Profijtontneming: aan te leggen maatstaf bij het verzoek tot het overleggen van bescheiden en stukken van overtuiging

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.960,92.

In de hoofdzaak is de betrokkene veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. In de onderhavige ontnemingsprocedure is onder meer de vraag aan de orde of sprake is geweest van een eerdere oogst. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij een verklaring is gevoegd van betrokkene 2, die als fraude-inspecteur werkzaam is bij Stedin Netbeheer BV. Hij verklaart dat er ten minste één hennepkweek heeft plaatsgevonden vóór de aangetroffen hennepkweek. In opdracht van de raadsman van de verdachte heeft betrokkene 1, forensisch analist bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau een onderzoeksrapport opgesteld waarin de conclusie in het eerder genoemde proces-verbaal, inclusief de daarbij gevoegde verklaring van betrokkene 2 dat sprake is geweest van een eerdere oogst, aan een toetsing is onderworpen. De raadsman van de verdachte heeft het onderzoeksrapport bij faxbrief van 3 juni 2014 aan het hof toegezonden.

Middel

De middelen betreffen het verzoek van de raadsman het onderzoeksrapport aan het dossier toe te voegen (middelen 1 en 2) en het daaraan verbonden verzoek tot het oproepen van betrokkene 2 als getuige (middel 3).

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het ook in ontnemingszaken toepasselijke art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de betrokkene bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de betrokkene het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409).

Het verzoek van de raadsman tot het voegen van het onderzoeksrapport van betrokkene 1 aan het dossier is een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de "opgemaakte rapportage niet noodzakelijk is voor enige in deze zaak te nemen beslissing" heeft het Hof de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend.

Daarbij komt nog het volgende. Het bedoelde rapport bevindt zich bij de stukken van het dossier en is klaarblijkelijk aan het Hof overgelegd als nieuw bescheid in de zin van art. 414, eerste lid, Sv. Daarvan uitgaande, strekken de overwegingen van het Hof kennelijk ertoe als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat het Hof het rapport niet bij zijn beraadslaging zal betrekken. Daarmee heeft het Hof miskend dat het acht zal moeten slaan op de inhoud van op de voet van art. 414, eerste lid, Sv overgelegde bescheiden.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF