HR gaat in op betekenis onschuldpresumptie: ontnemingsprocedure kent eigen bewijsregels, geen “voldoende aanwijzingen” als niet buiten redelijke twijfel staat dat andere strafbare feiten zijn begaan

Hoge Raad 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523

De ontnemingsprocedure heeft een ander karakter dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan op grond van artikel 338 Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter echter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 511f Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Kan de voor wraking voorgedragen zittingsrechter zelf beslissen op het wrakingsverzoek?

Parket bij de Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:805

Nadat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 15 mei 2019 het hof wraakte, heeft de voorzitter van het hof de wrakingskwestie terzijde geschoven en de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgezet. De vraag rijst hoe in cassatie met deze (uitzonderlijke) gang van zaken moet worden omgegaan tegen de achtergrond van het wettelijke systeem, en met name de hiervoor weergegeven wrakingsregeling. Het middel geeft aanleiding een kwestie te bespreken die in het over wraking gewezen arrest van 25 september 2018 door de Hoge Raad nog uitdrukkelijk buiten beschouwing werd gelaten: kan de voor wraking voorgedragen zittingsrechter zelf beslissen op het wrakingsverzoek?

Read More
Print Friendly and PDF ^

Schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel: de schijn tegen bij contant ontvangen bedragen

Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1414

Namens de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat – kort gezegd – uit de belastinggegevens is gebleken dat de betrokkene een bedrag van €156.451 aan salaris zou hebben ontvangen. Uit onderzoek is weliswaar gebleken dat slechts €85.607,28 op zijn bankrekening is gestort, maar bij het aangaan van zijn dienstverband met D B.V. is met de betrokkene afgesproken dat een deel van zijn salaris via de bank zou worden overgeboekt en dat een deel contant zou worden uitbetaald, aldus de verdediging.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen over voldoen aan kwaliteitsdelict door belastingadviseur (art. 69 AWR)

Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372

Het eerste middel klaagt dat de verdachte in zijn hoedanigheid van belastingadviseur/belastingconsulent niet degene is die een bij de belastingwet voorziene aangifte heeft gedaan. Het tweede middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de verdachte ‘opzettelijk’ een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist heeft gedaan. Voordat ik beide middelen bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de relevante overwegingen weer.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Is de gewone raadkamer bevoegd kennis te nemen van een klaagschrift ex art. 552a Sv als klagers verdacht worden van een economisch delict?

Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1401

De onderhavige zaak heeft, zoals de rechtbank heeft overwogen in haar beschikking van 20 maart 2018, betrekking op een verdenking van een overtreding van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. In art. 1, onder 1, WED zijn overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens art. 32 Arbeidsomstandighedenwet aangewezen als economische delicten. Om die reden diende daarom in deze zaak een economische kamer als raadkamer op te treden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Moet alle niet aan Belastingdienst opgegeven omzet worden aangemerkt als “uit misdrijf afkomstig”?

Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377

In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. De aanwezigheid in een vermogen van bestanddelen met een criminele herkomst brengt op zichzelf nog niet mee dat het gehele vermogen als van enig misdrijf afkomstig dient te worden aangemerkt. (Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over beroepsverbod: ontzetting dient betrekking te hebben op recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan

Hoge Raad 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378

Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte om het beroep van bestuurder of feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon, dan wel een daarmee gelijkgestelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen uit te oefenen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wanneer is sprake van te duchten gevaar voor de openbare gezondheid (art. 173b Sr)

Hoge Raad 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1368

Het cassatiemiddel berust - in navolging van het in hoger beroep gevoerde verweer - onder meer op de opvatting dat gelet op de “wettelijke systematiek met betrekking tot grenswaarden” alleen sprake is van te duchten gevaar voor de openbare gezondheid, zoals bedoeld in artikel 173b onder 1° Sr, indien kan worden vastgesteld dat de concentratie van asbestvezels in de lucht ten minste 10.000 asbestvezels per kubieke meter is geweest. Die opvatting vindt, mede gelet op de tekst van artikel 173b onder 1° Sr en de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis van artikel 173b Sr, geen steun in het recht.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over meldplicht I&R-systeem

Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:731

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wet bevat geen regeling voor instellen cassatie door BP indien vordering n-o is verklaard of afgewezen en verdachte of OM niet in cassatie gaan

Hoge Raad 25 augustus 2020, ECLI:NL:HR:2020:1321

Artikel 421 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. In de strafzaak tegen de verdachte is geen cassatieberoep ingesteld door de verdachte of door het openbaar ministerie.

Read More
Print Friendly and PDF ^