Verdachte, een rechtspersoon, heeft zich schuldig gemaakt aan het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen zonder vergunning

Rechtbank Oost-Brabant 24 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7129

Op 6 oktober 2011 komt er bij de Douane een melding binnen van bedrijf 2 namens het zeeschip naam 1, waarin wordt verzocht om toestemming voor het de-bunkeren van 126 ton IFO 380 stookolie. De naam 1 ligt op dat moment in de haven van Terneuzen aan de Outokumpukade. De naam 1 heeft de stookolie ingenomen in Polen, maar de stookolie voldoet niet aan de specificaties (“off-spec”). De stookolie zal daarom ingenomen worden door het bedrijf bedrijf 1, dat daarvoor de binnenvaart-tanker naam 2 heeft ingehuurd.

Het overpompen van de stookolie van de naam 1 naar de naam 2 heeft plaatsgevonden van 6 op 7 oktober 2011. Op 7 oktober 2011 vindt er onderzoek plaats aan boord van de naam 1 en wordt gesproken met de machinist persoon 1, die aangeeft dat er problemen zijn ontstaan met de separatoren, nadat op 16 september 2011 140 ton stookolie is ingenomen in Gdansk, Polen. De olie verstopte de separatoren en deze moesten ieder half uur worden schoongemaakt. De problemen verdwenen zodra werd overgeschakeld op een later ingenomen partij Finse stookolie. Volgens de machinist is nog geprobeerd het probleem op te lossen door de Poolse olie te mengen met de Finse stookolie, maar dat hielp niet. Van de partij Poolse stookolie zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het bedrijf bedrijf 3. Verder werden aan boord van de naam 1 kopieën gemaakt van documenten.

Uit onderzoek van deze documenten blijkt dat de 140 ton stookolie op 16 september 2011 is geleverd door bedrijf 4 en afkomstig is van bedrijf 5. en dat de stookolie is geleverd met een Certificate of Quality RMG 380 d.d. 14 september 2011 van bedrijf 5 waarin het gehalte Total Sediment aged wordt gesteld op 0,010 %. Op 7 oktober 2011 vindt er ook onderzoek plaats aan boord van de binnenvaarttanker naam 2, waarbij eveneens kopieën van documenten worden gemaakt. Uit onderzoek van deze documenten blijkt dat de naam 2 ruim 110 ton stookolie van de naam 1 heeft overgenomen, dat de lading bestemd was voor bedrijf 1 te Antwerpen en dat de lading wordt omschreven als stookolie met een zwavelgehalte minder dan 1 %. Tijdens het onderzoek aan boord van de naam 2 werd door bedrijf 1 vanuit Antwerpen per email een analyse-certificaat nummer 563-2011-01-A van Saybolt te Polen gezonden, waaruit blijkt dat een op 16 september 2011 genomen monster van de aan naam 1 geleverde stookolie op 27 september 2011 is onderzocht en waaruit een sedimentgehalte blijkt van 0,91 %. Bij navraag bij de Stichting NIWO bleek dat bedrijf 1 niet als inzamelaar van afvalstoffen staat ingeschreven, en verder bleek na onderzoek op het internet op de site van het IL&T dat aan bedrijf 1 ook geen vergunning is verleend voor het inzamelen van (gevaarlijke/scheeps) afvalstoffen.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij (voorheen genaamd bedrijf 1) op of omstreeks 6 en/of 7 oktober 2011 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie)

(afkomstig van het zeeschip naam 1), heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars,

en/of

gevaarlijke afvalstoffen, te weten (niet bruikbare) stookolie (bunkerolie), zijnde (een) afvalstof(fen) die tot de krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer aangewezen categoriën behoort/behoren, te weten scheepsafvalstoffen, heeft ingezameld zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport.

artikel 10.45 lid 1 Wet milieubeheer

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een afvalstof, ook niet van gevaarlijke afvalstoffen, en evenmin van scheepsafvalstoffen, zodat er dus ook geen sprake is van het inzamelen daarvan. De verdediging is verder van mening dat het proces-verbaal geen bewijs bevat voor het ten laste gelegde opzet en dat verdachte ook overigens geen enkel verwijt treft zodat sprake is van afwezigheid van alle schuld en verdachte vrijgesproken dient te worden.

Oordeel rechtbank

Afvalstof

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de naam 1, door het overpompen van de stookolie naar de naam 2, zich niet daarvan heeft ontdaan (als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1 van Richtlijn 2008/98/EG) maar dat deze handeling juridisch geduid moet worden als een teruggave aan bedrijf 5 op grond van een tekortkoming in de overeenkomst krachtens welke bedrijf 5 de stookolie eerder, op 16 september 2011, aan de naam 1 had geleverd. In zoverre komt de onderhavige zaak overeen met de in het tankstation-arrest van het Europese Hof van Justitie beoordeelde casus. In die zaak ging het om een partij voor de pomp bestemde dieselbrandstof, die bij het verladen per ongeluk vermengd raakte met restanten van het oplosmiddel MTBE dat kennelijk in het laadruim was achtergebleven. Door deze vermenging was de dieselbrandstof nog wel geschikt voor het beoogde doel maar voldeed het niet aan de overeengekomen specificaties (vanwege het lagere vlampunt voldeed het niet (meer) aan de veiligheidseisen), zodat de ontevreden koper deze retourneerde aan de leverancier (tankstation), die de brandstof retour nam en de koopsom restitueerde. In die zaak overwoog het Hof dat de teruggeleverde dieselbrandstof geen afvalstof was omdat “een klant die aldus handelt, niet kan worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve zich er niet van heeftontdaan”.

In deze zaak staat vast dat de door bedrijf 5 geleverde stookolie vanwege het te hoge sedimentgehalte niet aan de overeenkomst beantwoordde, gelet op enerzijds het door bedrijf 5 bij de levering verstrekte certificate of quality IFO RMG 380 van 14 september 2011, waarin het Total Sediment Aged wordt gesteld op 0,01%, i.e. ruimschoots beneden de voor dit type stookolie geldende bovengrens van 0,1%, en anderzijds het analysecertificaat van Saybolt naar aanleiding van een op 16 september 2011 van de gebunkerde stookolie genomen monster, waaruit blijkt van een sedimentgehalte van 0,91% (i.e. ruim 9 maal hoger dan voornoemde bovengrens). Vast staat ook dat bedrijf 5 naar aanleiding van de klacht van de naam 1 de resterende stookolie (circa 110 ton) heeft teruggenomen.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de retour ontvangen stookolie moet worden gezien als een afvalstof. Daarbij komt het met name aan op de vraag of bedrijf 5 zich van de stookolie heeft ontdaan (in de zin van de aangehaalde bepaling uit de Richtlijn), gelet op de wijze waarop en omstandigheden waaronder bedrijf 5 deze stookolie heeft verkocht en geleverd aan verdachte. In geval immers die vraag bevestigend wordt beantwoord, stond het verdachte als koper niet vrij deze (alsdan als afvalstof te kwalificeren) stookolie in ontvangst te nemen, nu verdachte niet beschikt over een daartoe strekkende vergunning van de minister van Infrastructuur en Transport, noch vermeld staat op een lijst van inzamelaars. Bij de beoordeling of bedrijf 5 zich van de partij stookolie heeft willen ontdoen dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waarbij de doelstelling van de Richtlijn voor ogen moet worden gehouden, namelijk ervoor zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaats vindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In dat verband acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Om te beginnen blijkt uit het dossier dat bedrijf 5 – nadat naam 1 bij haar had gereclameerd - zelf geen onderzoek heeft ingesteld of in doen stellen naar de precieze chemische samenstelling van de partij stookolie, de oorzaken voor het – achteraf bezien – veel te hoge sedimentgehalte (mede ook gelet op de inhoud van het door bedrijf 5 zelf opgestelde certificate of quality van 14 september 2011), de mogelijkheden om de partij brandstof middels bewerkingen alsnog aan de specificaties voor stookolie IFO RMG 380 te laten voldoen of de (vanuit milieuoogpunt toelaatbare) alternatieve gebruiksmogelijkheden voor deze stookolie, mede in aanmerking genomen de bevindingen aangaande de samenstelling en oorzaken voor het (te) hoge sedimentgehalte.

Gelet op de specificaties waaronder bedrijf 5 de stookolie op 16 september 2011 aan naam 1 heeft geleverd (IFO RMG 380 met een sedimentgehalte van 0,01%) valt, gelet op de ter zake door de officier van justitie gepresenteerde dagprijs te Gdansk in september 2011, aan te nemen dat bedrijf 5 ter zake deze leverantie een prijs heeft bedongen van circa USD 750/ton. Vast staat dat bedrijf 5 de teruggenomen stookolie – via OW Bunker - heeft doorverkocht aan bedrijf 6 als ‘380-CST 1% debunkered off spec fuel ex naam 1’ voor een prijs van USD 330,-/ton, i.e. 30% van genoemde dagprijs en in ieder geval significant lager dan de op dat moment vigerende dagkoers voor stookolie IFO RMG 380. Na aftrek van de door verdachte bij bedrijf 5 in rekening gebrachte kosten ter zake debunkering ad USD 22.000,- resteerde voor bedrijf 5 een netto-opbrengst van (afgerond) USD 130,-/ton, i.e. 15% van de eerder aangehaalde dagprijs.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de positie van bedrijf 5 gelijkgesteld dient te worden met die van tankstation in het eerder aangehaalde arrest van het Europese Hof waarin het Hof overwoog:

“49. De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden dat, enerzijds, de betrokken partij zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave door de Belgische klant aan tankstation bevond, op de markt kon worden verkocht, en anderzijds, de marktwaarde van de betrokken partij nagenoeg overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet, lijken weliswaar de opvatting te weerleggen dat de partij een last was waarvan tankstation probeerde zich te ontdoen, maar deze omstandigheden kunnen niet doorslaggevend zijn, aangezien zij niet aan het licht brengen wat de ware intentie van tankstation was.

50. Overigens moet eraan worden herinnerd dat het begrip afvalstof volgens vaste rechtspraak niet aldus moet worden opgevat dat het stoffen of voorwerpen uitsluit die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn (…).

51. De omstandigheid dat de handel in producten zoals de betrokken partij in het algemeen niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd, vormt weliswaar een nadere aanwijzing dat deze partij geen afvalstof is, maar laat evenmin toe uit te sluiten dat tankstation voornemens was zich ervan te ontdoen.

52. Daarentegen is de omstandigheid dat tankstation de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53. Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (…).

54. Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat. (…)”

Volgens de verdediging komt het in dezen dus aan op de beoordeling van de ‘ware bedoeling’ van bedrijf 5 bij het doorverkopen van de partij stookolie. De raadsman heeft dienaangaande aangevoerd dat die ware bedoeling van bedrijf 5 gekend kan worden uit de feitelijke verkoop van de partij stookolie aan verdachte en dat bedrijf 5 aldus het product terug op de markt heeft gebracht in de zin zoals hiervoor aangehaald.

De rechtbank volgt de verdediging niet in deze redenering. De verkoop van een teruggenomen partij stookolie die niet aan de productspecificaties voldoet waaronder deze eerder op de markt werd gebracht kan niet worden gezien als het ‘terugbrengen op de markt’ indien deze partij zonder enige bewerking nog steeds niet aan de specificaties voldoet waaronder dat product eerder op de markt werd gebracht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het gebruik van de term ‘terugbrengen’ impliceert dat het daarbij gaat om de markt waarop het product eerder werd verkocht, dat wil zeggen de markt voor IFO RMG 380 stookolie. Vast staat dat de teruggenomen partij stookolie bij de tweede verkoop aan bedrijf 6 nog steeds niet aan de specificaties voldeed, die gelden voor dit type stookolie. De uitzonderingsituatie die in het tankstation arrest aan de orde was doet zich daarom niet voor, waarbij de rechtbank er op wijst dat in die casus tankstation voornemens was zelf de partij met een ander product te mengen alvorens deze terug op de markt te brengen. De vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn 2008/98/EG, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Het begrip afvalstof dient daarom niet restrictief te worden uitgelegd. Met de verkoop van de – eerder op de markt voor IFO RMG 380 stookolie verkochte en wegens het niet voldoen daarvan aan de daarvoor geldende product-specificaties teruggenomen – partij stookolie heeft bedrijf 5 zich ontdaan van dit product in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1 van Richtlijn 2008/98/EG en is het product een afvalstof. De omstandigheid dat deze off-spec stookolie zonder nadere bewerking wellicht voor andere doeleinden toepasbaar is en met het oog daarop op “de markt” is gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat het hier – zoals hiervoor overwogen – niet dezelfde markt betreft, staat hieraan in de weg dat bedrijf 5 geen onderzoek heeft verricht naar het bestaan van andere doeleinden respectievelijk toepassingen en dat bedrijf 5 heeft verzuimd nader onderzoek te verrichten naar de samenstelling van het product, als gevolg waarvan de gevolgen van het gebruik ervan voor het milieu ook niet bekend kunnen zijn. Daarom valt niet in te zien dat de off-spec olie met het oog op onbekende doeleinden ‘terug op de markt’ is gebracht.

Vast staat verder dat Verbeke deze afvalstof in ontvangst heeft genomen. De rechtbank kwalificeert deze afvalstof in verband met het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub d onder 3 van het Besluit inzamelen afvalstoffen als scheepsafvalstof omdat het product afvalstof is geworden toen bedrijf 5 het product verkocht. Op dat moment was het schip de naam 1 onderweg en in bedrijf. Ingevolge artikel 9 onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen dient de inzamelaar van dergelijke afvalstoffen te beschikken over een vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat verdachte niet over een dergelijke vergunning beschikte ten tijde van het overpompen van de stookolie van de naam 1 naar de naam 2 op 6 en 7 oktober 2011.

Opzet?

Van de zijde van de verdediging is – subsidiair - betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, aangezien zij in het licht van het tankstation-arrest meende en ook mocht menen dat de stookolie, afkomstig van de naam 1, niet kwalificeerde als afvalstof.

De rechtbank is van oordeel dat uit de vaststaande feiten en uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het begrip afvalstof voortvloeit dat verdachte, als handelaar in scheepsbrandstoffen en uit dien hoofde bekend met de in verband daarmee in acht te nemen zorgvuldigheidseisen, zich vooraf rekenschap had dienen te geven van de reële mogelijkheid dat de stookolie die zij voornemens was over te nemen, mede gelet op het ontbreken van inzicht in de exacte samenstelling van de (scheeps)olie, de oorzaken voor het (veel te) hoge sedimentgehalte alsook de sterk verlaagde prijs waartegen de aanbieder bereid was daarvan afstand te doen, moest worden aangemerkt als afvalstof. Door desondanks deze stookolie zonder relevant eigen onderzoek over te nemen heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de – naar zij wist – ongeschikte stookolie van de naam 1, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder bedrijf 5 zich daarvan heeft willen ontdoen, moest worden aangemerkt als afvalstof, zodat aangenomen moet worden dat het opzet van verdachte daarop in voorwaardelijk zin gericht is geweest. Op dezelfde gronden dient verdachtes beroep op afwezigheid van alle schuld te stranden.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Transport. Verdachte heeft hiermee een voorschrift van de Wet milieubeheer overtreden, dat strekt tot bescherming van het milieu, te weten, in dit geval, het belang van controle op een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR. 47.500,-. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf een korting van 5% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een zaak behandeld dient te worden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF