Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan het storten van bouw- en sloopafval

Rechtbank Midden-Nederland 8 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3980

De verdenking komt er op neer dat verdacht in de periode van 1 september 2008 tot en met 5 maart 2012 te Loosdrecht samen met een ander of anderen bedrijfsmatig grond en/of bagger en/of stenen en/of beton en/of (ander) bouw- en sloopafval heeft gestort terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling rechtbank

Afvalstoffen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen afvalstoffen op het eiland Elleman heeft gestort.

Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie leidt de rechtbank het volgende af.

Het begrip afvalstof moet niet zo beperkt worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de Richtlijn 75/442/EEG; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt ligt derhalve bij de intentie en de gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af of de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet en of die er nog iets mee kan. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

In dit geval is het bouw- en sloopafval vrijgekomen bij het verbouwen of slopen van een pand. Verdachte heeft in opdracht van medeverdachte stoffen naar het eiland Elleman afgevoerd die waren vrijgekomen bij de bouw van woningen waar een kelder moest worden uitgegraven. Hiermee heeft verdachte afvalstoffen op het eiland Elleman gestort.

Nadelige gevolgen voor het milieu

Volgens de verdediging hebben de materialen die verdachte op eiland Elleman heeft gestort geen nadelige gevolgen gehad voor het milieu.

Niet is vastgesteld dat het ten laste gelegde feit daadwerkelijk nadelige consequenties voor het milieu heeft gehad. Wel is komen vast te staan dat door de stortingen die verdachte namens medeverdachte op het eiland Elleman heeft verricht milieuvreemde stoffen in het milieu terecht zijn gekomen. De rechtbank merkt dit aan als nadelig gevolg dat voor het milieu kon ontstaan in de zin van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.

Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid

De verdediging heeft een beroep gedaan op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid omdat verdachte zijn medeverdachte heeft geholpen met het ophogen van het eiland Elleman om dit eiland te redden. Volgens verdachte zou het eiland anders verdwijnen als gevolg van afkalving.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het doel om het eiland te redden, niet rechtvaardigt dat medeverdachte en verdachte hierbij, zoals uit het dossier is gebleken, een aanzienlijk deel van de natuurlijke habitat van de grote karekiet hebben doen verdwijnen en nadelige gevolgen voor het milieu hebben kunnen veroorzaken. De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van €3.600, waarvan €1.800 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Medeverdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €13.500 waarvan €4.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, wegens:

Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 3: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF