welcomes Angola’s significant progress in improving its AML/CFT regime and notes that Angola has established the legal and regulatory framework to meet its commitments in its action plan regarding the strategic deficiencies that the FATF had identified in June 2010 and February 2013. Angola is therefore no longer subject to the FATF’s monitoring process under its on-going global AML/CFT compliance process. Angola will work with ESAAMLG as it continues to address the full range of AML/CFT issues identified in its mutual evaluation report.

Panama

The FATF welcomes Panama’s significant progress in improving its AML/CFT regime and notes that Panama has established the legal and regulatory framework to meet its commitments in its action plan regarding the strategic deficiencies that the FATF had identified in June 2014. Panama is therefore no longer subject to the FATF’s monitoring process under its on-going global AML/CFT compliance process. Panama will work with GAFILAT as it continues to address the full range of AML/CFT issues identified in its mutual evaluation report.

 

Bron: FATF

 

Print Friendly and PDF ^