De curator als milieuvervuiler. De positie van de curator bij bestuursrechtelijke handhaving van milieuvoorschriten

De curator wordt regelmatig geconfronteerd met een failliete onderneming die voor faillissement milieuovertredingen heeft begaan die daarna voortduren. Meestal hebben de overtredingen al aandacht van de overheid, die een handhavingstraject heeft opgestart tegen de failliete onderneming. De curator wordt dus geconfronteerd met een boedel waarin zich een inrichting bevindt die milieuovertredingen heeft begaan. Hiervoor wordt hij vervolgens door de overheid aangeschreven; de curator moet de overtredingen ongedaan maken. Daar waar curatoren zelf actief milieuovertredingen (doen) begaan, speelt een andere problematiek. In deze bijdrage wordt ingegaan op de voortdurende milieuovertreding; een toestand die strijdig is met de milieuwetgeving (waaronder bijvoorbeeld de omgevingsvergunning), welke toestand is ontstaan voor faillissement en die na faillissement voortduurt.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte, een rechtspersoon, heeft zich schuldig gemaakt aan het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen zonder vergunning

Rechtbank Oost-Brabant 24 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7129

Op 6 oktober 2011 komt er bij de Douane een melding binnen van bedrijf 2 namens het zeeschip naam 1, waarin wordt verzocht om toestemming voor het de-bunkeren van 126 ton IFO 380 stookolie. De naam 1 ligt op dat moment in de haven van Terneuzen aan de Outokumpukade. De naam 1 heeft de stookolie ingenomen in Polen, maar de stookolie voldoet niet aan de specificaties (“off-spec”). De stookolie zal daarom ingenomen worden door het bedrijf bedrijf 1, dat daarvoor de binnenvaart-tanker naam 2 heeft ingehuurd.

Het overpompen van de stookolie van de naam 1 naar de naam 2 heeft plaatsgevonden van 6 op 7 oktober 2011. Op 7 oktober 2011 vindt er onderzoek plaats aan boord van de naam 1 en wordt gesproken met de machinist persoon 1, die aangeeft dat er problemen zijn ontstaan met de separatoren, nadat op 16 september 2011 140 ton stookolie is ingenomen in Gdansk, Polen. De olie verstopte de separatoren en deze moesten ieder half uur worden schoongemaakt. De problemen verdwenen zodra werd overgeschakeld op een later ingenomen partij Finse stookolie. Volgens de machinist is nog geprobeerd het probleem op te lossen door de Poolse olie te mengen met de Finse stookolie, maar dat hielp niet. Van de partij Poolse stookolie zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het bedrijf bedrijf 3. Verder werden aan boord van de naam 1 kopieën gemaakt van documenten.

Uit onderzoek van deze documenten blijkt dat de 140 ton stookolie op 16 september 2011 is geleverd door bedrijf 4 en afkomstig is van bedrijf 5. en dat de stookolie is geleverd met een Certificate of Quality RMG 380 d.d. 14 september 2011 van bedrijf 5 waarin het gehalte Total Sediment aged wordt gesteld op 0,010 %. Op 7 oktober 2011 vindt er ook onderzoek plaats aan boord van de binnenvaarttanker naam 2, waarbij eveneens kopieën van documenten worden gemaakt. Uit onderzoek van deze documenten blijkt dat de naam 2 ruim 110 ton stookolie van de naam 1 heeft overgenomen, dat de lading bestemd was voor bedrijf 1 te Antwerpen en dat de lading wordt omschreven als stookolie met een zwavelgehalte minder dan 1 %. Tijdens het onderzoek aan boord van de naam 2 werd door bedrijf 1 vanuit Antwerpen per email een analyse-certificaat nummer 563-2011-01-A van Saybolt te Polen gezonden, waaruit blijkt dat een op 16 september 2011 genomen monster van de aan naam 1 geleverde stookolie op 27 september 2011 is onderzocht en waaruit een sedimentgehalte blijkt van 0,91 %. Bij navraag bij de Stichting NIWO bleek dat bedrijf 1 niet als inzamelaar van afvalstoffen staat ingeschreven, en verder bleek na onderzoek op het internet op de site van het IL&T dat aan bedrijf 1 ook geen vergunning is verleend voor het inzamelen van (gevaarlijke/scheeps) afvalstoffen.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij (voorheen genaamd bedrijf 1) op of omstreeks 6 en/of 7 oktober 2011 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie)

(afkomstig van het zeeschip naam 1), heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars,

en/of

gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie), zijnde (een) afvalstof(fen) die tot de krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer aangewezen categoriën behoort/behoren, te weten scheepsafvalstoffen, heeft ingezameld zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport.

artikel 10.45 lid 1 Wet milieubeheer

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een afvalstof, ook niet van gevaarlijke afvalstoffen, en evenmin van scheepsafvalstoffen, zodat er dus ook geen sprake is van het inzamelen daarvan. De verdediging is verder van mening dat het proces-verbaal geen bewijs bevat voor het ten laste gelegde opzet en dat verdachte ook overigens geen enkel verwijt treft zodat sprake is van afwezigheid van alle schuld en verdachte vrijgesproken dient te worden.

Oordeel rechtbank

Afvalstof

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de naam 1, door het overpompen van de stookolie naar de naam 2, zich niet daarvan heeft ontdaan (als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1 van Richtlijn 2008/98/EG) maar dat deze handeling juridisch geduid moet worden als een teruggave aan bedrijf 5 op grond van een tekortkoming in de overeenkomst krachtens welke bedrijf 5 de stookolie eerder, op 16 september 2011, aan de naam 1 had geleverd. In zoverre komt de onderhavige zaak overeen met de in het tankstation-arrest van het Europese Hof van Justitie beoordeelde casus. In die zaak ging het om een partij voor de pomp bestemde dieselbrandstof, die bij het verladen per ongeluk vermengd raakte met restanten van het oplosmiddel MTBE dat kennelijk in het laadruim was achtergebleven. Door deze vermenging was de dieselbrandstof nog wel geschikt voor het beoogde doel maar voldeed het niet aan de overeengekomen specificaties (vanwege het lagere vlampunt voldeed het niet (meer) aan de veiligheidseisen), zodat de ontevreden koper deze retourneerde aan de leverancier (tankstation), die de brandstof retour nam en de koopsom restitueerde. In die zaak overwoog het Hof dat de teruggeleverde dieselbrandstof geen afvalstof was omdat “een klant die aldus handelt, niet kan worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve zich er niet van heeftontdaan”.

In deze zaak staat vast dat de door bedrijf 5 geleverde stookolie vanwege het te hoge sedimentgehalte niet aan de overeenkomst beantwoordde, gelet op enerzijds het door bedrijf 5 bij de levering verstrekte certificate of quality IFO RMG 380 van 14 september 2011, waarin het Total Sediment Aged wordt gesteld op 0,01%, i.e. ruimschoots beneden de voor dit type stookolie geldende bovengrens van 0,1%, en anderzijds het analysecertificaat van Saybolt naar aanleiding van een op 16 september 2011 van de gebunkerde stookolie genomen monster, waaruit blijkt van een sedimentgehalte van 0,91% (i.e. ruim 9 maal hoger dan voornoemde bovengrens). Vast staat ook dat bedrijf 5 naar aanleiding van de klacht van de naam 1 de resterende stookolie (circa 110 ton) heeft teruggenomen.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de retour ontvangen stookolie moet worden gezien als een afvalstof. Daarbij komt het met name aan op de vraag of bedrijf 5 zich van de stookolie heeft ontdaan (in de zin van de aangehaalde bepaling uit de Richtlijn), gelet op de wijze waarop en omstandigheden waaronder bedrijf 5 deze stookolie heeft verkocht en geleverd aan verdachte. In geval immers die vraag bevestigend wordt beantwoord, stond het verdachte als koper niet vrij deze (alsdan als afvalstof te kwalificeren) stookolie in ontvangst te nemen, nu verdachte niet beschikt over een daartoe strekkende vergunning van de minister van Infrastructuur en Transport, noch vermeld staat op een lijst van inzamelaars. Bij de beoordeling of bedrijf 5 zich van de partij stookolie heeft willen ontdoen dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waarbij de doelstelling van de Richtlijn voor ogen moet worden gehouden, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaats vindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In dat verband acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Om te beginnen blijkt uit het dossier dat bedrijf 5 – nadat naam 1 bij haar had gereclameerd - zelf geen onderzoek heeft ingesteld of in doen stellen naar de precieze chemische samenstelling van de partij stookolie, de oorzaken voor het – achteraf bezien – veel te hoge sedimentgehalte (mede ook gelet op de inhoud van het door bedrijf 5 zelf opgestelde certificate of quality van 14 september 2011), de mogelijkheden om de partij brandstof middels bewerkingen alsnog aan de specificaties voor stookolie IFO RMG 380 te laten voldoen of de (vanuit milieuoogpunt toelaatbare) alternatieve gebruiksmogelijkheden voor deze stookolie, mede in aanmerking genomen de bevindingen aangaande de samenstelling en oorzaken voor het (te) hoge sedimentgehalte.

Gelet op de specificaties waaronder bedrijf 5 de stookolie op 16 september 2011 aan naam 1 heeft geleverd (IFO RMG 380 met een sedimentgehalte van 0,01%) valt, gelet op de ter zake door de officier van justitie gepresenteerde dagprijs te Gdansk in september 2011, aan te nemen dat bedrijf 5 ter zake deze leverantie een prijs heeft bedongen van circa USD 750/ton. Vast staat dat bedrijf 5 de teruggenomen stookolie – via OW Bunker - heeft doorverkocht aan bedrijf 6 als ‘380-CST 1% debunkered off spec fuel ex naam 1’ voor een prijs van USD 330,-/ton, i.e. 30% van genoemde dagprijs en in ieder geval significant lager dan de op dat moment vigerende dagkoers voor stookolie IFO RMG 380. Na aftrek van de door verdachte bij bedrijf 5 in rekening gebrachte kosten ter zake debunkering ad USD 22.000,- resteerde voor bedrijf 5 een netto-opbrengst van (afgerond) USD 130,-/ton, i.e. 15% van de eerder aangehaalde dagprijs.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de positie van bedrijf 5 gelijkgesteld dient te worden met die van tankstation in het eerder aangehaalde arrest van het Europese Hof waarin het Hof overwoog:

“49. De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden dat, enerzijds, de betrokken partij zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave door de Belgische klant aan tankstation bevond, op de markt kon worden verkocht, en anderzijds, de marktwaarde van de betrokken partij nagenoeg overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet, lijken weliswaar de opvatting te weerleggen dat de partij een last was waarvan tankstation probeerde zich te ontdoen, maar deze omstandigheden kunnen niet doorslaggevend zijn, aangezien zij niet aan het licht brengen wat de ware intentie van tankstation was.

50. Overigens moet eraan worden herinnerd dat het begrip afvalstof volgens vaste rechtspraak niet aldus moet worden opgevat dat het stoffen of voorwerpen uitsluit die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn (…).

51. De omstandigheid dat de handel in producten zoals de betrokken partij in het algemeen niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd, vormt weliswaar een nadere aanwijzing dat deze partij geen afvalstof is, maar laat evenmin toe uit te sluiten dat tankstation voornemens was zich ervan te ontdoen.

52. Daarentegen is de omstandigheid dat tankstation de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53. Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (…).

54. Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat. (…)”

Volgens de verdediging komt het in dezen dus aan op de beoordeling van de ‘ware bedoeling’ van bedrijf 5 bij het doorverkopen van de partij stookolie. De raadsman heeft dienaangaande aangevoerd dat die ware bedoeling van bedrijf 5 gekend kan worden uit de feitelijke verkoop van de partij stookolie aan verdachte en dat bedrijf 5 aldus het product terug op de markt heeft gebracht in de zin zoals hiervoor aangehaald.

De rechtbank volgt de verdediging niet in deze redenering. De verkoop van een teruggenomen partij stookolie die niet aan de productspecificaties voldoet waaronder deze eerder op de markt werd gebracht kan niet worden gezien als het ‘terugbrengen op de markt’ indien deze partij zonder enige bewerking nog steeds niet aan de specificaties voldoet waaronder dat product eerder op de markt werd gebracht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het gebruik van de term ‘terugbrengen’ impliceert dat het daarbij gaat om de markt waarop het product eerder werd verkocht, dat wil zeggen de markt voor IFO RMG 380 stookolie. Vast staat dat de teruggenomen partij stookolie bij de tweede verkoop aan bedrijf 6 nog steeds niet aan de specificaties voldeed, die gelden voor dit type stookolie. De uitzonderingsituatie die in het tankstation arrest aan de orde was doet zich daarom niet voor, waarbij de rechtbank er op wijst dat in die casus tankstation voornemens was zelf de partij met een ander product te mengen alvorens deze terug op de markt te brengen. De vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn 2008/98/EG, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Het begrip afvalstof dient daarom niet restrictief te worden uitgelegd. Met de verkoop van de – eerder op de markt voor IFO RMG 380 stookolie verkochte en wegens het niet voldoen daarvan aan de daarvoor geldende product-specificaties teruggenomen – partij stookolie heeft bedrijf 5 zich ontdaan van dit product in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1 van Richtlijn 2008/98/EG en is het product een afvalstof. De omstandigheid dat deze off-spec stookolie zonder nadere bewerking wellicht voor andere doeleinden toepasbaar is en met het oog daarop op “de markt” is gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat het hier – zoals hiervoor overwogen – niet dezelfde markt betreft, staat hieraan in de weg dat bedrijf 5 geen onderzoek heeft verricht naar het bestaan van andere doeleinden respectievelijk toepassingen en dat bedrijf 5 heeft verzuimd nader onderzoek te verrichten naar de samenstelling van het product, als gevolg waarvan de gevolgen van het gebruik ervan voor het milieu ook niet bekend kunnen zijn. Daarom valt niet in te zien dat de off-spec olie met het oog op onbekende doeleinden ‘terug op de markt’ is gebracht.

Vast staat verder dat Verbeke deze afvalstof in ontvangst heeft genomen. De rechtbank kwalificeert deze afvalstof in verband met het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub d onder 3 van het Besluit inzamelen afvalstoffen als scheepsafvalstof omdat het product afvalstof is geworden toen bedrijf 5 het product verkocht. Op dat moment was het schip de naam 1 onderweg en in bedrijf. Ingevolge artikel 9 onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen dient de inzamelaar van dergelijke afvalstoffen te beschikken over een vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat verdachte niet over een dergelijke vergunning beschikte ten tijde van het overpompen van de stookolie van de naam 1 naar de naam 2 op 6 en 7 oktober 2011.

Opzet?

Van de zijde van de verdediging is – subsidiair - betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, aangezien zij in het licht van het tankstation-arrest meende en ook mocht menen dat de stookolie, afkomstig van de naam 1, niet kwalificeerde als afvalstof.

De rechtbank is van oordeel dat uit de vaststaande feiten en uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het begrip afvalstof voortvloeit dat verdachte, als handelaar in scheepsbrandstoffen en uit dien hoofde bekend met de in verband daarmee in acht te nemen zorgvuldigheidseisen, zich vooraf rekenschap had dienen te geven van de reële mogelijkheid dat de stookolie die zij voornemens was over te nemen, mede gelet op het ontbreken van inzicht in de exacte samenstelling van de (scheeps)olie, de oorzaken voor het (veel te) hoge sedimentgehalte alsook de sterk verlaagde prijs waartegen de aanbieder bereid was daarvan afstand te doen, moest worden aangemerkt als afvalstof. Door desondanks deze stookolie zonder relevant eigen onderzoek over te nemen heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de – naar zij wist – ongeschikte stookolie van de naam 1, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder bedrijf 5 zich daarvan heeft willen ontdoen, moest worden aangemerkt als afvalstof, zodat aangenomen moet worden dat het opzet van verdachte daarop in voorwaardelijk zin gericht is geweest. Op dezelfde gronden dient verdachtes beroep op afwezigheid van alle schuld te stranden.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. Verdachte heeft hiermee een voorschrift van de Wet milieubeheer overtreden, dat strekt tot bescherming van het milieu, te weten, in dit geval, het belang van controle op een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR. 47.500,-. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf een korting van 5% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een zaak behandeld dient te worden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Promotie: Optische regelnaleving - Handhaving & regelnaleving in de Nederlandse chemische industrie

Op dinsdag 11 november 2014 promoveert Marieke Kluin, Docent Criminologie bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie, aan de Technische Universiteit Delft op het proefschrift getiteld Optic Compliance - Enforcement and Compliance in the Dutch Chemical Industry (Optische regelnaleving -  Handhaving en regelnaleving in de Nederlandse chemische industrie). In dit criminologische proefschrift onderzoekt zij regelnaleving en –overtreding in de chemische industrie in het Rotterdam-Rijnmond gebied, en de handhaving van Brzo-regelgeving door inspecteurs.

Opzet en conclusies onderzoek

In dit promotieonderzoek zijn de mogelijke relaties tussen regelovertreding, regelnaleving, organisatiecriminaliteit en veiligheid in de chemische industrie onderzocht. Het handhaven van regelgeving door Brzo-inspecteurs stond centraal. Het onderzoek omvat een multi-case studie waarin de regelnaleving van 15 Brzo-plichtige (chemische) bedrijven voor een periode van 10 jaar is geanalyseerd. Voor dit onderzoek zijn verschillende bronnen en methoden gebruikt: documentanalyse, een vragenlijst en observatie van minimaal één gezamenlijke Brzo-inspectie bij elk bedrijf door Bevoegd Gezag Wabo (DCMR milieudienst), de Inspectie SZW en de Veiligheidsregio.

Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende hoofdconclusies worden getrokken: De beoordeling van de effectiviteit van handhaving is zeer complex. Of een onderneming de regels volgt wordt onder andere bepaald door een interactief proces tussen de onderneming en inspecteur, waarin zij elkaar wederzijds beïnvloeden.

Tijd en locatie

De openbare verdediging vindt plaats op dinsdag 11 november 2014 om 15:00 uur in de Aula van de TU Delft. Het lekenpraatje begint om 14.30 uur.

De promotoren zijn: prof.dr. B.J.M. Ale (Emeritus hoogleraar Faculteit Techniek Bestuur en Management, TU Delft), en prof.mr.dr. W. Huisman (VU Amsterdam).

Print Friendly and PDF ^

“Doorvoer” in de zin van EVOA (oud). (Opzet op) overbrenging van afvalstoffen via Nederland.

Rechtbank Rotterdam 24 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8831

De verdachte rechtspersoon heeft een container inhoudende gebruikte ongesorteerde kleding laten overbrengen van Frankrijk naar de Verenigde Arabische Emiraten. Tijdens dit transport werd een Nederlandse haven, te weten Rotterdam, aangedaan. Dit transport werd verricht zonder voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten.

De verdachte rechtspersoon heeft hiermee in strijd gehandeld met de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (EVOA oud). Deze bepalingen beogen het milieu te beschermen en internationale transporten van afvalstoffen te reguleren, teneinde ongewenste gevolgen voor het milieu te vermijden.

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd de bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de opzetvariant en de schuldigverklaring van de verdachte rechtspersoon zonder oplegging van straf of maatregel.

Door de raadsman van de verdachte rechtspersoon is vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon nimmer opzet heeft gehad op de tenlastegelegde sluikhandel van een partij gebruikte ongesorteerde kleding.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

In het economisch strafrecht dient de term opzet te worden uitgelegd als 'kleurloos' opzet. Dit houdt in dat de dader van een economisch delict strafbaar is, indien hij willens en wetens (feitelijk) heeft gehandeld of nagelaten, zoals in de strafbepaling is omschreven.

Het opzet van de dader behoeft daarbij niet (mede) te zijn gericht op het overtreden van het ge- of verbod waarop die strafbepaling betrekking heeft: in casu het verbod om de in de tenlastelegging bedoelde overbrenging van afvalstoffen te verrichten zonder kennisgeving aan alle betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening.

Vast staat dat het opzet van de verdachte rechtspersoon was gericht op de overbrenging van een container met afvalstoffen vanuit Frankrijk naar de Verenigde Arabische Emiraten. Er is dus in zoverre in bovenbedoelde zin sprake geweest van opzet aan de zijde van de verdachte rechtspersoon. Dat niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte vennootschap zich (mede) heeft uitgestrekt tot overbrenging via Nederland, behoeft niet tot een integrale vrijspraak te leiden, nu dit niet ziet op een bestanddeel van het onderliggende delict.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Bewezenverklaring

Het bewezen feit levert op overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

AVAS

Door de raadsman van de verdachte rechtspersoon is een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling, op grond waarvan de verdachte rechtspersoon dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd, dat de verdachte rechtspersoon, als kennisgever, niet wist en niet behoefde te weten dat de container met afvalstoffen van Frankrijk via Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) zou worden getransporteerd. In dit verband heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte rechtspersoon bij haar reder containerruimte heeft geboekt van Montoir de Bretagne (Frankrijk) naar Sjarjah (VAE), waarbij geen doorvoerhaven is geboekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte rechtspersoon heeft, als kennisgever, voor het onderhavige transport gebruik gemaakt van een zogenaamde ‘algemene kennisgeving’ als bedoeld in artikel 28 van de Verordening (EEG) nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (EVOA-oud). Dit artikel bepaalt dat gebruik kan worden gemaakt van de procedure van ‘algemene kennisgeving’, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht. Indien deze route wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden gevolgd, brengt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte, zo spoedig mogelijk of voordat de overbrenging begint, indien de noodzaak van routewijziging op dat moment al bekend is. Wanneer de routewijziging bekend is voordat de overbrenging begint, en inhoudt dat andere autoriteiten bevoegd zijn dan die waarvan sprake is in de algemene kennisgeving, wordt deze procedure niet gebruikt.

Het hierboven weergegeven standpunt van de raadsman strookt niet met artikel 28 van de EVOA-oud. Bij een ‘algemene kennisgeving’ is het aan de kennisgever om er voor zorg te dragen dat de overbrenging plaatsvindt op de wijze zoals aangegeven in die kennisgeving.

Het is de kennisgever die voor deze borging moet zorg dragen en het ligt op zijn weg om zodanige afspraken met de vervoerder c.q. reder te maken dat aan de ‘algemene

kennisgeving’ wordt voldaan. Als de kennisgever zulks nalaat, zoals in casu is gebeurd, kan door hem dan ook niet te zijner verontschuldiging worden aangevoerd dat zonder zijn medeweten door de vervoerder c.q. reder een andere - niet door de ‘algemene kennisgeving’ gedekte - route is genomen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheid aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluiten, is de verdachte vennootschap strafbaar.

Strafoplegging

De rechtbank bepaalt dat voor het bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Milieuaansprakelijkheid en zorgplichten in de Omgevingswet

Afgelopen vrijdag was de brand bij Chemie-Pack weer in het nieuws. Toen de brand uitbrak, op 5 januari 2011, stonden er tanks met 23 en een half duizend liter aan giftige, bijtende en brandbare vloeistoffen. De tanks explodeerden, waardoor die chemicaliën vrijkwamen en aan de brand bijdroegen. Het blussen van de brand leverde grote hoeveelheden verontreinigd bluswater op. Dat is verspreid geraakt op het terrein en in de omgeving, maar ook in de bodem en in het grondwater.

Bij zulke voor het milieu schadelijke calamiteiten nemen overheden doorgaans het voortouw.  Zij nemen besluiten om de nodige maatregelen in gang te zetten. Doorgaans nemen zij die maatregelen zelf. Zij dragen dus in eerste aanleg zelf de kosten. Dat was hier ook zo. Via bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten is Chemie-Pack voor de kosten aansprakelijk gesteld. Die aansprakelijkstellingen leidden tot het nieuws van afgelopen vrijdag. De betrokken overheden hebben een schikking met het bedrijf getroffen. Van de geschatte schade van 71 miljoen euro betaalt Chemie-Pack iets meer dan 4 miljoen euro. Met de schikking zijn de procedures over handhaving en aansprakelijkstellingen beëindigd. Er kan nu dus een balans worden opgemaakt.

Van der Veen deed dat afgelopen dinsdag aan de hand van de komende Omgevingswet. Wat kunnen wij bij zo’n calamiteit verwachten van de Omgevingswet, in het bijzonder op het vlak van zorgplichten en milieuaansprakelijkheid?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Meer of minder afval? Het onderscheid tussen afvalstoffen en grondstoffen onder de vernieuwde Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG

De vernieuwde Kaderrichtlijn Afvalstoffen verscheen eind 2008 in het Europese publicatieblad. Vijf jaar na dato kan aan de hand van de rechtspraak over het begrip afvalstof en de in de richtlijn opgenomen uitzonderingen de balans worden opgemaakt: is het met de nieuwe richtlijn in de hand inderdaad makkelijker geworden om afvalstoffen van (secundaire) grondstoffen te onderscheiden? De conclusie is dat dit maar zeer ten dele is gelukt, en dat het nog steeds vooral aan de rechter is om de scherpe randjes van het afvalstoffenbegrip weg te vijlen. Wel lijkt het zo dat het begrip afvalstof anno 2014 minder ruim is dan in 2000 na het arrest ARCO Chemie misschien nog werd gedacht.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan het storten van bouw- en sloopafval

Rechtbank Midden-Nederland 8 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3980

De verdenking komt er op neer dat verdacht in de periode van 1 september 2008 tot en met 5 maart 2012 te Loosdrecht samen met een ander of anderen bedrijfsmatig grond en/of bagger en/of stenen en/of beton en/of (ander) bouw- en sloopafval heeft gestort terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling rechtbank

Afvalstoffen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen afvalstoffen op het eiland Elleman heeft gestort.

Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie leidt de rechtbank het volgende af.

Het begrip afvalstof moet niet zo beperkt worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de Richtlijn 75/442/EEG; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt ligt derhalve bij de intentie en de gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af of de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet en of die er nog iets mee kan. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

In dit geval is het bouw- en sloopafval vrijgekomen bij het verbouwen of slopen van een pand. Verdachte heeft in opdracht van medeverdachte stoffen naar het eiland Elleman afgevoerd die waren vrijgekomen bij de bouw van woningen waar een kelder moest worden uitgegraven. Hiermee heeft verdachte afvalstoffen op het eiland Elleman gestort.

Nadelige gevolgen voor het milieu

Volgens de verdediging hebben de materialen die verdachte op eiland Elleman heeft gestort geen nadelige gevolgen gehad voor het milieu.

Niet is vastgesteld dat het ten laste gelegde feit daadwerkelijk nadelige consequenties voor het milieu heeft gehad. Wel is komen vast te staan dat door de stortingen die verdachte namens medeverdachte op het eiland Elleman heeft verricht milieuvreemde stoffen in het milieu terecht zijn gekomen. De rechtbank merkt dit aan als nadelig gevolg dat voor het milieu kon ontstaan in de zin van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.

Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid

De verdediging heeft een beroep gedaan op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid omdat verdachte zijn medeverdachte heeft geholpen met het ophogen van het eiland Elleman om dit eiland te redden. Volgens verdachte zou het eiland anders verdwijnen als gevolg van afkalving.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het doel om het eiland te redden, niet rechtvaardigt dat medeverdachte en verdachte hierbij, zoals uit het dossier is gebleken, een aanzienlijk deel van de natuurlijke habitat van de grote karekiet hebben doen verdwijnen en nadelige gevolgen voor het milieu hebben kunnen veroorzaken. De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van €3.600, waarvan €1.800 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Medeverdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €13.500 waarvan €4.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, wegens:

Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 3: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Milieustrafrecht: naar een breder gebruik van het sanctiearsenaal'

Wanneer afval illegaal de Nederlandse grens overgaat en in het buitenland niet op een behoorlijke manier wordt verwerkt, kan dit aanzienlijke milieuverontreiniging en gezondheidsschade opleveren. Dat illegale afvaltransporten tot veel maatschappelijke onrust kunnen leiden toont ook het voorval met het schip de ‘Probo Koala’.

Ruim 500 ton gevaarlijk scheepsafval afkomstig van dit schip werd op ver- schillende plekken in Ivoorkust gedumpt. In de omgeving zouden veel mensen gezondheidsklachten hebben gekregen, zoals hoofdpijn, diarree, braken, kortademigheid en brandende ogen. Een jaar later, in 2007, dient de Europese Commissie een voorstel in voor een (inmiddels in werking getreden) richtlijn die lidstaten verplicht ernstige milieudelicten strafrechte- lijk te sanctioneren. Welke strafrechtelijke sancties hierbij worden gehan- teerd wordt aan individuele lidstaten overgelaten. De centrale veronder- stelling is dat alleen strafrechtelijke sancties voldoende afschrikwekkend en effectief zouden zijn om milieucriminaliteit te voorkomen. Deze richtlijn staat niet op zichzelf, maar past binnen een bredere maatschappelijke ont- wikkeling. De samenleving doet een steeds groter beroep op het milieu- strafrecht ten einde ernstige milieu-incidenten te voorkomen en overtre- dingen van milieuregels te bestraffen. Hoe is dat zo gekomen?

 

Lees verder:

 

Meer weten over de reikwijdte van het begrip afvalstof? Kom dan op Donderdag 2 oktober naar de Cursus Afvalstoffen georganiseerd door BijzonderStrafrecht.nl Academie. Tijdens deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving (op zowel nationaal als Europees niveau) over- zichtelijk gepresenteerd en toegelicht aan de hand van praktijkvoor- beelden en jurisprudentie. De cursus wordt verzorgd door mr. Luuk Boogert: ervaren milieu-officier van justitie. Hij leidde onder meer de strafzaak tegen Trafigura.

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor asbest gerelateerde feiten en valsheid in geschrifte

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153

Aan verdachte is een zestal asbest gerelateerde feiten tenlaste gelegd alsmede valsheid in geschrifte.

Geldigheid van de dagvaarding

Op de in de pleitnota weergegeven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten nietig moet worden verklaard omdat de aan verdachte verweten gedraging telkens zo ruim en weinig concreet is geformuleerd dat de dagvaarding ten aanzien van die feiten strijdig is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij zowel het onder 1 als het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit worden concrete data en concrete feitelijke handelingen vermeld, die door verdachte zelf zouden zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onder 1 en onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten daarmee voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en voldoet de dagvaarding aan de daaraan door artikel 47 van de Wet op de economische delicten in samenhang met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat zij, uit de wijze waarop door en namens verdachte de verdediging is gevoerd, afleidt dat het voor verdachte en zijn raadsman glashelder was wat verdachte werd verweten.

Oordeel rechtbank 

Feit 1

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan adres 2 te Maarheeze. Deze inrichting waarvoor deze vergunning is verleend valt onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning is een aantal voorschriften gekoppeld.

Een deel van die voorschriften heeft betrekking op de wijze waarmee met asbesthoudend materiaal moet worden omgegaan. Meer concreet is daarover in hoofdstuk 14.4 van de voorschriften het navolgende bepaald.

14.4.1: Asbest(houdend) afval dient onmiddellijk te worden verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof ver- pakkingsmateriaal (...).

14.4.5: De afgesloten container of opslagplaats zoals bedoeld in de voorschriften waarin asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet op duidelijke wijze van onderstaande aanduidingen zijn voorzien: “Asbest- houdend afval” en “Bij ondeskundige handeling kan een voor de gezondheid schadelijke stof vrijkomen” en “Zakken en container gesloten houden”.

Op 18 maart 2009 bevindt verbalisant 1 zich op adres 2 te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Op het buitenterrein van die locatie vindt opslag van afvalstoffen plaats. Bij nader onderzoek ziet verbalisant 1 op het buitenterrein een blauwe afvalcontainer staan. Hij ziet dat op deze afval- container geen asbestgevaaraanduiding is geplaatst. Ook ziet hij dat in die afvalcontainer opslag van onverpakt materiaal, bestaande uit golfplaten en stukken van gebruikte rookkanalen plaatsvond. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s gemaakt.

Nadat de getuige 1 foto 3, pag. 2014, is getoond bevestigt deze dat de containers er bij hebben gestaan zoals verbalisant 1 heeft waargenomen en dat dit materiaal van verdachte was.

Van het in de afvalcontainer aangetroffen materiaal heeft verbalisant 1 monsters genomen. Deze monsters heeft hij ter analyse aangeboden aan bedrijf 3. Bedrijf 3 heeft de door verbalisant 1 toegezonden monsters onderzocht. Als resultaat van dit onderzoek heeft bedrijf 3 vastgesteld dat het rookkanaal 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat, dat een van de golfplaten 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) en 2-5% hechtgebonden crocidoliet (blauw asbest) bevat en dat een andere golfplaat 10-15% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat.

Op 8 april 2009 is persoon 1 over deze constateringen gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze is. Ten tijde van haar verhoor had zij dit perceel aan bedrijf 4 verhuurd. De eigenaar van dit sloopbedrijf is – aldus persoon 1 – verdachte. Met de bedrijfsvoering van bedrijf 4 bemoeit persoon 1 zich niet. Deze verklaring heeft zij bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2013 bevestigd. Bij dat verhoor heeft zij verder verklaard dat verdachte de milieuvergunning heeft aangevraagd, dat verdachte alles regelde en dat hij op het adres 2 de dienst uitmaakte.

Verdachte zelf heeft eveneens verklaard de vergunning te hebben aangevraagd, samen met zijn secretaresse, en dat hij dit heeft gedaan op naam van persoon 1.

De verklaring van persoon 1 wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 1. Hij heeft verklaard dat verdachte alle beslissingen nam, dat verdachte de leidinggevende was en dat verdachte alles regelde. Ook getuige 2, werkzaam bij het bedrijf 5, heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten waar hij verklaart dat verdachte altijd zijn aanspreekpunt was voor zaken met betrekking tot het perceel adres 2 te Maarheeze. Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op het perceel adres 2 te Maarheeze.

Ook heeft verdachte bij zijn verhoor door de politie nog verklaard dat in de blauwe container die op dit terrein van het adres 2 te Maarheeze stond, op 18 maart 2009 asbest is aangetroffen. Daarvan is bedrijf 4 tot het faillissement op 19 december 2007 eigenaar geweest. Verdachte was de enig bestuurder van bedrijf 4. De in de afvalbak aangetroffen asbest is afkomstig van verschillende locaties van verschillende sloopwerken die door bedrijf 4 in 2007 zijn uitgevoerd. De aangetroffen afvalcontainer werd gebruikt als verzamelbak voor resten asbest. Doordat na de terugkomst van een sloopwerk iedere keer asbest in de afvalcontainer werd gegooid, is het asbest nooit verpakt opgeslagen denk ik. Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 9 juli 2014 heeft verdachte nog verklaard dat hij van alle ins en outs van het omgaan met asbest op de hoogte is, en dat hij bij de aanvraag van de milieuvergunning voor de locatie aan het adres 2 te Maarheeze betrokken is geweest en hij heeft nogmaals bevestigd dat hij de enige bestuurder van bedrijf 4 was.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken omdat niet verdachte, maar ofwel persoon 1 als vergunninghouder en eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze, dan wel de eigenaar van de op dat perceel aanwezige voorwerpen en goederen, te weten bedrijf 4 tot haar faillissement in 2007 en na dit faillissement de curator, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het verdachte is op wie de vergunningvoorschriften zien. Verdachte had immers de vergunning zelf aangevraagd, zij het op naam van persoon 1, was op de hoogte van de inhoud van de vergunningvoorschriften geldend voor de locatie adres 2 te Maarheeze, hij was belast met de naleving van die vergunningvoorschriften, hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken van de inrichting en hij was degene die de daarmee samenhangende beslissingen nam.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte dus ook op 18 maart 2009 degene die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften op die locatie. Het faillissement van bedrijf 4, waarvan verdachte de enige bestuurder was doet daaraan niet af. Ook na dit faillissement bleef verdachte degene die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op deze locatie zoals verdachte bij een van zijn verhoren zelf ook heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 2

Verdachte wordt verweten dat hij op 27 mei 2010 en/of 31 mei 2010 asbesthoudende afvalstoffen van Nederland naar België heeft gebracht zonder daarvan kennis aan de aan de autoriteiten te hebben gegeven of daarvoor toestemming te hebben gekregen.

De getuige 3, eigenaar/directeur van bedrijf 6, heeft verklaard dat hij vanaf 2006 in Nederland asbestsaneringen voor verdachte uitvoert omdat verdachte niet langer in het bezit was van het daarvoor benodigde procescertificaat. Verdachte is de opdrachtgever, getuige 3 voert de asbestsanering uit en verdachte zorgt zelf voor de afzet van het asbest.

Verdachte plaatst daartoe een container en getuige 3 doet het verpakte asbest daarin. Vanaf dat moment is het asbest eigendom van verdachte en zorgt verdachte ervoor dat het asbest op de stortplaatsen komt. Nadat in januari 2010 de storttarieven voor asbest behoorlijk waren verhoogd, vroeg getuige 3 naast facturen ook om stortbonnen. Daaruit bleek getuige 3 dat verdachte het asbest naar een stortplaats in België bracht, te weten bedrijf 7 in Hasselt. getuige 3 was het daarmee niet eens omdat het volgens hem niet was toegestaan asbest uit Nederland in België te storten. Daarna heeft getuige 3 geen asbest meer naar verdachte gebracht. Op verzoek van getuige 3 heeft bedrijf 7 stortbonnen van asbesttransporten naar getuige 3 gezonden.

De getuige 1 heeft de feitelijke gang van zaken bevestigd. Hij heeft verklaard dat verdachte de containers met asbest vanaf de saneringslocatie van getuige 3 naar het adres 2 te Maarheeze bracht en dat de containers daar werden neergezet. Zeker twee keer heeft verdachte zelf het asbest van Maarheeze naar bedrijf 7 gebracht.

Uit de stortbonnen blijkt dat bedrijf 8 op 27 mei 2010 en 31 mei 2010 met behulp van een vrachtauto voorzien van het kenteken gebonden asbest bij bedrijf 7 heeft gestort waarbij als herkomst is vermeld diverse werven van bedrijf 9. Dat er met gebruikmaking van bedoelde vrachtauto stortingen hebben plaatsgevonden bij bedrijf 7 wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek van de tachograafschijf van de op 27 mei 2007 met deze vrachtauto uitgevoerde ritten. Daaruit blijkt dat die dag met dit voertuig identieke ritten zijn uitgevoerd van industrieterrein de Engelsman te Maarheeze, Nederland, naar Houthalen-Helchteren, België. Op 27 mei 2010 werd tweemaal van Nederland naar België gereden en tweemaal van België naar Nederland. Blijkens de informatie op de tachograafschijf zijn er tijdens genoemde ritten geen tussenstops geweest waarbij in België asbest geladen zou kunnen zijn.

Op 3 juni 2010 heeft bedrijf 8 een factuur aan bedrijf 6 gezonden. Deze factuur heeft betrekking op het vervoer van asbest door bedrijf 8 voor bedrijf 6 naar bedrijf 7 België op 27 mei 2010 en 31 mei 2010. Verdachte is vanaf 16 september 2008 bestuurder van bedrijf 8.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, onder de vlag van bedrijf 8, met een door hem bestuurde vrachtauto voorzien van het Belgische kenteken, asbest afkomstig van asbestsaneringsprojecten van het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, naar bedrijf 7 in België heeft vervoerd. Van deze transporten is geen kennisgeving of melding aan de autoriteiten gedaan.

Verdachte heeft echter gesteld dat dit asbest afkomstig is van Belgische saneringsprojecten van getuige 3 en dat er dus geen melding van die transporten hoefde te worden gemaakt omdat het getransporteerde asbest niet uit Nederland afkomstig was, maar uit België zelf. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 3

Op 30 mei 2010 heeft persoon 2 een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonboerderij gelegen aan de adres 3 te Budel. In de aanvrage wordt melding gemaakt dat er bij de sloop asbesthoudend sloop- afval vrij zal komen omdat uit onderzoek is gebleken dat asbesthoudende platen deel van het dak uitmaken.

Op 17 juni 2010 is door bedrijf 10 een inventarisatie uitgevoerd voor totaalsloop/renovatie van het dakbeschot op het woonhuis op het adres 3 te Budel waarbij de asbesthoudende materialen in kaart zijn gebracht. Daarbij is gebleken dat het dakbeschot op het dak van het woonhuis asbesthoudend materiaal van risicoklasse 2 bevat met een omvang van circa 185m2. Materiaalanalyse heeft aangetoond dat het dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat en hechtgebonden is.

Voor de uitvoering van deze sloopwerkzaamheden is een offerte uitgebracht door bedrijf 11. Deze offerte is door verdachte ondertekend en houdt zakelijk weergegeven onder meer in een prijsopgave voor de verwijdering van een asbest dakbeschot. In de offerte wordt nader uitgelegd op welke wijze met de asbesthoudende materialen zal worden omgegaan.

Op 23 juli 2010 is door vergunninghouder persoon 2 een formulier “start sloop” ingediend voor het starten van de sloopwerkzaamheden op 26 juli 2010. Op 28 juli 2010 heeft persoon 3, handhaver bij de gemeente Cranendonck, de slooplocatie aan de adres 3 te Budel bezocht. Hij heeft toen geconstateerd dat er al begonnen was met het verwijderen van de asbesthoudende delen van het dakbeschot. Bij het betreden van het terrein treft persoon 3 verdachte en getuige 1 aan. Desgevraagd overhandigt verdachte diverse documenten aan persoon 3. Uit die documenten blijkt onder meer dat bedrijf 1 de uitvoerder van de verwijderingswerkzaamheden was. Vervolgens heeft persoon 3 onderzoek ingesteld naar de vraag of bedrijf 1 gecertificeerd was deze werkzaamheden uit te voeren. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat bedrijf 1 een gecertificeerd asbest- verwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring die de getuige 4 heeft afgelegd. Hij heeft echter ook verklaard dat de geldigheid van het eens aan bedrijf 1 verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar, en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd. 

Bedrijf 1 was voorafgaand aan de verweten gedragingen in staat van faillissement verklaard.

De getuige 1 heeft verklaard dat hij samen met verdachte een asbest- sanering heeft gedaan aan de adres 3 in Budel. Terwijl zij bezig waren met het verwijderen van de asbestplaten van het dakbeschot kwam er iemand van de gemeente op het moment dat zij bijna klaar waren met het uitvoeren van die werkzaamheden. Nadat de gemeenteambtenaar was vertrokken heeft verdachte tegen getuige 1 gezegd dat verdachte helemaal geen asbest mocht verwijderen. Naderhand heeft getuige 3 de klus afgemaakt. De werkzaamheden zijn in twee dagen uitgevoerd. Dit wordt bevestigd door de verklaring die getuige 3 heeft afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 4

In het dossier bevindt zich een begeleidingsbrief waarop staat vermeld dat bedrijf 1, adres 2 te Maarheeze de ontdoener is van asbesthoudende afval, afkomstig van de locatie adres 3 en dat het transport op 29 juli 2010 zal aanvangen. Deze begeleidingsbrief is door verdachte ondertekend. Tevens bevindt zich in het dossier een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling. In deze melding staat vermeld dat bedrijf 1 een (asbestverwijde- rings)bedrijf is, dat gebruik maakt van het KOMO-certificaat met nummer AV167/1 en dat dit bedrijf (hoofd)aannemer is van het asbestverwij- deringswerk in opdracht van persoon 2 te Budel en dat de werkzaamheden op 28 juli 2010 zullen starten. Deze melding is gedateerd 28 juli 2010 en is door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft erkend dat deze formulieren in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Uit de door de getuige 1, de getuige 3 en de ver- dachte afgelegde verklaringen blijkt dat niet bedrijf 1 de ontdoener van het afval is geweest omdat dit bedrijf al in 2007 failliet was verklaard, maar het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, en voorts dat bedrijf 1 na het faillissement niet langer een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 4. Hij heeft verklaard dat de geldigheid van het aan bedrijf 1 verleende asbestverwij- deringscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 5 en 6

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het adres 2 te Maarheeze. Deze vergunning valt onder meer onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning zijn onder meer de navolgende voorschriften verbonden.

  • voorschrift 1.1.1.: Binnen de inrichting mogen ten hoogste de volgende hoeveelheden grond- en hulpstoffen aanwezig zijn: (...) 35m3 asbest platen/buizen;
  • voorschrift 1.1.9.: Ingeval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving moeten worden afgevoerd.

Bij een controle op 29 juni 2010 ziet persoon 4, een medewerker van de milieudienst bedrijf 5, tijdens een bedrijfsbezoek aan de locatie adres 2 te Maarheeze, op het buitenterrein en in de bedrijfshal 18 zogenaamde big bags staan met daarin vermoedelijk asbest. Tijdens deze controle was persoon 4 in het gezelschap van verdachte. Verdachte bevestigde tijdens dit bezoek dat er asbest in deze big bags zat. Ook ziet persoon 4 tonnen met afval staan afkomstig uit een voormalige autospuiterij. Van deze situatie zijn foto’s gemaakt.

Op 1 juli 2010 omstreeks 10.00 uur is verbalisant 2, vergezeld door onder meer persoon 4 voornoemd en medewerkers van bedrijf 3 , naar voormelde locatie aan het adres 2 te Maarheeze gegaan. Tijdens de rondgang over het bedrijf ziet verbalisant 2 dat de situatie zoals persoon 4 die op 29 juni 2010 heeft geconstateerd, nog steeds bestaat. Ook verbalisant 2 constateert de aanwezigheid van 18 big bags waarin asbest is opgeslagen. Bij de vaten waarvan verdachte bij de controle op 29 juni 2010 tegen persoon 4 had verteld dat daarin afval van een autospuiterij zat, geurde het– aldus verbalisant 2 – naar verfoplosmiddel.

Bij nader onderzoek is vastgesteld dat de 18 big bags met asbest bestonden uit 14 big bags met een inhoud van ongeveer 17m3 en 4 kleinere partijen van elk ongeveer 2 m3. Op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 was derhalve ongeveer 250m3 asbest aanwezig op de locatie adres 2 te Maarheeze. Tijdens het bezoek aan voormelde locatie zijn door medewerkers van bedrijf 3, een geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek aan asbest, 22 monsters genomen van het asbestverdachte materiaal. Uit door bedrijf 3 verricht onderzoek bleek dat 21 van die 22 monsters hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevatten. Uit nader onderzoek bleken voorts de vaten die naar verfoplosmiddel geurden 20 blikken van 20 liter met lak te zijn, geëtiketteerd ADR klasse 9.

De hiervoor genoemde bevindingen worden bevestigd door de verklaring van getuige 1, destijds werkzaam op de locatie adres 2 te Maarheeze. Hij heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 teveel asbest, en lak afkomstig van een spuiterij op de locatie waren opgeslagen. Nadat de lak een jaar lang op het terrein opgeslagen had gestaan, heeft getuige 1 de lak naar de milieustraat gebracht.

Zowel bij zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte erkend dat op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 op de locatie adres 2 te Maarheeze, de door verbalisant 2 en persoon 4 aangetroffen big bags met asbesthoudende materialen en 20 blikken verf aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat het asbest aan verschillende, inmiddels failliet verklaarde bedrijven toebehoorde die op voormelde locatie waren gevestigd. Verdachte heeft toen ook verklaard dat hij de dagelijkse leiding op deze locatie heeft, dat hij verantwoordelijk is voor het toezicht op het terrein en in de gebouwen en dat hij zorg draagt voor de naleving van de voorschriften uit de geldende vergunning Wet milieubeheer. 

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor onder feit 1 uiteengezet, dat verdachte ook in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 degene was die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften aldaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 en onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 7

Op 2 juli 2010 heeft de officier van justitie aan verdachte kennis gegeven van de – op grond van artikel 28 van de Wet op de economische delicten bevolen – voorlopige maatregel dat verdachte zich met ingang van het moment van uitreiking van deze kennisgeving zal onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting gelegen aan het adres 2 te Maarheeze aanwezige asbest anders dan na voorafgaande goedkeuring van -, en onder toezicht van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost. Op 2 juli 2010 is deze voorlopige maatregel aan verdachte uitgereikt en met hem besproken.

Op 17 september 2010 heeft het Regionaal Milieuteam van de gemeente Cranendonck een melding ontvangen waaruit bleek dat op maandag 20 september 2010 een asbestverwijdering plaats zou gaan vinden ter plaats van het adres 2 te Maarheeze. Deze verwijdering zou worden uitgevoerd door bedrijf 6 (verder ook: bedrijf 6). Op 23 september 2010 bleek uit contacten tussen de gemeente Cranendonck en bedrijf 6 dat het asbest op de locatie aan het adres 2 te Maarheeze opnieuw was verpakt en in containers was geplaatst. Op 24 september 2010 zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 ter plaatse gegaan. Op de openbare weg adres 2, zien hij twee containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic. Het witte plastic was op meerdere plaatsen gescheurd. Door de gescheurde gedeeltes zag verbalisant 3 asbestverdacht plaatmateriaal. Enige tijd later op diezelfde dag werd geconstateerd dat de twee containers niet meer op de openbare weg adres 2 stonden maar waren verplaatst naar het terrein adres 2,

Vervolgens hebben verbalisant 2 en verbalisant 3 met verdachte gesproken en is een kopie van de voorlopige maatregel met parketnummer 01/995021-10 aan verdachte uitgereikt, waarna de inhoud van die maatregel met hem is besproken. Omdat het vermoeden bestond dat de inhoud van de witte plastic zakken in de aangetroffen containers het asbesthoudend materiaal betrof dat op 1 juli 2010 op de locatie werd aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd het asbestinventarisatierapport aan verbalisant 2 overhandigd. Hieruit bleek dat het materiaal in de containers asbest bevatte.

Bij brief van 24 september 2010 heeft verbalisant 2 verdachte er nogmaals op gewezen dat het hem, gelet op de tegen hem bevolen voorlopige maatregel, was verboden het aanwezige asbest zonder goedkeuring van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost te verplaatsen.

Als reactie op een aantal faxen van verdachte van 28 september 2010, waarin hij melding maakte dat hij roerende zaken vanaf het terrein aan het adres 2 te Maarheeze op de openbare weg had geplaatst, zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 op 29 september 2010 ter plaatse gegaan. Daar zag verbalisant 3, op de openbare weg rond het terrein r 2010 via een aantal faxen aan de gemeente Cranendonck, de politie en de curator heeft aangekondigd en dat hij waar hij in die faxen over roerende goederen heeft gesproken, onder andere heeft gedoeld op containers die verpakt asbest bevatten. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd [artikel 2 onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006).

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 4: Valsheid in geschrift.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 6: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1., eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 7: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De onderhavige feiten heeft verdachte gedurende een langere periode gepleegd. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de gezondheidsbelangen van zijn medemensen. Verdachte was niet gecertificeerd als asbestverwijderaar. Dat dit mogelijk (lang geleden) anders is geweest doet daaraan niet af. Asbestsanering is gelet op de grote risico’s voor de volksgezondheid aan strikte regels gebonden. Verdachte heeft die – hem welbekende - regels doelbewust genegeerd, waarbij verdachte louter door financiële motieven lijkt te zijn gedreven. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en het tijdsbestek waarin die feiten zich hebben afgespeeld is het handelen van verdachte als stelselmatig en hardnekkig te betitelen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer, feiten soortgelijk aan de hiervoor onder 1 en onder 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de bewezenverklaarde feiten en verdachtes attitude blijkt voorts een nagenoeg ontbrekend respect voor aanwijzingen en beslissingen van de autoriteiten en negeert hij ook die stelselmatig.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het op de onbeschermde bodem of in oppervlaktewateren brengen van (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater door een rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4224

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de verdediging geconcludeerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte moet worden verklaard nu de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde omdat:

  • bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van de ten laste gelegde feiten de Aanwijzing bemonstering en analyse milieu- delicten niet is gevolgd;
  • de monsters die ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit zijn genomen, door het Gemeenschappelijk Waterschapslaboratorium zijn geanalyseerd, maar dat dit laboratorium daartoe op het moment van de analyse niet was geaccrediteerd;
  • het opsporingsonderzoek onzorgvuldig en niet voortvarend heeft plaatsgevonden, waarbij een van de toezichthouders / opsporingsamb- tenaren onprofessioneel is opgetreden tijdens een hoorzitting van de Provincie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, zelfs al zou de bemonstering en de analyse van de monsters niet volgens de voorgeschreven procedure zijn verlopen, dit niet haar ontvankelijkheid raakt, maar hooguit de bewijswaarde van de door het gewraakte onderzoek verkregen onderzoeksresultaten.

De aantijgingen die de verdediging over het optreden van verbalisant 1 heeft gemaakt, gaan veel te ver. Zijn waarnemingen en zijn bevindingen heeft hij in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal neergelegd en die zijn duide- lijk. De wijze waarop verbalisant 1 zich vervolgens tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie heeft opgesteld, is niet relevant voor de beoordeling van deze strafzaak omdat die hoorzitting plaatsvond in het kader van het bestuursrechtelijke traject wat in deze zaak is gevolgd.

Evenals de raadsman is de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak had moeten worden afgedaan, is geschonden. Ook deze omstandigheid kan niet tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden, maar dient een rol te spelen voor het geval aan verdachte een straf wordt opgelegd.

De officier van justitie is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot haar niet ontvankelijkheid in de strafvervolging van verdachte, moet worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

  • De wijze waarop de bemonstering en de analyse van de monsters heeft plaatsgevonden

Bij de opsporing van milieudelicten wordt vaak gebruik gemaakt van in het veld genomen monsters. Het staat buiten kijf dat het nemen en het analyseren van die monsters op een zorgvuldige en controleerbare wijze dient te geschieden. Teneinde dit te bewerkstelligen is de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten opgesteld. Deze aanwijzing bevat een aantal waarborgen waarmee het nemen en het analyseren van monsters is omgeven. Schending van deze waarborgen kan - onder omstandigheden - de bewijswaarde van de uit de bemonstering verkregen resultaten aantasten, maar kan op zichzelf niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Dit is anders als de wijze waarop de bemonstering in deze zaak en de analyse van de daarbij verkregen monsters heeft plaatsgevonden, door de officier van justitie zodanig is gestuurd dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Zulks is evenwel door de verdediging niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Dit geldt evenzeer voor het door de verdediging aangestipte punt van accreditering van het Gemeenschappelijk waterschapslaboratorium.

  • De zorgvuldigheid van het onderzoek

De verdediging heeft vraagtekens geplaatst bij de zorgvuldigheid van de eerste opsporingshandelingen en vraagt zich af waarom nog nader onderzoek nodig was resulterend inhet opmaken van zeven aanvullende processen-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank was het uitvoeren van nader onderzoek noodzakelijk in het kader van de waarheidsvinding teneinde de omvang van de gedragingen van verdachte te kunnen vaststellen en doet het dus geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van het onderzoek als geheel, maar completeert het juist.

  • De handelwijze van verbalisant 1

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 24 juni 2014 gegeven toelichting, blijkt dat de bezwaren van de verdediging tegen het niet professionele optreden van verbalisant 1 zich vooral richten tegen de wijze waarop hij zich heeft opgesteld tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie Staten van Noord-Brabant van 7 september 2012. Deze hoorzitting had betrekking op het bestuursrechtelijk traject wat ten aanzien van verdachte was ingezet. De opstelling van verbalisant 1 tijdens deze hoorzitting is derhalve van geen enkele invloed op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Voor de beoordeling van deze strafzaak is voor de rechtbank enkel van belang om de bewijswaarde te wegen van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisant 1, zoals hij die in de diverse door hem op ambtseed opgemaakt processen-verbaal heeft beschreven.

  • De voortvarendheid van het onderzoek.

In de Aanwijzing handhaving milieurecht is in het hoofdstuk “Vervolging” bepaald dat de officier van justitie in eenvoudige milieuzaken uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal verdachte informeert over de vervolgingsbeslissing. In gecompliceerde zaken is die termijn op zes maanden gesteld. Het in deze zaak door de politie Haaglanden opgemaakte proces-verbaal is op 8 februari 2011 gesloten. Verdachte is bij dagvaarding van 8 januari 2013 voor de eerste keer gedagvaard tegen de zitting van 22 april 2013.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie de hiervoor genoemde en aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht, heeft geschonden. In deze Aanwijzing, noch in enig andere bepaling, wordt echter een sanctie gesteld op overtreding van deze instructienorm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan schending van een redelijke termijn niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte dienen te compenseren in het geval de rechtbank toekomt aan het opleggen van een strafaan verdachte.

  • Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde gronden, afzonderlijk noch in onderling verband en samenhang bezien, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg kunnen hebben.

Feit 1, 2 en 3

Verdachte wordt onder meer verweten dat zij (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater op de onbeschermde boden of in oppervlaktewateren heeft gebracht.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman betwist dat sprake is van (varkens) mest of mestwater. Op dit verweer zal de rechtbank niet nader ingaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het water dat verdachte op de bodem of in het oppervlaktewater heeft gebracht, in elk geval afvalwater was gelet op de wijze waarop verdachte zich van dat water heeft ontdaan.

Het afvalwater is door verbalisanten tijdens geleidbaarheidsmetingen in het veld bemonsterd. Uit de door de diverse verbalisanten opgemaakte processen-verbaal blijkt dat veldmetingen op het perceel adres te Sterksel, en bij oppervlaktewateren op of in de onmiddellijke nabijheid van dat perceel zijn uitgevoerd. Uit de analyse van die monsters is gebleken dat het electrisch geleidingsvermogen van dat afvalwater uitgedrukt in een zogenaamde EGV-waarde van dat afvalwater . een veel hoger zoutgehalte te zien gaf dan de EGV-waarde van niet verontreinigd oppervlaktewater.

De raadsman heeft betoogd dat de resultaten van de veldmetingen niet aan het bewijs kunnen bijdragen omdat die resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn nu verbalisanten bij het uitvoeren van die metingen de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten niet hebben gevolgd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op 27 augustus 2013 heeft persoon 1 verslag gedaan over de betrouwbaarheid van de resultaten van die veldmetingen.

De geleidbaarheidsmetingen in het laboratorium zijn volgens de daarvoor geldende norm NEN ISO 7888 uitgevoerd. Voor geleidbaarheidsmetingen in het veld zijn geen normen vermeld. Uit eigen ervaring is persoon 1 bekend dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn. Er kan weinig misgaan. Uit de vergelijkingen van de uitkomsten van de veldmetingen en de laboratoriummetingen volgt – aldus persoon 1 – dat de veldmetingen vol- doende betrouwbaar zijn geweest.

Een hoog gehalte elektrische geleidbaarheid van een vloeistof is het gevolg van een hoog gehalte aan opgeloste zouten. Een hoog gehalte in de bodem aan opgeloste zouten, moet als bodemverontreiniging worden gekwalificeerd.

De rechtbank neemt deze conclusie en de gronden waarop die berust over. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitkomsten van de geleid- baarheidsmetingen voldoende betrouwbaar om aan het bewijs bij te dragen dat het door verdachte geloosde afvalwater zodanig was verontreinigd dat door die lozingen de bodem of het oppervlaktewater kon worden verontreinigd. Zoals uit de conclusie van persoon 1 blijkt, doet daaraan niet af dat bij de veldmetingen niet conform de Aanwijzing bemonstering en analyse van milieudelicten is gehandeld. Bij de monsterneming is steeds voldoende concreet aangegeven waar de plaats van bemonstering zich bevond.

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte is overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming ten laste gelegd. Dit is een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien verdachte weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem zou kunnen worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge dat artikel de plicht voor verdachte om, als er al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte gevergd kunnen worden om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door verdachte om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 19 januari 2010 was geconstateerd dat verontreinigd afvalwater op de bodem was gebracht, heeft verdachte geen maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. Daarna heeft verdachte geen maatregelen genomen om een dergelijke bodemverontreiniging te voorkomen. Aldus heeft verdachte – minst genomen – welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door haar handelen de bodem zou kunnen worden verontreinigd.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat het op de weg van verdachte had gelegen om aan te tonen dat door haar handelen de bodem niet kon worden verontreinigd, b.v. omdat het afvalwater niet was verontreinigd of dat het afvalwater niet op de onbeschermde bodem is gebracht. Daarin is verdachte niet geslaagd.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 4 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd, dat deze lozing niet aan verdachte kan worden toegerekend omdat onbevoegden de dop van een pijp hebben verwijderd waardoor water vanaf het perceel van verdachte in het oppervlaktewater terecht kon komen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte is vanaf medio 1994 eigenaar van het perceel gelegen aan adres te Sterksel. Verdachte heeft dus ruimschoots de tijd gehad dit perceel te inspecteren en die maatregelen te treffen die nodig waren om milieuverontreiniging te voorkomen. Dat heeft verdachte kennelijk nagelaten nu op 4 december 2009 is geconstateerd dat er via een pijp waarvan de dop was verwijderd, verontreinigd afvalwater op een kavelsloot grenzend aan het perceel van verdachte, was geloosd. Nadat deze lozing was geconstateerd, heeft verdachte de afsluitingsdop op de pijp gelast. Deze maatregel had verdachte veel eerder kunnen en moeten uitvoeren. Dat de dop moedwillig van de pijp is gehaald door onbekend gebleven onbevoegden, dat die onbekenden een stuw hebben opengezet en dat daardoor afvalwater vanaf het bedrijfsterrein van verdachte op het riool is geloosd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Overigens rust op verdachte als eigenaar/beheerder van haar terrein de plicht dit terrein te beheren en maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden dit terrein kunnen betreden.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 15 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd dat dit het gevolg was van rioolwerkzaamheden aan adres te Sterksel door bedrijf 1. Na afronding van die werkzaamheden zou dit bedrijf vergeten zijn de pomp van het persriool weer aan te zetten als gevolg waarvan afvalwater naar het schoonwaterriool van verdachte zou zijn gelopen. Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. Voor dit alternatieve scenario is door de verdediging geen begin van aannemelijkheid aangetoond.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte wordt verweten dat zij de werking van haar inrichting, gelegen aan adres te Sterksel heeft veranderd door het uitvoeren van niet vergunde werkzaamheden. Vooreerst merkt de rechtbank op de dat de vigerende vergunning de op 29 juli 2003 aan verdachte verleende vergunning is.

Ten aanzien van de afzonderlijk ten laste gelegde gedragingen overweegt de rechtbank het navolgende:

  • 16 december 2009: Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte varkensmest heeft gestort op een berg puin en dat de wijze waarop die mest is verspreid niet duidt op het nat houden van de berg puin;
  • 21 januari 2010: Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de inrichting heeft uitgebreid met een in de composthoop vervaardigd gat. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken;
  • 29 januari 2010 en 3 februari 2010: Op grond van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisanten zoals die in de door hen opgemaakte processen-verbaal staan beschreven en zoals die van de bewijsmiddelen deel uitmaken, in combinatie met de resultaten van de door verbalisanten uitgevoerde veldmetingen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de aangetroffen containers schoon werden gemaakt. Met name het feit dat deze containers voor 2/3 waren gevuld, duidt op de opslag van afvalwater.

Feit 4

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt dit verweer. In het milieustrafrecht geldt als uitgangspunt dat het opzet van een dader gericht moet zijn op het uitvoeren van de gedraging en niet op het mogelijke gevolg daarvan of op het overschrijden van een wettelijke norm.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feitelijke gedraging, te weten meststoffen bevattend afvalwater in een kavelsloot laten afvloeien door dit afvalwater op een perceel maïsland te sproeien, opzettelijk heeft begaan. Daarbij heeft verdachte geen afdoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat het afvalwater via het maisland in de aan het perceel maïsland grenzende kavelsloot, zijnde een oppervlaktewater, terecht zou komen. Evenmin is gebleken dat verdachte de aard en de samenstelling van het water wat zij op het maïsland heeft gebracht, heeft gecontroleerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en over- tuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.

Feit 5

Verdachte wordt verweten dat zij op of omstreeks 24 september 2009 haar inrichting, gelegen op het perceel adres te Sterksel in de gemeente Heeze-Leende, heeft veranderd door het uitbreiden/vergroten van de bassins waarin vloeistoffen werden opgeslagen en door een aggregaat te gebruiken voor de beluchting van het mestwater bevattende bassin. Bij een controlebezoek van een medewerker van het SRE namens de provincie Noord-Brabant, op 23 juli 2009, is geconstateerd dat deze bassins waren uitgebreid en dat toen al een aggregaat in gebruik was genomen voor de beluchting van een van deze bassins.

Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte niet op of omstreeks 24 september 2009 de werking van haar inrichting heeft veranderd als omschreven in de tenlastelegging, maar dat dit minimaal een aantal maanden eerder reeds is gebeurd. Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 4:  Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 20.000,- waarvan EUR 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte heeft gedurende een langere periode de milieuwetgeving overtreden en daardoor de bodem en het oppervlaktewater verontreinigd. Gelet op de periode waarin de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd, lijken de bewezenverklaarde gedragingen een structureel karakter te hebben. Gelet op dit structurele karakter lijkt verdachte zich niets te hebben aangetrokken van de gevolgen die haar handelen had voor de bodem of de oppervlaktewateren en de daarin levende organismen. Dit heeft zich onder meer geopenbaard door opgetreden vissterfte op 22 september 2009 in de Sterkselse Aa, veroorzaakt door de onder feit 4 bewezenverklaarde gedragingen. Verdachte is toen al met ernstige gevolgen van haar handelen geconfronteerd. De andere bewezen verklaarde feiten zijn allemaal van nadien. Blijkbaar heeft de confrontatie van verdachte met de schadelijke gevolgen van haar handelen niet geleid tot enige verbetering.

Op 24 maart 2014 is verdachte, door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant, veroordeeld tot een geldboete van € 150.000,-- waarvan € 50.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming van drie maanden met een proeftijd van twee jaar terzake dood door schuld meermalen gepleegd en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. De feiten die hiervoor bewezen zijn verklaard, zijn voor de veroordeling van 24 maart 2014 gepleegd. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank, bij het bepalen van de voor de bewezen verklaarde feiten op te leggen straf, met die veroordeling rekening houden, in die zin dat de rechtbank zal overwegen welke straf aan verdachte zou zijn opgelegd indien de feiten waarvoor verdachte bij voormeld vonnis van 24 maart 2014 is veroordeeld, gelijktijdig met de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zouden zijn afgedaan.

Bovendien is, zoals eerder in dit vonnis is overwogen, het recht van verdachte op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door tijdsverloop geschonden en heeft de officier van justitie zich niet gehouden aan de aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht met betrekking tot de termijn waarbinnen de verdachte moet worden geïnformeerd over de vervolgingsbeslissing. Daarvoor zal de rechtbank verdachte compenseren in de hoogte van de aan haar op te leggen straf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^