Vergoeding van misdrijfschade: naar een trauma-geïnformeerde aanpak

De mogelijkheden voor slachtoffers en nabestaanden van criminaliteit om misdrijfschade geheel of gedeeltelijk vergoed te krijgen, zijn de afgelopen decennia fors uitgebreid. Allereerst is het door de inwerkingtreding van de Wet Terwee halverwege de jaren negentig voor hen aantrekkelijker geworden om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij; de hoogte van het bedrag waarvoor zij schadevergoeding kunnen vorderen, is sindsdien niet meer tot een maximum beperkt. Dit betekent dat ook vorderingen van hoge schadebedragen aan de strafrechter kunnen worden voorgelegd. Daarnaast heeft de wet ook de voorwaarden waaronder slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven een financiële tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven kunnen krijgen voor psychisch letsel versoepeld; het vereiste dat dit letsel het gevolg moest zijn van door het misdrijf veroorzaakt fysiek letsel kwam te vervallen. Ten slotte heeft ook de inwerkingtreding van de Wet vergoeding affectieschade in 2019 de mogelijkheden tot het verkrijgen van een schadevergoeding via het strafproces en een tegemoetkoming uit het genoemde schadefonds vergroot. Dit soort schade kwam daarvoor immers niet voor zo’n vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking. Met name voor de nabestaanden van door een misdrijf overleden slachtoffers is deze wetswijziging erg belangrijk geweest. Hoewel geld nooit het verdriet en de pijn kan wegnemen die met het verlies van een dierbare gepaard gaan, kan het voor hen wel voelen als een bron van erkenning.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Het nemo tenetur-beginsel en het dilemma van de gedaagde verdachte

Hoewel het zijn van verdachte in zijn algemeenheid al nicht unkompliziert is, krijgen sommige verdachten te maken met aanvullende juridische procedures die hun positie er niet bepaald eenvoudiger op kunnen maken. De casus die ten grondslag lag aan het in deze bijdrage te bespreken arrest van de Hoge Raad illustreert dat. Het arrest draait om een verdachte die niet alleen strafrechtelijk vervolgd wordt, maar tegelijkertijd in een civiele procedure is betrokken door het (beweerdelijke) slachtoffer van het feit waar de strafrechtelijke vervolging op ziet. Deze ‘gedaagde verdachte’ krijgt een aanvullend dilemma voor de kiezen: voert hij verweer in de civiele procedure, dan kan alles wat hij aanvoert tegen hem worden gebruikt in zijn strafzaak, terwijl hij in die strafzaak nu juist gebruik kan maken van zijn recht om te zwijgen (art. 29 Wetboek van ­Strafvordering; Sv). Voert hij daarentegen geen (of onvoldoende) verweer in de civiele zaak, dan moeten de vorderingen van het slachtoffer in principe worden toegewezen (art. 149 Rv).

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Verruimd procesbelang vanwege mogelijke Bibob-problematiek

Onderhavige uitspraak gaat over een procedure tegen respectievelijk een geweigerde omgevingsvergunning, een last onder dwangsom en de invordering van die last. Tegen die besluiten zijn verschillende gronden van hoger beroep aangevoerd, waaraan in deze notenkraker verder nagenoeg geheel voorbijgegaan wordt. Het enige dat hier wordt besproken is het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aangenomen procesbelang van de oorspronkelijke adressant van die besluiten. Met name wordt aandacht besteed aan de reden waarom procesbelang wordt aangenomen bij de procedure tegen de last onder dwangsom en welke consequenties de uitspraak van de Afdeling op dat punt heeft. Die consequenties lijken mij namelijk behoorlijk ver strekken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Het jaarverslag Ondernemingskamer 2025 door de bril van het bijzonder strafrecht

Het jaarverslag Ondernemingskamer 2025 toont een forse toename van zaken (201 tegenover 139 in 2024) en een breder palet aan onderwerpen. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk zijn drie rode draden van belang. Tegenstrijdig belang speelde een hoofdrol in onder meer Nexperia, i3 Holding en Eukairos (voorheen Centric), met feitencomplexen die ook strafrechtelijk in beeld kunnen komen. Het Openbaar Ministerie zette in de Centric-zaak na ruim twintig jaar weer artikel 2:345 lid 2 BW in, met een wanbeleidsvaststelling op 11 december 2025 als resultaat. De Nexperia-spoedbeschikkingen verbinden ten slotte het enquêterecht met de Wet beschikbaarheid goederen, de Amerikaanse Entity List en het bredere sanctierechtelijke kader.

Read More
Print Friendly and PDF ^

De klok tikt: de Nederlandse e-evidence implementatie ontleed

In een eerder artikel heb ik een overzicht gegeven van het e-evidencepakket van de Europese Unie (EU), met de nadruk op de gevolgen voor datagedreven bedrijven. Dat artikel verscheen begin 2023, kort na het bereiken van een politiek akkoord over de tekst van de Verordening en de Richtlijn. Inmiddels zijn we ruim drie jaar verder. De Verordening en de Richtlijn zijn formeel vastgesteld en gepubliceerd, en er is een belangrijke volgende stap gezet: de Nederlandse wetgever heeft een wetsvoorstel ingediend ter implementatie van het pakket: de Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (hierna: de Uitvoeringswet). Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is inmiddels uitgebracht en verwerkt in het wetsvoorstel. Het is nu niet langer de vraag óf deze regelgeving er komt, maar hoe dienstaanbieders zich hierop moeten voorbereiden. De Verordening wordt toepasselijk per 18 augustus 2026, en bestaande dienstaanbieders hebben tot diezelfde datum om een geadresseerde aan te wijzen. De klok tikt dus.

Read More
Print Friendly and PDF ^