SFO & PV ontneming gebaseerd op wvv uit bedrieglijke bankbreukovertredingen. Beklag ongegrond ondanks dat klager is vrijgesproken voor deze feiten.

Rechtbank Rotterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1618

In 2007 is het OM een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Golf’ gestart tegen de klager en anderen wegens onder andere faillissementsfraude, valsheid in geschrift en omkoping. In dat strafrechtelijk onderzoek is op 29 augustus 2007 door de rechter-commissaris een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven. Binnen dit onderzoek zijn op diverse data op de voet van artikel 94a Sv beslagen gelegd.

Op 22 april 2010 is vervolgens door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 20.000.000 afgegeven en op 2 oktober 2015 is voorts door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 42.253.198,95 afgegeven.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2013 is de klager veroordeeld ter zake van omkoping, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. Door het openbaar ministerie is bij de behandeling van de strafzaak tevens een ontnemingsvordering aangekondigd.

Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de klager vrijgesproken van de bedrieglijke bankbreuken, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. De klager is veroordeeld voor omkoping en valsheid in geschrift. Tegen dit arrest is door het openbaar ministerie cassatie ingesteld.

Op 21 mei 2015 is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel thans wordt geschat op € 42.253.198,95, aan de klager betekend.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd althans de voortduring van de beslagen onrechtmatig is. Tegen de klager is een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: SFO) ingesteld. Zowel het SFO als de ontnemingsvordering zijn (uitsluitend) gebaseerd op verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen, waarvan de klager bij arrest van 30 juni 2015 is vrijgesproken.

Uit het Geerings-arrest van het EHRM en de vaste nationale jurisprudentie volgt dat een feit, waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet (meer) ten grondslag kan worden gelegd aan een ontnemingsmaatregel. Met de gegeven vrijspraken ten aanzien van de bedrieglijke bankbreuken is derhalve de grondslag van de ontnemingsvordering en van de, ten behoeve van de ontnemingsvordering gelegde, beslagen komen te ontvallen, waardoor de gelegde beslagen niet, althans niet langer, rechtmatig zijn. Hiermee doet zich het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelende, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Voorts is de voortduring van de gelegde beslagen disproportioneel in relatie tot de zakelijke en privé belangen van de klager bij opheffing.

De klager heeft verzocht de gelegde beslagen op te heffen en te beslissen dat alle beslagen zullen worden geretourneerd aan de klager dan wel de andere rechthebbenden.

De officier van justitie heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de klager niet ontvankelijk in zijn beklag dient te worden verklaard, nu hij niet stelt de rechthebbende van de zogenaamde ander-beslagen te zijn. Daarbij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de wet geen mogelijkheid biedt om de teruggave aan een ander dan de klager te gelasten, terwijl de klager in zijn klaagschrift zulks wel verzoekt.

De officier van justitie heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, nu niet buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat de klager als eigenaar kan worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal zijn gepresenteerd, laten enerzijds zien dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om het verhaal te frustreren en anderzijds om bewust twijfel te creëren over de werkelijke eigendom. Ondanks dat voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om verhaal te frustreren, brengt die werkwijze met zich mee dat zowel van de ander-beslagenen als van de verdachte niet meer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke en/of formele eigenaar is.

De officier van justitie heeft zich in de derde plaats op het standpunt gesteld dat het beklag voor wat betreft de door de klager gestelde onrechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag wegens de vrijspraken voor de bedrieglijke bankbreuken onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Nu geen sprake is van een algehele vrijspraak, laat staan een onherroepelijke uitspraak, bestaat thans geen reden om de ontnemingsprocedure te beëindigen of afwijzing hiervan te vrezen. Het belang van strafvordering is nog steeds onverkort gediend bij het voortduren van de conservatoire beslagen die dienen tot zekerheid van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel en/of geldboete. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 30 juni 2015 de klager veroordeeld voor feiten die een aanzienlijk wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen verklaren. Het financieel onderzoek naar de hoogte van dit voordeel wordt thans nog voortgezet. Tot het moment dat de klager onherroepelijk is veroordeeld in deze zaak zal de ontnemingsprocedure in ieder geval vooralsnog gericht zijn op ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat verkregen is uit de door het gerechtshof bewezenverklaarde feiten en/of uit andere door verdachte gepleegde strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan (artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en/of waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde dit op enigerlei wijze uit andere feiten heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). Uitgaande van de feiten waarvoor de klager door het gerechtshof is veroordeeld, kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden berekend op grond van de waarde en/of bespaarde kosten van de verstrekte garanties en van de overige tegenprestaties en/of de waarde van de (deels op grond van deze garanties) verstrekte geldbedragen en het vervolgprofijt dat met het wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die nopen tot een onderzoek naar de proportionaliteit dan wel dat het gelegde conservatoire beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

Ontvankelijkheid

Vooropgesteld wordt dat uitsluitend belanghebbenden zich op grond van artikel 552a Sv kunnen beklagen over inbeslagneming. Belanghebbenden bij een klacht tegen de inbeslagneming zijn al degenen (natuurlijke of rechtspersonen) die op grond van artikel 116 Sv een recht op teruggave van het inbeslaggenome aan hen kunnen claimen. In de eerste plaats betreft dit degene onder wie het beslag is gelegd. Dit kan degene zijn tegen wie het strafrechtelijk onderzoek loopt of een andere derde. In de tweede plaats betreft dit degene die stelt rechthebbende op het beslag te zijn. De klager heeft ten aanzien van de gelegde beslagen gesteld dat hij rechthebbende is omdat de beslagen onder hem zijn gelegd naar aanleiding van de tegen de klager ingestelde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de klager ontvankelijk zal worden verklaard in het beklag.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Voor wat betreft die voorwerpen die onder de klager in beslag zijn genomen, oordeelt de rechtbank mede over de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming. Het onderzoek met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag ziet in onderhavige procedure, gelet op het summiere karakter, slechts op de formaliteiten waaraan een beslaglegging moet voldoen.

De rechtbank zal onderzoeken I) of aan de criteria van artikel 94a Sv is voldaan, II) of aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c of 103 Sv is voldaan en III) of het leggen dan wel het voortduren van het beslag in kwestie proportioneel is.

Ad I artikel 94a Sv

Verdenking of veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 94aSv?

Bij arrest van 30 juni 2015 is de klager veroordeeld ter zake van artikel 177 en 225 Sr. Voor beide feiten geldt dat hiervoor een geldboete van de vijfde categorie opgelegd kan worden. Gelet hierop wordt voldaan aan het vereiste van artikel 94a Sv dat sprake moet zijn van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Niet hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd?

De tweede vraag die in het kader van artikel 94a Sv beantwoord dient te worden is of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De kern van het klaagschrift is dat aan dit vereiste niet wordt voldaan.

De rechtbank verwerpt deze klacht. Vaststaat dat het SFO en het proces-verbaal ontneming thans (nog) zijn gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen en dat de klager ter zake dit feit door het gerechtshof is vrijgesproken. Echter, het gerechtshof heeft de klager wel veroordeeld ter zake van artikel 177 Sr (omkoping) en vastgesteld dat aan de klager gelieerde vennootschappen daardoor zijn bevoordeeld. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangevoerd dat de klager als gevolg daarvan voordeel heeft genoten en dat de ontnemingsvordering op dit voordeel zal worden gebaseerd. Nader onderzoek hiernaar vindt nog plaats. Bij deze stand van zaken kan niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Bij dit oordeel is betrokken dat het de officier van justitie in dit stadium van het onderzoek vrij staat om de (grondslag van de) ontnemingsvordering aan te passen of te wijzigen en dat de strafzaak tegen de klager nog niet onherroepelijk is. Daarbij geldt nog dat, anders dan de klager lijkt te menen, voor een verdergaande inhoudelijke toets in de beklagprocedure geen plaats is omdat het dossier dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Aan de criteria van artikel 94a Sv is derhalve voldaan.

Ad II vormvoorschriften

Uit de hiervoor weergegeven feiten en de stukken in het raadkamerdossier blijkt dat aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c en 103 Sv is voldaan. De beslagen zijn gelegd na schriftelijke machtigingen van de rechter-commissaris en zijn aan de klager dan wel derden betekend. Dat in de vordering SFO van 29 augustus 2007 slechts het artikel ter zake van de bedrieglijke bankbreuk was opgenomen en de klager hiervan door het gerechtshof is vrijgesproken, doet hier niets aan af. De vordering dateert van het begin van het strafrechtelijk onderzoek naar de klager als verdachte. Het onderzoek naar (andere) strafbare handelingen was op dat moment nog gaande. In 2010 is de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag gebaseerd op alle aan de klager ten laste gelegde feiten. Ook de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag van 29 september 2015 omvat de feiten waarvan de klager verdacht wordt, alsmede de feiten waarvoor de klager thans door het gerechtshof is veroordeeld.

Ad III proportioneel

Uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat het onderzoek naar de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel thans nog niet is afgerond. De hoogte van de op 21 mei 2015 aan de klager betekende ontnemingsvordering behelst een schatting van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 42 miljoen. De totale waarde van de tot nu toe gelegde beslagen bedraagt ongeveer € 6 miljoen. De exacte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dit stadium nog niet bekend, doch wordt thans door het openbaar ministerie geschat op een bedrag dat hoger is dan het ten laste van de klager gelegde beslag. Gelet hierop is geen sprake van een disproportioneel gelegd beslag.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het – voorlopig oordelend – niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag wordt dan ook ongegrond verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Enkele vrolijke gedachten over witwassen en voordeelsontneming'

In de saaie en voor sommigen licht deprimerende donkere dagen ná kerst, hebben wij toch allemaal behoefte aan een enkel opbeurend woord, een verlichtende overweging, een vrolijke noot. Het delict witwassen blijft daarvoor een onuitputtelijke bron van inspiratie. In deze bijdrage richt ik mij meer in het bijzonder op de rechtsfiguur van de “vermenging”, in samenspel met de figuur van het fiscale grondfeit.  Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'De met de voordeelontneming corresponderende civiele vordering'

Het Wetboek van Strafvordering kent diverse procedures die moeten voorkomen dat de gewezen verdachte dubbel moet betalen als gevolg van met de ontnemingsmaatregel corresponderende civiele vorderingen of dat gebrek aan verhaalmogelijkheden voor de derde-benadeelde ontstaan. De auteur pleit ervoor dat strafrechters ook tussen derde-benadeelde en verdachte tot stand gekomen civiele vaststellingsovereenkomsten gaan betrekken bij verzoeken om matiging, kwijtschelding of overdracht van het ontnemingsbedrag. Lees verder:

 

Om dit artikel te kunnen raadplegen dient u te zijn geabonneerd op Strafblad. 

 

Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsvordering van ruim vijf miljoen toegewezen na veroordeling wegens oplichting. Afwijzing draagkrachtverweer.

Rechtbank Gelderland 5 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:629 De rechtbank heeft de man vorig jaar veroordeeld voor onder meer oplichting van meerdere personen en rechtspersonen door hen niet-bestaande vorderingenportefeuilles te verkopen. Het Openbaar Ministerie vorderde daarom een bedrag van € 5.126.665,- van de man in verband met het voordeel dat hij door die oplichting zou hebben gehad. De rechtbank acht bewezen dat de man door zijn handelen wederrechtelijk voordeel heeft gehad voor een bedrag van € 5.123.240,19 en heeft bepaald dat de man dit aan de Staat moet betalen.

De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering zal worden gematigd. De raadsman heeft zich beroepen op de Aanwijzing Afpakken, waarin staat dat een ontnemingsvordering niet wordt ingediend wanneer vaststaat dat de betrokken persoon geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. De raadsman heeft naar voren gebracht dat veroordeelde op leeftijd is en dat zijn naam besmet is. Bovendien heeft veroordeelde een ernstige ziekte, waarvan het toekomstbeeld niet rooskleurig is. Volgens de raadsman is er geen draagkracht en valt ook niet te verwachten dat veroordeelde dat in de toekomst wel zal hebben.

Ten aanzien van de vordering heeft de raadsman naar voren gebracht dat geen rekening is gehouden met de door de rechtbank toegekende vorderingen van de benadeelde partijen. Verder is veroordeelde niet bevoordeeld door het bedrag dat de benadeelde partij 1 aan hem heeft betaald nu veroordeelde dat geld heeft gebruikt om een schuld van zijn vennootschap te voldoen. Niet veroordeelde maar de vennootschap heeft dus voordeel genoten. De oplichting van benadeelde 2 is niet bewezen verklaard, aldus de raadsman. Dat bedrag dient daarom op de vordering in mindering te worden gebracht.

De rechtbank houdt geen rekening met de vorderingen van de benadeelde partijen die in de hoofdzaak zijn toegewezen nu het vonnis niet onherroepelijk is.

Het verweer van de raadsman dat veroordeelde niet is bevoordeeld door het bedrag dat hij van benadeelde 1 ontving omdat dit bedrag is aangewend voor de betaling van een schuld van de vennootschap wordt verworpen. De rechtbank heeft bewezen geacht dat veroordeelde door zijn handelen benadeelde 1 ertoe heeft bewogen geld naar hem over te maken voor de aankoop van vorderingenportefeuilles. Niet wordt betwist dat benadeelde 1 een bedrag van € 565.000,- heeft betaald aan veroordeelde en geen betalingen van veroordeelde heeft ontvangen. Hieruit volgt dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van het door benadeelde 1 betaalde geld. Hoe veroordeelde dat geld vervolgens heeft besteed staat daar los van en doet niet af aan het feit dat het geld wederrechtelijk is verkregen.

De raadsman heeft een draagkrachtverweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat veroordeelde gelet op zijn leeftijd en zijn besmette naam waarschijnlijk niet meer aan werk zal kunnen komen. Bovendien heeft veroordeelde een ernstige ziekte, waarvan het toekomstbeeld niet rooskleurig is. Volgens de raadsman is er geen draagkracht en valt ook niet te verwachten dat veroordeelde dat in de toekomst wel zal hebben.

De rechtbank overweegt dat een draagkrachtverweer, zoals door veroordeelde is gedaan, alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld in het ontnemingsgeding, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde tegen wie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gericht is, nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat van die situatie hier sprake is. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat onvoldoende inzicht is in het vermogen van veroordeelde mede gelet op zijn investeringen in de villa in Thailand. Dat deze villa niet op zijn naam staat maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt daarom het draagkrachtverweer.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming: wvv mede ontleend aan de inhoud van de in een pv neergelegde anonieme melding. HR zet motiveringseisen aan gebruik van schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt uiteen.

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:166

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juli 2014 de uitspraak bevestigd van de Rechtbank Limburg van 2 september 2013, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd om een bedrag van € 49.336,52 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte de beslissing ex art. 36e Sr van de Rechtbank heeft bevestigd, nu de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend aan een schriftelijk bescheid houdende een anonieme verklaring en zij in haar uitspraak geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, noch of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen, zodat de uitspraak gelet op het bepaalde in art. 511g Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 360, eerste lid, Sv niet in stand kan blijven.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De Rechtbank heeft dit voordeel geschat op € 49.336,52 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd ter hoogte van dit bedrag.

De uitspraak van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"3. De uitgangspunten voor de beoordeling

Bij (...) vonnis d.d. 2 september 2013 is [betrokkene] veroordeeld wegens onder meer opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, gepleegd op 18 mei 2012.

(...)

4. De bewijsmiddelen

Op 18 mei 2012 is in de kelder van de woning [a-straat 1] te Maastricht een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen. Voorts zijn op de zolder van deze woning twee 'growtenten' met hennepplanten aangetroffen. In de kelder stonden 546 planten. Op de zolder stonden in iedere tent 50 planten. Onderzoek wees uit dat het hennepplanten betrof. Op de vloer van de kelder zijn verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen. Voorts zijn op de grond in de kelder knipschaartjes met hennepresten aangetroffen. Op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen lag stof. Verder zijn diverse lege flacons aangetroffen waarin groei- en bloeimiddel had gezeten, was er sprake van kalkafzetting in een ton met water en was er een perfecte en zeer volle hennepplant met bloem.

Volgens een anonieme tip was er al eerder geoogst. [Met verwijzing naar voetnoot 7, die luidt: Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2012 op pagina 13.]

Tegenover de politie heeft verdachte verklaard dat de plantage van hem was.

Ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2013 heeft verdachte verklaard dat hij voor de woning [a-straat 1] te Maastricht € 2.000,00 of € 2.400,00 huur per maand betaalde, inclusief elektriciteitskosten. [betrokkene 1] , de eigenaar van de woning, heeft verklaard dat hij de woning in mei 2011 aan verdachte heeft verhuurd.

5. De schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1

De berekening en de motivering van de schatting

De rechtbank ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat [betrokkene] uit de baten van het opzettelijk telen van hennep, voorafgaande aan de op 18 mei 2012 aangetroffen teelt, voordeel heeft gekregen. De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 49.336,52.

Uit voormelde bewijsmiddelen volgt onder meer dat in de door [betrokkene] gehuurde woning aan de [a-straat 1] te Maastricht knipschaartjes met hennepresten zijn aangetroffen en diverse lege flacons waarin groei- en bloeimiddel had gezeten. Ook was sprake van stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen en van kalkafzetting in een ton met water. Daarnaast is een perfecte en zeer volle hennepplant met bloem aangetroffen, hetgeen - naar de rechtbank als feit van algemene bekendheid aanneemt - bij een eerste oogst allerminst voor de hand ligt. Ten slotte werd er in een anonieme tip melding van gemaakt dat er al eerder was geoogst.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene] een eerdere oogst heeft gehad.

De rechtbank gaat ervan uit dat [betrokkene] in de woning waarin op 18 mei 2012 een hennepkwekerij is aangetroffen, eenmaal eerder hennepplanten heeft geoogst. Zij gaat daarbij uit van hetzelfde aantal hennepplanten dat ook op 18 mei 2012 is aangetroffen, te weten 646 planten."

Uit het vorenstaande volgt dat de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede heeft ontleend aan de inhoud van de in een proces-verbaal van politie neergelegde anonieme melding dat "er al eerder [was] geoogst". Dat proces-verbaal moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv.

Indien de rechter in de ontnemingsprocedure de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede ontleent aan een schriftelijk bescheid houdende een anonieme verklaring, dient hij overeenkomstig art. 360, eerste lid, Sv in zijn uitspraak ervan blijk te geven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, alsmede of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen. (Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412.) Van een dergelijk onderzoek blijkt niet. Nu het Hof de uitspraak van de Rechtbank - die niet voldoet aan de eisen van art. 360, eerste lid, Sv - zonder aanvulling in de zin van art. 423, eerste lid, Sv heeft bevestigd, voldoet ook het arrest van het Hof niet aan die eisen.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Geknutsel in de ontnemingswetgeving'

De ontnemingswetgeving is geen rustig bezit. Sinds de invoering ervan op 1 maart 1993 heeft de wetgever herhaaldelijk aanleiding gezien om wijzigingen in het ontnemingsrecht door te voeren. Zie bijvoorbeeld de vervanging van de vervangende hechtenis door de lijfsdwang, de verruiming van de mogelijkheden tot het leggen van conservatoir beslag om schijnconstructies te doorbreken, de mogelijkheid om ook na de uitspraak in eerste aanleg een nader strafrechtelijk financieel onderzoek in te stellen om te speuren naar vermogensbestanddelen en de introductie van het strafrechtelijk executie-onderzoek. Deze wijzigingen worden positief gewaardeerd, omdat hiermee tegemoet werd gekomen aan in de praktijk ervaren knelpunten of tekortkomingen in het ontnemingsinstrumentarium. Naast dergelijke nuttige wijzigingen heeft de wetgever ook enkele malen aanleiding gezien om in de ontnemingswetgeving wijzigingen aan te brengen waarvan de waarde en betekenis erg diffuus zijn.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

OM: 143,5 miljoen euro afgepakt in strafrechtketen

Er is afgelopen jaar in totaal EUR 143.576.295 afgepakt in de strafrechtketen Dit is het gezamenlijk resultaat van de samenwerking tussen een groot aantal overheidsdiensten, zoals de Politie, FIOD, Douane, De Dienst Domeinen, het Centraal Justitieel Incassobureau en vele andere partners. Een groot deel van alle criminaliteit wordt gepleegd met het oog op snel financieel gewin. Of het nu gaat om drugshandel, diefstal of fraude: in alle gevallen is geld de drijfveer van criminelen. Door dit geld van de criminelen af te pakken, raken Politie, Bijzondere Opsporingsdiensten en alle andere partners hen op een plek waar het pijn doet: in de portemonnee. Doorgewinterde criminelen calculeren een eventuele celstraf in als beroepsrisico. Door hun vermogen af te pakken verliezen daders hun status in het criminele milieu en verliezen zij het investeringsbudget om nieuwe misdaadavonturen aan te gaan. Bovendien draagt het programma Afpakken bij aan herstel van het rechtsgevoel in de maatschappij. Het is goed als burgers zien dat de dubieuze dure auto van vage types wordt afgepakt. We willen niet dat eerlijke bedrijven over de kop gaan omdat criminele bedrijven de markt verzieken door concurrentievervalsing. Afpakken kan om grote zaken en bedragen gaan, maar we vinden afpakken in kleinere zaken net zo belangrijk. Zodat mensen in een wijk zien dat hun buurtgenoot niet langer dat hele dure horloge draagt, betaald met crimineel geld.

Groei afpaktotaal

Het geld dat is afgepakt van criminelen is eerst en vooral bedoeld voor slachtoffers. Het belangrijkste is om hen zoveel mogelijk financieel compenseren. Wat afgepakt wordt voor slachtoffers zit niet in het afpaktotaal verwerkt. Alleen bij misdrijven waar zich geen slachtoffers melden, zoals bijvoorbeeld in corruptie- of drugszaken, vloeit het crimineel vermogen dat wordt afgepakt naar de schatkist. Dit jaar gaat er dus 143,5 miljoen euro naar de Staat. Voorgaande jaren bedroeg het afpaktotaal bijna 136 miljoen (2014), bijna 90 miljoen (2013) en bijna 50 miljoen (2012). De inzet van de komende jaren is om dit cijfer nog verder door te laten groeien. Waar het ons om gaat is dat misdaad niet mag lonen.

De komende jaren zullen alle partners zich inspannen om misdaad niet te laten lonen. De fraudebestrijding zal nog verder geïntensiveerd worden, met name ook de witwasbestrijding. Het streven is dat alle diensten nog meer integraal gaan afpakken, om de gezamenlijke kansen en samenwerking nog beter benutten. Daarbij kunnen we kiezen uit een breed palet aan instrumenten, zoals boetes, ontnemingen, transacties en verbeurdverklaringen.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Verdachte in voorlopige hechtenis in strafzaak dus had hem ook in de ontneming ambtshalve een raadsman dienen te worden toegevoegd

Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:65

De veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2009 veroordeeld ter zake van het meermalen overtreden van de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 370.297,76.

De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 12 december 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 250.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Openbaar Ministerie en de veroordeelde hebben hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat op grond van artikel 41 jo. artikel 27, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg door de voorzitter van de rechtbank een advocaat had dienen te worden toegevoegd, nu de veroordeelde in de strafzaak voorlopige hechtenis heeft ondergaan. De rechtbank heeft de zaak behandeld, zonder dat aan deze verplichting was voldaan en zonder dat de veroordeelde door een advocaat is bijgestaan, zulks ten onrechte. Nu de rechtbank niet aan behandeling van de zaak had mogen toekomen zonder dat de veroordeelde door een advocaat werd bijgestaan, heeft de raadsvrouw het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het dictum van het arrest in de strafzaak leidt het hof af dat in de strafzaak ten aanzien van de veroordeelde voorlopige hechtenis is bevolen. Niet is gebleken dat zich in de ontnemingsprocedure een advocaat als raadsman heeft gesteld noch dat ambtshalve toevoeging als bedoeld in artikel 41 Sv heeft plaatsgevonden. De ontnemingszaak is zonder dat de veroordeelde ter terechtzitting werd bijgestaan door een raadsman bij verstek afgedaan.

Artikel 41, eerste lid, aanhef en onder a, Sv bepaalt dat aan de verdachte die geen raadsman heeft, op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank, een raadsman wordt toegevoegd wanneer zijn bewaring of gevangenneming is bevolen, dan wel, indien de verdachte niet in verzekering was gesteld, wanneer zijn bewaring of gevangenneming is gevorderd. Op grond van artikel 27, derde lid, Sv komen de aan de verdachte toekomende rechten tevens toe aan de veroordeelde te wiens aanzien op een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht niet onherroepelijk is beslist. Uit de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, nr. 3, pagina 39, volgt dat daaronder ook vallen de rechten tot bijstand door een gekozen of toegevoegde raadsman. Hierin wordt, aldus de wetgever, mede tot uitdrukking gebracht dat het strafrechtelijk financieel onderzoek en de ontnemingsprocedure moeten worden gezien als sequeel of voortzetting van de strafvervolging van de onderliggende feiten en de behandeling daarvan in de hoofdprocedure, hetgeen eveneens volgt uit (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad. Gelet hierop, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat artikel 41 Sv van overeenkomstige toepassing is in de ontnemingsprocedure.

Het voorgaande brengt mee dat – toen bij de terechtzitting van de rechtbank van 12 december 2014 bleek dat de veroordeelde niet werd bijgestaan door een raadsman – de rechtbank de behandeling van de zaak had moeten schorsen, opdat op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank aan de veroordeelde alsnog een raadsman zou zijn toegevoegd met het oog op de behandeling van de procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het in het belang van de veroordeelde gegeven voorschrift neergelegd in artikel 41, eerste lid, aanhef en onder a, Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan aan een geldige behandeling ter terechtzitting in de weg staat. Het hof zal het vonnis daarom vernietigen en, nu de raadsvrouw zulks heeft verlangd, de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Holland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: aan te leggen maatstaf bij het verzoek tot het overleggen van bescheiden en stukken van overtuiging

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.960,92.

In de hoofdzaak is de betrokkene veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. In de onderhavige ontnemingsprocedure is onder meer de vraag aan de orde of sprake is geweest van een eerdere oogst. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij een verklaring is gevoegd van betrokkene 2, die als fraude-inspecteur werkzaam is bij Stedin Netbeheer BV. Hij verklaart dat er ten minste één hennepkweek heeft plaatsgevonden vóór de aangetroffen hennepkweek. In opdracht van de raadsman van de verdachte heeft betrokkene 1, forensisch analist bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau een onderzoeksrapport opgesteld waarin de conclusie in het eerder genoemde proces-verbaal, inclusief de daarbij gevoegde verklaring van betrokkene 2 dat sprake is geweest van een eerdere oogst, aan een toetsing is onderworpen. De raadsman van de verdachte heeft het onderzoeksrapport bij faxbrief van 3 juni 2014 aan het hof toegezonden.

Middel

De middelen betreffen het verzoek van de raadsman het onderzoeksrapport aan het dossier toe te voegen (middelen 1 en 2) en het daaraan verbonden verzoek tot het oproepen van betrokkene 2 als getuige (middel 3).

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het ook in ontnemingszaken toepasselijke art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de betrokkene bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de betrokkene het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409).

Het verzoek van de raadsman tot het voegen van het onderzoeksrapport van betrokkene 1 aan het dossier is een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de "opgemaakte rapportage niet noodzakelijk is voor enige in deze zaak te nemen beslissing" heeft het Hof de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend.

Daarbij komt nog het volgende. Het bedoelde rapport bevindt zich bij de stukken van het dossier en is klaarblijkelijk aan het Hof overgelegd als nieuw bescheid in de zin van art. 414, eerste lid, Sv. Daarvan uitgaande, strekken de overwegingen van het Hof kennelijk ertoe als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat het Hof het rapport niet bij zijn beraadslaging zal betrekken. Daarmee heeft het Hof miskend dat het acht zal moeten slaan op de inhoud van op de voet van art. 414, eerste lid, Sv overgelegde bescheiden.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verzoek vermindering ontnemingsbedrag ex art. 577b Sv. Geen sprake van verkapt appèl.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10012 Bij arrest van 19 september 2011 heeft het hof verzoeker, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 40.563,16. Bij arrest van 4 maart 2013 heeft de Hoge Raad dat bedrag, op grond van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, verminderd tot € 38.535. Uit de stukken blijkt dat het verschuldigde bedrag, na aanwending van de opbrengst van de verkoop van een stacaravan waarop conservatoir beslag rustte, te weten € 12.000, thans € 25.284,29 bedraagt.

Namens de verdediging is een verzoek ex artikel 577b, derde lid, Sv gedaan.

Het verzoek berust op de stelling dat de waarde van de stacaravan bij de berekening van het te ontnemen bedrag op een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens de veroordeelde bedroeg de waarde van de stacaravan € 7.000, terwijl deze voor € 20.000 in het te ontnemen bedrag is opgenomen. Die stelling wordt volgens verzoeker bevestigd door de omstandigheid dat de stacaravan in februari 2012 voor een bedrag van € 12.000 is verkocht.

Omdat sprake is van een nieuw element dat zich na de uitspraak van het hof heeft voorgedaan, dient het verschuldigde bedrag te worden verminderd met € 8.000, zijnde het verschil tussen het bedrag van € 20.000 en het bedrag van € 12.000. Volgens verzoeker biedt het derde lid van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering daartoe de mogelijkheid.

Nu de stacaravan eerst in 2012 is verkocht, dienen bovendien de kosten van stalling en energieverbruik gedurende de periode van het conservatoir beslag, van 2009 tot en met 2012, in mindering te worden gebracht op het verschuldigde bedrag. Die kosten bedragen volgens de veroordeelde € 3.653,18.

Verzoeker vraagt primair het verschuldigde bedrag van € 38.535 met € 11.653,18 te verminderen. Subsidiair verzoekt hij het verschuldigde bedrag te verminderen met € 8.000.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu niet is gesteld dat sprake is van betalingsonmacht, zodat het verzoek niet valt binnen de reikwijdte van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Voor zover artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het verzoek ten grondslag is gelegd is de advocaat-generaal van opvatting dat het verzoek in essentie een verkapt appel inhoudt tegen een onherroepelijke beslissing. In dit verband wijst de advocaat-generaal op de omstandigheid dat de stelling van verzoeker betreffende de feitelijke waarde van de stacaravan tevergeefs zowel in twee feitelijke instanties als in cassatie aan de orde is gesteld. Niet gebleken is dat de waarde van de stacaravan voor een te hoog bedrag is vastgesteld, zodat het verzoek subsidiair als onvoldoende onderbouwd dient te worden afgewezen.

Overwegingen van het hof

Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en het verhandelde in raadkamer is het verzoek gebaseerd op artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Die bepaling houdt in:

"Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil."

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de gevallen en de gronden waarop het derde lid van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering ziet, dienen te worden onderscheiden van de gevallen en gronden waarop de matigingsbevoegdheid van het tweede lid ziet. Blijkens de memorie van toelichting (kamerstukken II, 2001-2002, 28079, nr. 3, p. 29-30) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving) heeft het derde lid van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering een strekking die vergelijkbaar is met het bij die wet ingevoerde tweede lid van artikel 578 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin is geregeld dat de officier van justitie kan overgaan tot verrekening van het verschil tussen een reeds betaald schikkingsbedrag of de waarde van een overgedragen voorwerp ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en het werkelijke voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit. Het werkelijke voordeel kan lager blijken te zijn, bijvoorbeeld als gevolg van een door derden aangespannen civiele procedure.

In deze memorie van toelichting heeft de wetgever toegelicht dat met de wijziging van artikel 578, tweede lid, werd beoogd de situatie voor beide gevallen gelijk te trekken.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat artikel 577b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter de mogelijkheid biedt om het vastgestelde bedrag dat moet worden betaald ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, te verlagen dan wel te bepalen dat reeds betaalde bedragen moeten worden teruggegeven, indien blijkt dat het werkelijke voordeel lager is geweest dan waarvan bij de vaststelling van het bedrag is uitgegaan en dat deze mogelijkheid niet is beperkt tot nieuwe feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na die vaststelling. In dit verband overweegt het hof dat de vaststelling van het voordeel een schatting betreft die naderhand onjuist kan blijken te zijn.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzoek, zoals door de advocaat-generaal betoogd, omdat sprake zou zijn van een verkapt appel is dan ook geen aanleiding. Het ligt echter wel op de weg van een veroordeelde die een beroep doet op artikel 577b, derde lid, Sv, om aan te tonen dat het werkelijke voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit lager is gebleken dan het bedrag dat in de ontnemingsprocedure is vastgesteld. Verzoeker is daarin niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat de stacaravan bij verkoop minder heeft opgebracht dan de waarde zoals in de ontnemingsbeslissing vastgesteld en dat tot aan de verkoop kosten zijn gemaakt, is, in aanmerking genomen het uitgangspunt dat het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met de stacaravan heeft gehanteerd, te weten het aankoopbedrag van de caravan, onvoldoende om aan te tonen dat het werkelijk verkregen voordeel lager is geweest.

Het hof zal het verzoek daarom afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^