Het op de onbeschermde bodem of in oppervlaktewateren brengen van (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater door een rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4224

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de verdediging geconcludeerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte moet worden verklaard nu de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde omdat:

  • bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van de ten laste gelegde feiten de Aanwijzing bemonstering en analyse milieu- delicten niet is gevolgd;
  • de monsters die ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit zijn genomen, door het Gemeenschappelijk Waterschapslaboratorium zijn geanalyseerd, maar dat dit laboratorium daartoe op het moment van de analyse niet was geaccrediteerd;
  • het opsporingsonderzoek onzorgvuldig en niet voortvarend heeft plaatsgevonden, waarbij een van de toezichthouders / opsporingsamb- tenaren onprofessioneel is opgetreden tijdens een hoorzitting van de Provincie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, zelfs al zou de bemonstering en de analyse van de monsters niet volgens de voorgeschreven procedure zijn verlopen, dit niet haar ontvankelijkheid raakt, maar hooguit de bewijswaarde van de door het gewraakte onderzoek verkregen onderzoeksresultaten.

De aantijgingen die de verdediging over het optreden van verbalisant 1 heeft gemaakt, gaan veel te ver. Zijn waarnemingen en zijn bevindingen heeft hij in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal neergelegd en die zijn duide- lijk. De wijze waarop verbalisant 1 zich vervolgens tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie heeft opgesteld, is niet relevant voor de beoordeling van deze strafzaak omdat die hoorzitting plaatsvond in het kader van het bestuursrechtelijke traject wat in deze zaak is gevolgd.

Evenals de raadsman is de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak had moeten worden afgedaan, is geschonden. Ook deze omstandigheid kan niet tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden, maar dient een rol te spelen voor het geval aan verdachte een straf wordt opgelegd.

De officier van justitie is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot haar niet ontvankelijkheid in de strafvervolging van verdachte, moet worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

  • De wijze waarop de bemonstering en de analyse van de monsters heeft plaatsgevonden

Bij de opsporing van milieudelicten wordt vaak gebruik gemaakt van in het veld genomen monsters. Het staat buiten kijf dat het nemen en het analyseren van die monsters op een zorgvuldige en controleerbare wijze dient te geschieden. Teneinde dit te bewerkstelligen is de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten opgesteld. Deze aanwijzing bevat een aantal waarborgen waarmee het nemen en het analyseren van monsters is omgeven. Schending van deze waarborgen kan - onder omstandigheden - de bewijswaarde van de uit de bemonstering verkregen resultaten aantasten, maar kan op zichzelf niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Dit is anders als de wijze waarop de bemonstering in deze zaak en de analyse van de daarbij verkregen monsters heeft plaatsgevonden, door de officier van justitie zodanig is gestuurd dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Zulks is evenwel door de verdediging niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Dit geldt evenzeer voor het door de verdediging aangestipte punt van accreditering van het Gemeenschappelijk waterschapslaboratorium.

  • De zorgvuldigheid van het onderzoek

De verdediging heeft vraagtekens geplaatst bij de zorgvuldigheid van de eerste opsporingshandelingen en vraagt zich af waarom nog nader onderzoek nodig was resulterend inhet opmaken van zeven aanvullende processen-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank was het uitvoeren van nader onderzoek noodzakelijk in het kader van de waarheidsvinding teneinde de omvang van de gedragingen van verdachte te kunnen vaststellen en doet het dus geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van het onderzoek als geheel, maar completeert het juist.

  • De handelwijze van verbalisant 1

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 24 juni 2014 gegeven toelichting, blijkt dat de bezwaren van de verdediging tegen het niet professionele optreden van verbalisant 1 zich vooral richten tegen de wijze waarop hij zich heeft opgesteld tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie Staten van Noord-Brabant van 7 september 2012. Deze hoorzitting had betrekking op het bestuursrechtelijk traject wat ten aanzien van verdachte was ingezet. De opstelling van verbalisant 1 tijdens deze hoorzitting is derhalve van geen enkele invloed op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Voor de beoordeling van deze strafzaak is voor de rechtbank enkel van belang om de bewijswaarde te wegen van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisant 1, zoals hij die in de diverse door hem op ambtseed opgemaakt processen-verbaal heeft beschreven.

  • De voortvarendheid van het onderzoek.

In de Aanwijzing handhaving milieurecht is in het hoofdstuk “Vervolging” bepaald dat de officier van justitie in eenvoudige milieuzaken uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal verdachte informeert over de vervolgingsbeslissing. In gecompliceerde zaken is die termijn op zes maanden gesteld. Het in deze zaak door de politie Haaglanden opgemaakte proces-verbaal is op 8 februari 2011 gesloten. Verdachte is bij dagvaarding van 8 januari 2013 voor de eerste keer gedagvaard tegen de zitting van 22 april 2013.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie de hiervoor genoemde en aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht, heeft geschonden. In deze Aanwijzing, noch in enig andere bepaling, wordt echter een sanctie gesteld op overtreding van deze instructienorm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan schending van een redelijke termijn niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte dienen te compenseren in het geval de rechtbank toekomt aan het opleggen van een strafaan verdachte.

  • Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde gronden, afzonderlijk noch in onderling verband en samenhang bezien, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg kunnen hebben.

Feit 1, 2 en 3

Verdachte wordt onder meer verweten dat zij (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater op de onbeschermde boden of in oppervlaktewateren heeft gebracht.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman betwist dat sprake is van (varkens) mest of mestwater. Op dit verweer zal de rechtbank niet nader ingaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het water dat verdachte op de bodem of in het oppervlaktewater heeft gebracht, in elk geval afvalwater was gelet op de wijze waarop verdachte zich van dat water heeft ontdaan.

Het afvalwater is door verbalisanten tijdens geleidbaarheidsmetingen in het veld bemonsterd. Uit de door de diverse verbalisanten opgemaakte processen-verbaal blijkt dat veldmetingen op het perceel adres te Sterksel, en bij oppervlaktewateren op of in de onmiddellijke nabijheid van dat perceel zijn uitgevoerd. Uit de analyse van die monsters is gebleken dat het electrisch geleidingsvermogen van dat afvalwater uitgedrukt in een zogenaamde EGV-waarde van dat afvalwater . een veel hoger zoutgehalte te zien gaf dan de EGV-waarde van niet verontreinigd oppervlaktewater.

De raadsman heeft betoogd dat de resultaten van de veldmetingen niet aan het bewijs kunnen bijdragen omdat die resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn nu verbalisanten bij het uitvoeren van die metingen de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten niet hebben gevolgd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op 27 augustus 2013 heeft persoon 1 verslag gedaan over de betrouwbaarheid van de resultaten van die veldmetingen.

De geleidbaarheidsmetingen in het laboratorium zijn volgens de daarvoor geldende norm NEN ISO 7888 uitgevoerd. Voor geleidbaarheidsmetingen in het veld zijn geen normen vermeld. Uit eigen ervaring is persoon 1 bekend dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn. Er kan weinig misgaan. Uit de vergelijkingen van de uitkomsten van de veldmetingen en de laboratoriummetingen volgt – aldus persoon 1 – dat de veldmetingen vol- doende betrouwbaar zijn geweest.

Een hoog gehalte elektrische geleidbaarheid van een vloeistof is het gevolg van een hoog gehalte aan opgeloste zouten. Een hoog gehalte in de bodem aan opgeloste zouten, moet als bodemverontreiniging worden gekwalificeerd.

De rechtbank neemt deze conclusie en de gronden waarop die berust over. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitkomsten van de geleid- baarheidsmetingen voldoende betrouwbaar om aan het bewijs bij te dragen dat het door verdachte geloosde afvalwater zodanig was verontreinigd dat door die lozingen de bodem of het oppervlaktewater kon worden verontreinigd. Zoals uit de conclusie van persoon 1 blijkt, doet daaraan niet af dat bij de veldmetingen niet conform de Aanwijzing bemonstering en analyse van milieudelicten is gehandeld. Bij de monsterneming is steeds voldoende concreet aangegeven waar de plaats van bemonstering zich bevond.

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte is overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming ten laste gelegd. Dit is een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien verdachte weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem zou kunnen worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge dat artikel de plicht voor verdachte om, als er al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte gevergd kunnen worden om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door verdachte om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 19 januari 2010 was geconstateerd dat verontreinigd afvalwater op de bodem was gebracht, heeft verdachte geen maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. Daarna heeft verdachte geen maatregelen genomen om een dergelijke bodemverontreiniging te voorkomen. Aldus heeft verdachte – minst genomen – welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door haar handelen de bodem zou kunnen worden verontreinigd.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat het op de weg van verdachte had gelegen om aan te tonen dat door haar handelen de bodem niet kon worden verontreinigd, b.v. omdat het afvalwater niet was verontreinigd of dat het afvalwater niet op de onbeschermde bodem is gebracht. Daarin is verdachte niet geslaagd.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 4 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd, dat deze lozing niet aan verdachte kan worden toegerekend omdat onbevoegden de dop van een pijp hebben verwijderd waardoor water vanaf het perceel van verdachte in het oppervlaktewater terecht kon komen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte is vanaf medio 1994 eigenaar van het perceel gelegen aan adres te Sterksel. Verdachte heeft dus ruimschoots de tijd gehad dit perceel te inspecteren en die maatregelen te treffen die nodig waren om milieuverontreiniging te voorkomen. Dat heeft verdachte kennelijk nagelaten nu op 4 december 2009 is geconstateerd dat er via een pijp waarvan de dop was verwijderd, verontreinigd afvalwater op een kavelsloot grenzend aan het perceel van verdachte, was geloosd. Nadat deze lozing was geconstateerd, heeft verdachte de afsluitingsdop op de pijp gelast. Deze maatregel had verdachte veel eerder kunnen en moeten uitvoeren. Dat de dop moedwillig van de pijp is gehaald door onbekend gebleven onbevoegden, dat die onbekenden een stuw hebben opengezet en dat daardoor afvalwater vanaf het bedrijfsterrein van verdachte op het riool is geloosd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Overigens rust op verdachte als eigenaar/beheerder van haar terrein de plicht dit terrein te beheren en maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden dit terrein kunnen betreden.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 15 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd dat dit het gevolg was van rioolwerkzaamheden aan adres te Sterksel door bedrijf 1. Na afronding van die werkzaamheden zou dit bedrijf vergeten zijn de pomp van het persriool weer aan te zetten als gevolg waarvan afvalwater naar het schoonwaterriool van verdachte zou zijn gelopen. Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. Voor dit alternatieve scenario is door de verdediging geen begin van aannemelijkheid aangetoond.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte wordt verweten dat zij de werking van haar inrichting, gelegen aan adres te Sterksel heeft veranderd door het uitvoeren van niet vergunde werkzaamheden. Vooreerst merkt de rechtbank op de dat de vigerende vergunning de op 29 juli 2003 aan verdachte verleende vergunning is.

Ten aanzien van de afzonderlijk ten laste gelegde gedragingen overweegt de rechtbank het navolgende:

  • 16 december 2009: Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte varkensmest heeft gestort op een berg puin en dat de wijze waarop die mest is verspreid niet duidt op het nat houden van de berg puin;
  • 21 januari 2010: Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de inrichting heeft uitgebreid met een in de composthoop vervaardigd gat. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken;
  • 29 januari 2010 en 3 februari 2010: Op grond van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisanten zoals die in de door hen opgemaakte processen-verbaal staan beschreven en zoals die van de bewijsmiddelen deel uitmaken, in combinatie met de resultaten van de door verbalisanten uitgevoerde veldmetingen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de aangetroffen containers schoon werden gemaakt. Met name het feit dat deze containers voor 2/3 waren gevuld, duidt op de opslag van afvalwater.

Feit 4

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt dit verweer. In het milieustrafrecht geldt als uitgangspunt dat het opzet van een dader gericht moet zijn op het uitvoeren van de gedraging en niet op het mogelijke gevolg daarvan of op het overschrijden van een wettelijke norm.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feitelijke gedraging, te weten meststoffen bevattend afvalwater in een kavelsloot laten afvloeien door dit afvalwater op een perceel maïsland te sproeien, opzettelijk heeft begaan. Daarbij heeft verdachte geen afdoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat het afvalwater via het maisland in de aan het perceel maïsland grenzende kavelsloot, zijnde een oppervlaktewater, terecht zou komen. Evenmin is gebleken dat verdachte de aard en de samenstelling van het water wat zij op het maïsland heeft gebracht, heeft gecontroleerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en over- tuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.

Feit 5

Verdachte wordt verweten dat zij op of omstreeks 24 september 2009 haar inrichting, gelegen op het perceel adres te Sterksel in de gemeente Heeze-Leende, heeft veranderd door het uitbreiden/vergroten van de bassins waarin vloeistoffen werden opgeslagen en door een aggregaat te gebruiken voor de beluchting van het mestwater bevattende bassin. Bij een controlebezoek van een medewerker van het SRE namens de provincie Noord-Brabant, op 23 juli 2009, is geconstateerd dat deze bassins waren uitgebreid en dat toen al een aggregaat in gebruik was genomen voor de beluchting van een van deze bassins.

Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte niet op of omstreeks 24 september 2009 de werking van haar inrichting heeft veranderd als omschreven in de tenlastelegging, maar dat dit minimaal een aantal maanden eerder reeds is gebeurd. Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 4:  Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 20.000,- waarvan EUR 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte heeft gedurende een langere periode de milieuwetgeving overtreden en daardoor de bodem en het oppervlaktewater verontreinigd. Gelet op de periode waarin de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd, lijken de bewezenverklaarde gedragingen een structureel karakter te hebben. Gelet op dit structurele karakter lijkt verdachte zich niets te hebben aangetrokken van de gevolgen die haar handelen had voor de bodem of de oppervlaktewateren en de daarin levende organismen. Dit heeft zich onder meer geopenbaard door opgetreden vissterfte op 22 september 2009 in de Sterkselse Aa, veroorzaakt door de onder feit 4 bewezenverklaarde gedragingen. Verdachte is toen al met ernstige gevolgen van haar handelen geconfronteerd. De andere bewezen verklaarde feiten zijn allemaal van nadien. Blijkbaar heeft de confrontatie van verdachte met de schadelijke gevolgen van haar handelen niet geleid tot enige verbetering.

Op 24 maart 2014 is verdachte, door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant, veroordeeld tot een geldboete van € 150.000,-- waarvan € 50.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming van drie maanden met een proeftijd van twee jaar terzake dood door schuld meermalen gepleegd en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. De feiten die hiervoor bewezen zijn verklaard, zijn voor de veroordeling van 24 maart 2014 gepleegd. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank, bij het bepalen van de voor de bewezen verklaarde feiten op te leggen straf, met die veroordeling rekening houden, in die zin dat de rechtbank zal overwegen welke straf aan verdachte zou zijn opgelegd indien de feiten waarvoor verdachte bij voormeld vonnis van 24 maart 2014 is veroordeeld, gelijktijdig met de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zouden zijn afgedaan.

Bovendien is, zoals eerder in dit vonnis is overwogen, het recht van verdachte op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door tijdsverloop geschonden en heeft de officier van justitie zich niet gehouden aan de aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht met betrekking tot de termijn waarbinnen de verdachte moet worden geïnformeerd over de vervolgingsbeslissing. Daarvoor zal de rechtbank verdachte compenseren in de hoogte van de aan haar op te leggen straf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF