HR: kennis die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek aanwezig is bij de FIOD moet niet zonder meer worden toegerekend aan de Belastingdienst

Hoge Raad 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1339

De klacht faalt voor zover zij berust op de opvatting dat kennis die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek omtrent de aangelegenheden van een belastingplichtige aanwezig is bij het onderdeel Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), bedoeld in artikel 3, lid 1, (thans) onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zonder meer moet worden toegerekend aan de inspecteur belast met de heffing van rijksbelastingen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beklag ex art. 12 Sv over niet-vervolging van (demissionair) minister-president en (demissionair) minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor ambtsmisdrijven

Hoge Raad 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1554

Klager deed aangifte tegen de (demissionair) minister-president en minister van VWS ter zake van 'misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid'. Nadat het OM weigert te vervolgen, wordt bij het hof een beklag op grond van art. 12 Sv ingediend. Het hof verwijst het beklag door naar de Hoge Raad, nu ministers ter zake van ambtsdelicten (direct) terechtstaan. De Hoge Raad oordeelt echter dat opdracht tot vervolging ter zake van dergelijke misdrijven slechts kan worden gegeven bij koninklijk besluit, of besluit van de Tweede Kamer en verklaart klager daarom niet-ontvankelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Uitkeringsfraude: Conclusie AG over medeplegen, opzet, kwaliteit & inlichtingenplicht

Parket bij de Hoge Raad 5 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:916

Het in art. 227b Sr gelegen verwijt is dat de inlichtingenplichtige opzettelijk heeft nagelaten de juiste gegevens tijdig aan de juiste instantie te verstrekken en hij aldus een wettelijke inlichtingenplicht heeft verzaakt. Ingevolge art. 17, eerste lid, Wet Werk en Bijstand en art. 17 van de Participatiewet is iedere belanghebbende verplicht niet alleen op verzoek, maar ook onverwijld uit eigen beweging aan het College van Burgemeester en Wethouders mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Behalve dat het in art. 227b Sr strafbaar gestelde feit een omissiedelict is, betreft het hier tevens een kwaliteitsdelict. De normadressaat van het artikel is immers de uitkeringsgerechtigde op wie de inlichtingenplicht rust.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Zijn salarisbetalingen o.g.v. een fictief dienstverband t.b.v. de verkrijging van een hypotheek afkomstig uit valsheid in geschrifte?

Hoge Raad 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1491

De Hoge Raad herhaalt in deze uitspraak relevante overwegingen met betrekking tot de vraag wanneer voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf als bedoeld in art. 420bis en 420ter Sr. Daarbij wordt antwoord gegeven op de vraag of salarisbetalingen op grond van een fictief dienstverband ten behoeve van de verkrijging van een hypotheek afkomstig uit valsheid in geschrifte?

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR verduidelijkt rechtspraak gebruik getuigenverklaringen & eisen eerlijk proces

Hoge Raad 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418

De Hoge Raad ziet mede in verband met de rechtspraak van het EHRM aanleiding deze als volgt te verduidelijken. Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over faillissementsfraude en gevolgen verandering van wetgeving (verlaagd strafmaximum)

Hoge Raad 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1398

Nu uit het wettelijk kader blijkt dat de regels van sanctierecht ten gunste van verdachte zijn veranderd ten aanzien van de ten laste van hem bewezenverklaarde gedragingen, die tot 1 juli 2016 strafbaar waren op grond van art. 343 (oud) Sr en sindsdien op grond van art. 344a Sr, had hof het uit art. 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met strafmaximum van 4 jaren gevangenisstraf behoren toe te passen in plaats van dat uit art. 343 (oud) Sr met strafmaximum van 6 jaren gevangenisstraf (vgl. HR:2011:BQ8193). De Hoge Raad casseert niet nu verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt. De door het hof opgelegde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van 10 maanden ligt immers ver onder het strafmaximum van art. 344a Sr, terwijl uit de strafmotivering naar voren komt dat het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf is uitgegaan van de concrete ernst van het strafbare feit en de persoon van de verdachte.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG en prejudiciële vragen over Wet voorkoming misbruik chemicaliën: interpretatie van voorval en marktdeelnemer

Parket bij de Hoge Raad 21 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:849

Nu zich niet het geval voordoet dat over de juistheid van de interpretatie van art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, meent de AG dat het in de rede ligt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De AG stelt voor een vraag te stellen over het begrip ‘marktdeelnemer’. Het gaat voorts in zeker opzicht om een vraag die aan de interpretatie van het begrip ‘voorval’ voorafgaat: eerst als de betrokkene marktdeelnemer is, kan sprake zijn van een meldingsplichtig voorval.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR-uitspraak over geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier (art. 425 Sr)

Hoge Raad 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1287

Het hof heeft onder meer bewezenverklaard dat de verdachte geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van hond 2. Het heeft overwogen dat het de verantwoordelijkheid van de verdachte was om ervoor te zorgen dat de honden, waaronder hond 2, bij het weggaan uit de woning niet zouden kunnen ontsnappen. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat hond 2 onder de hoede van de verdachte stond als bedoeld in artikel 425, aanhef en onder 2º, Sr. Dit oordeel is echter niet zonder meer begrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. betrekken van niet ten laste gelegde feiten bij strafoplegging

Hoge Raad 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1262

Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Leidt de verplichting tot het bij wijze van suppletie alsnog verstrekken van de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen tot een inbreuk op het nemo-teneturbeginsel?

Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1351

De op grond van artikel 10a AWR gedane mededeling van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen moet naar haar aard worden aangemerkt als materiaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige. Daaraan doet niet af dat die verklaring gebaseerd kan zijn op in de administratie van de belastingplichtige aanwezige facturen en andere documenten. Die in artikel 10a AWR verplicht gestelde mededeling mag dus niet worden gebruikt voor het bewijs dat die belastingplichtige een beboetbaar of strafbaar feit heeft begaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^