Wat zijn de implicaties van de Landeck-uitspraak voor de Nederlandse opsporing?

Parket bij de Hoge Raad 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1230 en ECLI:NL:PHR:2024:1236

AG Harteveld heeft advies gegeven aan de Hoge Raad in twee zaken, waarin hij ingaat op de gevolgen van de zaak Landeck (Hof van Justitie EU 4 oktober 2024 in zaak C-548/21). Het Europees Hof heeft in die uitspraak de voorwaarden verduidelijkt waaraan de politie moet voldoen om toegang te krijgen tot gegevens op mobiele telefoons.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over afstand van bevoegdheid om verzet in te stellen tegen strafbeschikking

Hoge Raad 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1677

De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan over het doen van afstand van de bevoegdheid om verzet in te stellen tegen een strafbeschikking. De verdachte doet afstand van zijn bevoegdheid om verzet tegen een strafbeschikking in te stellen als hij vrijwillig aan die strafbeschikking voldoet (artikel 257e lid 1 Sv). In het algemeen mag de rechter die vrijwillige afstand afleiden uit het feit dat aan die strafbeschikking is voldaan. Maar als de verdachte gemotiveerd aanvoert dat van vrijwilligheid geen sprake was, moet de rechter dat onderzoeken. In dit geval is gemotiveerd aangevoerd dat van vrijwilligheid geen sprake was vanwege de onderbewindstelling van de verdachte. Het hof had het verzet daarom niet zonder nader onderzoek naar de vrijwilligheid niet-ontvankelijk mogen verklaren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Opruiing: HR over opzet en beoordeling of uitingen aansporen tot strafbaar feit

Hoge Raad 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1573

Het gaat in deze zaak om tweets die door de verdachte op zijn (destijds zo geheten) Twitter-account zijn geplaatst. De verdachte was op dat moment raadslid in de gemeente Den Haag en had een Twitter-account met ten minste 31.000 volgers. De verdachte is door het gerechtshof Den Haag wegens telkens "in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit opruien" (feit 1 en 2), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren. De cassatiemiddelen komen op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Het eerste cassatiemiddel richt zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het op Twitter plaatsen van de tenlastegelegde berichten, heeft opgeruid in de zin van artikel 131 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht tot het plegen van enig strafbaar feit. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met het voor opruiing vereiste opzet. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoe en wanneer wordt een ontnemingsvordering geldig aanhangig gemaakt?

Hoge Raad 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1572

De Hoge Raad stelt voorop dat het enkele feit dat de officier van justitie heeft nagelaten om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van een ontnemingsvordering kenbaar te maken, op zichzelf niet voldoende is om bij de betrokkene het gerechtvaardigde vertrouwen te wekken dat een ontnemingsvordering achterwege zal blijven. Om die reden kan aan dit enkele verzuim niet het rechtsgevolg worden verbonden dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk wordt verklaard in de ontnemingsvordering. Wel kan het nadeel dat de betrokkene heeft ondervonden door het verzuim om tijdig het voornemen kenbaar te maken aanleiding geven tot een vermindering van de betalingsverplichting. Een dergelijke vermindering is mogelijk wanneer, gezien het door de betrokkene geleden nadeel, het vormverzuim in het concrete geval zo ernstig is dat niet kan worden volstaan met enkel de constatering van dat verzuim.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Uitspraak HR over formele rechtskracht

Hoge Raad 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1621

De strafrechter is in beginsel gebonden aan een besluit van een bestuursorgaan of aan een onherroepelijke beslissing over dat besluit van de bestuursrechter. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan die formele rechtskracht worden doorbroken. Bijvoorbeeld in de uitzonderlijke situatie dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling vanwege (strijdigheid met) fundamentele rechten of rechtstreeks werkend recht van de Europese Unie. Of als de wettelijke omschrijving van het delict ertoe dwingt dat de strafrechter zelf toetst of het besluit rechtmatig tot stand is gekomen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatie Weski in doorzoekingszaak

Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560

In strafzaken beschermt art. 98 Sv het verschoningsrecht door het in beslag nemen van vertrouwelijke stukken zonder toestemming te verbieden, waarbij de rechter-commissaris beslissingsbevoegd is. Tegen die beslissingen kan de verschoningsgerechtigde beklag instellen. Bij grote hoeveelheden digitale gegevens mag de rechter-commissaris onder strikte voorwaarden opsporingsambtenaren inzetten voor selectie, mits het verschoningsrecht gewaarborgd blijft. De strafrechter beoordeelt eventuele schendingen van dit recht in de strafzaak. Dit maakt aanvullende bescherming door de burgerlijke rechter overbodig; deze is daarom niet bevoegd in te gaan op beslissingen van de rechter-commissaris inzake inbeslagneming en selectie van gegevens.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheid OM bij overschrijding van de redelijke termijn in extreme gevallen?

Hoge Raad 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413

Als – onevenredig – tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, als de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, tot een vrijspraak kan komen. De door het hof vastgestelde gang van zaken kan zijn oordeel dat sprake was van een niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van de verdedigingsrechten die meebrengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging van de verdachte, niet dragen. Dat wordt niet anders als in de beoordeling wordt betrokken dat ook sprake is van andere nadelige gevolgen voor de verdachte, omdat niet zonder meer begrijpelijk is waarom deze gevolgen zich niet ervoor leenden te worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door middel van strafvermindering.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Mag het OM na het sluiten van een transactie toch vervolgen?

Hoge Raad 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1509

De Hoge Raad vernietigt een uitspraak waarin het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaarde. Het hof oordeelde dat de verdachte aan een transactie met het Openbaar Ministerie in verband met een verdenking van witwassen, het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij ook niet zou worden vervolgd voor een in het witwasonderzoek gerezen verdenking van overtreding van de Opiumwet. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de inhoud van de transactie blijkt dat die alleen zag – en gelet op het strafmaximum voor de Opiumwetdelicten dat hoger is dan het in artikel 74 Sr genoemde strafmaximum ook alleen kon zien – op de witwasfeiten. Ook uit de e-mailcorrespondentie tussen de officier van justitie en de raadsman van de verdachte kon het hof niet afleiden dat die ging over andere feiten dan witwassen. 

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geen cassatie mogelijk na kwijtschelding of vermindering van ontnemingsmaatregel

Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1470

Uit artikel 6:6:7 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een rechterlijke beslissing over de tenuitvoerlegging, waarvan in dit geval sprake is, niet aan enig gewoon rechtsmiddel is onderworpen voor zover in Hoofdstuk 6 van Boek 6 van dat wetboek niet anders is bepaald. Dat hoofdstuk bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beslissing als deze. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verzoeker niet in behandeling nemen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over oplegging beroepsverbod

Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1400

Als de rechter behalve een gevangenisstraf ook een ontzetting uit een recht oplegt, zoals bijvoorbeeld een beroepsverbod, moet die ontzetting uit dat recht minimaal 2 jaar en maximaal 5 jaar langer duren dan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf (artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht).

Read More
Print Friendly and PDF ^