Veroordeling algemeen directeur abortuskliniek voor valsheid in geschrifte en oplichting: verzuimd de benodigde maatregelen te nemen om fraude te voorkomen

Gerechtshof Den Haag 21 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2056 Verdachte was er als directeur verantwoordelijk voor dat de Stichting ten onrechte subsidie aanvroeg voor abortusbehandelingen van buitenlandse patiënten, waarvan in het geheel niet vaststond noch was gecontroleerd of zij daadwerkelijk hiervoor in aanmerking kwamen, door in strijd met de waarheid formulieren in te vullen. Hierdoor heeft zij de verzekeraar bewogen tot afgiften van geldbedragen waar de Stichting achteraf geen recht toe had.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd:

  • Feit 1: Verduistering in dienstbetrekking.
  • Feit 2: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan valsheid in geschrift.
  • Feit 3 primair: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan verduistering.
  • Feit 3 subsidiair: Feitelijk leidinggeven dan wel opdracht geven aan oplichting.
  • Feit 4 primair: Witwassen.
  • Feit 4 subsidiair: Schuldwitwassen.

Vrijspraak

Feit 1

Naar het oordeel van het hof is overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.

Feit 3 primair

Voorts is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd, gelet op het ontbreken van bewijs voor het tijdstip van het ontstaan van het oogmerk van de wederrechtelijke toe-eigening van de tenlastgelegde bedragen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Feit 4

Ter zake van feit 4 is het hof van oordeel dat de verdachte als feitelijk leidinggevende slechts verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onterechte ontvangst van subsidie voor niet subsidiegerechtigden over de jaren 2007 en 2008. Dit betreft een bedrag dat op het totaal van de begroting van de Stichting van dusdanig geringe omvang is, dat het niet aangaat salarisbetalingen uit het overigens rechtmatig verkregen budget van de Stichting als witwassen aan te merken, laat staan de handelingen die verdachte ten aanzien van haar salaris heeft verricht, aangezien het hof bij het bepalen van een oordeel over feit 4 alleen heeft te oordelen over het handelen van de verdachte en niet over het handelen van de Stichting. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde gedragingen, nu zij daarmee geen feitelijke bemoeienis heeft gehad en zij daarvoor, gezien de interne organisatie, ook niet verantwoordelijk was.

Oordeel hof

Verdachte droeg binnen de organisatie als visie uit dat vrouwen die bij de stichting aanklopten voor een abortus geholpen dienden te worden ook als zij daarvoor niet of niet geheel konden betalen. Er werd niet vastgelegd wie welk bedrag contant had betaald, zodat niet te verifiëren was welke patiënten betaalde hulp hadden ontvangen. Verder werd niet vastgelegd of en zo ja, op welke manier, was vastgesteld of een patiënt subsidiegerechtigd was. Uit diverse verklaringen van medewerkers van de kliniek blijkt dat de verdachte hiervan op de hoogte was en terughoudendheid voorstond en ook uitdroeg als het ging om het vaststellen van de woonplaats van patiënten in verband met al dan niet vermeende schending van privacy bepalingen. Verdachte was als algemeen directeur verantwoordelijk voor de subsidieaanvragen en de administratieve onderbouwing daarvan. Zij oefende geen controle uit op het tot stand komen van de cijfermatige basis onder de subsidieverzoeken.

Door enerzijds te bevorderen dat er ondeugdelijk werd geadministreerd en anderzijds geen controle uit te oefenen op het proces van subsidieaanvragen en de onderbouwing daarvan, heeft verdachte als algemeen directeur verzuimd de benodigde maatregelen te nemen om fraude te voorkomen en daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ten laste gelegde gedragingen konden plaatsvinden.

Bewezenverklaring

Feit 2: Valsheid in geschrifte, terwijl zij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Feit 3 subsidiair: Oplichting, terwijl zij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot voorwaardelijke een geldboete van €25.000 met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak medeplegen: de enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen feitelijk zijn gepleegd door verdachte en diens gedragingen aan de rechtspersoon zijn toegerekend, kan niet meebrengen dat verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5393 Aan verdachte is ten laste gelegd:

  • (medeplegen van) opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, door zelf verpakkingen van 100 milliliter te maken van gewasbeschermingsmiddelen zonder op de verpakking een etiket aan te brengen (feit 1).
  • (medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen biociden, door zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen te ontvangen en voorhanden te hebben gehad (feit 2).
  • (medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, doordat heeft hij, als distributeur van gewasbeschermingsmiddelen, geen registers heeft bijgehouden van de gewasbeschermingsmiddelen die hij heeft opgeslagen en/of op de markt heeft gebracht en/of die registers niet gedurende ten minste vijf jaar heeft bewaard (feit 3).

Vrijspraak feit 3

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘distributeur’ in de zin van artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden definieert in het eerste lid het begrip ‘distributeur’ als:

‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervoor zorgt dat gewasbeschermingsmiddelen of biociden in de handel verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothandelaren, detailhandelaren, verkopers en leveranciers.’

Het hof is van oordeel dat de rechtspersoon bedrijf in de onderhavige zaak als distributeur is aan te merken op grond van artikel 1.1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het hof acht het geen juiste interpretatie van dit artikel dat náást de rechtspersoon, óók elk personeelslid - althans één of meerdere personeelsleden - van deze rechtspersoon als distributeur is/zijn aan te merken.

In de onderhavige zaak gaat het hof ervan uit dat uitsluitend bedrijf als distributeur is aan te merken. Nu het hof verdachte niet ook als distributeur ziet in de zin van het hiervoor genoemde artikel, spreekt het hof hem vrij van het onder 3 tenlastegelegde.

Voor het verwijt dat verdachte tezamen en in vereniging met bedrijf heeft gehandeld, is naar het oordeel van het hof in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig. Daarom is ook geen sprake van medeplegen.

Vrijspraak medeplegen feit 1 en 2

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en bedrijf niet allebei als medepleger aangemerkt kunnen worden.

Het hof spreekt verdachte vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen. De enkele omstandigheid dat de verboden gedragingen feitelijk zijn gepleegd door verdachte - als manager van bedrijf - en diens gedragingen vervolgens aan bedrijf zijn toegerekend, kan niet meebrengen dat verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. Voorts is er onvoldoende bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte tezamen met één of meer andere personeelsleden van bedrijf het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Feit 1: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meermalen gepleegd.

Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 22 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, door zelf verpakkingen van 100 milliliter te maken van gewasbeschermingsmiddelen zonder op de verpakking een etiket aan te brengen.

Voorts heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen biociden, door zonder geldig bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen te ontvangen en voorhanden te hebben gehad.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een voorwaardelijke taakstraf  van 30 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot een voorwaardelijke taakstraf van 10 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraken hypotheekfraude

Gerechtshof Amsterdam 3 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1860 Ten aanzien van verdachte is de verdenking gerezen dat deze, al dan niet samen met medeverdachte 1 en 2, een inkomensverklaring en/of aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt en dat hij die heeft gebruikt om een hypothecaire lening te verkrijgen.

Na bestudering van het dossier en mede acht slaande op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, constateert het hof dat veel van de gang van zaken omtrent de aanvraag van de hypotheek door medeverdachte 1 onduidelijk is gebleven. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte samen met anderen, te weten medeverdachte 1 en/of medeverdachte 2, althans alleen, een inkomensverklaring en/of aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt en dat hij die heeft gebruikt om een hypothecaire lening te verkrijgen.

De verdachte heeft zijn broer, medeverdachte 1, in contact gebracht met de medeverdachte 2, die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaamheden verrichtte als hypotheekadviseur. Medeverdachte 1 heeft bij medeverdachte 2 geïnformeerd naar de mogelijkheden tot het kopen van een huis. Door zowel de verdachte als medeverdachte 1 is ontkend dat de verdachte bij die afspraken tussen medeverdachte 1 en medeverdachte 2 aanwezig is geweest. Uiteindelijk wordt besloten tot het indienen van een hypotheekaanvraag in verband met de aankoop van de woning aan de adres 2 te Amsterdam. Op basis van de door medeverdachte 1 en medeverdachte 2 ingediende gegevens wordt uiteindelijk een hypotheekovereenkomst afgesloten die de aankoop van de woning mogelijk maakt.

Het staat vast dat de verdachte voorafgaand aan de aankoop van de betreffende woning betrokken is geweest bij – in ieder geval – één bezichtiging van de woning. Na de aankoop van de woning is de verdachte, met zijn vrouw destijds, tevens betrokken geweest bij het klussen en inrichten van de woning. Voorts verblijft de verdachte af en aan in de woning, kennelijk variërend van enkele dagen tot enkele weken, met of zonder zijn dochtertje. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij medeverdachte 1 af en toe geld gaf voor zijn verblijf in de woning of als zijn broer wat krap zat. Ook andere familieleden droegen bij aan de betaling van de vaste lasten die gepaard gingen met de betreffende koopwoning.

Bij de doorzoeking is een boekje van de verdachte in beslag genomen met daarin enkele aantekeningen die verband lijken te houden met de gang van zaken omtrent de aankoop van de woning.

Voor zover kan worden vastgesteld is de verdachte niet daadwerkelijk bij het ondertekenen van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek betrokken geweest.

Gelet op het voorgaande is niet vast te stellen of de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten bij het valselijk opmaken van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek. Het enkele feit dat de verdachte een nauwe band heeft met zijn broer, hem helpt met het huis, daar regelmatig over de vloer komt en zijn broer af en toe helpt bij de aflossing van de hypotheek, maakt nog niet dat hij opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van de inkomensverklaring, noch dat hij het oogmerk heeft gehad op de misleiding van de hypotheeknemer met de valselijk opgemaakte inkomensverklaring en aanvraagformulier hypotheek. Ook het belang van de verdachte bij de (mogelijke) aankoop van het huis via zijn broer is onduidelijk gebleven. De verdachte en zijn partner hadden ten tijde van het ten laste gelegde feit immers wél een inkomen met de daarbij horende mogelijkheden tot de aanvraag van een hypothecaire lening.

De aantekeningen van de verdachte in het in de woning aangetroffen boekje, maken dit niet anders, aangezien er te veel onduidelijkheden blijven bestaan over de interpretatie van de inhoud en de strekking van die aantekeningen en ook in welke tijd deze zijn geschreven. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte zelf een hypotheek wilde aanvragen en zich in de aantekeningen afvroeg hoe zijn broer een en ander had geregeld met medeverdachte 2 en/of welke vragen hij dienaangaande nog diende te stellen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 3 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1868

Ook medeverdachte 2 (de hypotheekadviseur) wordt vrijgesproken.

Vooropgesteld zij dat de verdachten elkaar kennen vanuit de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam. Medeverdachte 2 heeft zijn broer medeverdachte 1 in contact gebracht met de verdachte, die ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaamheden verrichte als hypotheekadviseur. Medeverdachte 1 informeert bij de verdachte over de mogelijkheden tot het kopen van een huis. De verdachte is er vanuit gegaan dat medeverdachte 1 op dat moment reeds rijinstructeur was en daarmee over een inkomen beschikte. Volgens de verdachte heeft medeverdachte 1 stukken (jaarstukken en prognose) overgelegd ter onderbouwing van zijn inkomen (als startend ondernemer/ rijinstructeur).

De verdachte heeft medeverdachte 1, als een kennis uit diezelfde Marokkaanse gemeenschap, een steuntje in de rug gegeven door het inkomen van laatstgenoemde via een inkomensformulier door te geven bij de hypotheekaanvraag. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten gingen banken, in het bijzonder de bedrijf 2, soepel om met dit soort verklaringen en was de controle op het inkomen van de aanvrager minder stringent dan thans het geval is. De verdachte was als hypotheekadviseur bekend met dit gegeven.

Het tijdsverloop in het opsporingsonderzoek heeft het nadelige gevolg gehad dat het dossier met betrekking tot het door de verdachte verstrekte hypotheekadvies, incluis de daarbij behorende stukken en werkzaamheden, niet meer te achterhalen viel in 2012.

Het hof kan derhalve niet vaststellen of de verdachte zijn werk als hypotheekadviseur al dan niet naar eer en geweten heeft uitgevoerd.

Indien medeverdachte 1 inderdaad stukken aan de verdachte heeft overgelegd, is het mogelijk dat de verdachte deze onvoldoende kritisch heeft bekeken, maar zelfs bij een dergelijke constatering behoeft de verdachte nog altijd geen oogmerk te hebben gehad op de misleiding van de uiteindelijke hypotheeknemer. Het hof kan echter over het een noch het ander oordelen nu het bestaan en de inhoud van die stukken onduidelijk blijft.

Evenmin is komen vast te staan wat het belang van de verdachte zou zijn geweest bij het valselijk opmaken van de betreffende documenten. Er is geen enkel bewijsmiddel waaruit blijkt dat hij meer of anders betaald zou krijgen dan de voor hem normale provisie bij dit soort transacties, voor zover geldelijk gewin een drijfveer zou zijn geweest voor zijn handelen.

Bij deze stand van zaken kan, op grond van de vaststellingen zoals die zijn gedaan, niet worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met medeverdachte(n) bij het valselijk opmaken van de inkomensverklaring en het aanvraagformulier hypotheek mét het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. Evenmin volgt uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dat het de verdachte zelf is geweest die de betreffende inkomensverklaring en het daarop volgende aanvraagformulier hypotheek valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens valsheid in geschrifte. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Gerechtshof Den Haag 21 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2057 Verdachte heeft opzettelijk documenten vals opgemaakt op basis waarvan te hoge subsidie werd aangevraagd en is toegekend aan een Stichting.

Door de raadsman is bepleit dat het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, omdat er geen sprake is geweest van een redelijke en billijke belangenafweging omdat wel de verdachte en niet Persoon 1 en Persoon 2 zijn vervolgd.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie als onderscheidend criterium aangebracht dat het verdachte is geweest – en niet Persoon 1 en Persoon 2 - die de gewraakte en op de tenlastelegging vermelde formulieren aantal patiënten heeft opgemaakt die als grondslag dienen voor de subsidieaanvragen en dat de verdachte zulks ook niet heeft ontkend. Van strijd met het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken. Het verweer wordt daarom verworpen.

Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €5.000 met een proeftijd van 2 jaar. Bij de oplegging van de straf heeft het hof de media-aandacht in de onderhavige zaak meegewogen en het feit dat de verdachte inmiddels op gevorderde leeftijd is.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens deelname aan criminele organisatie die zich bezig hield met oplichting van de Belastingdienst en witwassen van de daaruit verkregen geldbedragen

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1891 Verdachte heeft zich in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 21 februari 2011 schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die zich bezig hield met oplichting van de Belastingdienst en witwassen van de daaruit verkregen geldbedragen. De verdachte en zijn mededaders hebben hiertoe de burgerservicenummers, DigiD-gebruikersnamen en –wachtwoorden, bankpasjes en pincodes van (onwetende) personen verkregen en hebben hiermee – langs digitale weg – aanvragen dan wel wijzigingen ten behoeve van toeslagen doorgevoerd en het hieruit verkregen geld van de Belastingdienst doorgestort op (andere) bankrekeningen en/of contant opgenomen. In het kader van de deelneming aan de criminele organisatie heeft de verdachte zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door een grote hoeveelheid digitale formulieren aanvragen en wijzigingen ten behoeve van de Belastingdienst valselijk op te maken en heeft hij zich bovendien schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

Aangifte of aanvraag in de zin van de wet

Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting alsmede ter zake van de onder 2 ten laste gelegde aanvragen dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van een aangifte dan wel aanvraag in de zin van de wet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Nu de verdachte ter zake van het onder 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde wordt vrijgesproken, behoeft het verweer van de raadsman hieromtrent bij gebrek aan belang geen bespreking. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de betreffende aanvragen als geschriften kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

Deelneming aan een criminele organisatie

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van (deelneming aan) een criminele organisatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheid dat tussen de verdachte en de andere(n) ook sprake was van een vriendschappelijk of familiair verband, maakt dit niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, geen termen aanwezig om naast de gevangenisstraf een geldboete op te leggen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1892

Een medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden.

Deelneming aan criminele organisatie

Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van (deelneming aan) een criminele organisatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheid dat tussen de verdachte en de andere(n) ook sprake was van een vriendschappelijk of familiair verband, maakt dit niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Den Haag 10 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1890

Een andere medeverdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

In het voordeel van de verdachte slaat het hof acht op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor dergelijke feiten. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte enige openheid van zaken heeft gegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Foutief gebruik door penitentiaire medewerkers van afstandsformulier voor een gedetineerde die weigert mee te werken aan het vervoer naar de rb, levert niet zonder meer valsheid in geschrift op

Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2754 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde 1 en beklaagde 2, beiden werkzaam bij Penitentiaire Inrichting, ter zake van valsheid in geschrifte.

Achtergrond

Op 6 februari 2014 behandelde de rechtbank Amsterdam de strafzaak waarin klager verdachte was. Klager, die in voorlopige hechtenis was gesteld en zich in de Penitentiaire Inrichting bevond, wenste gebruik te maken van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling. In afwachting van de parketmedewerkers die hem naar de rechtbank zouden overbrengen, werd hij overeenkomstig de geldende procedure overgebracht naar de wachtcel. Klager wilde niet meewerken aan insluiting in de wachtcel. Beklaagde 1, die toen functioneerde als teamleider beveiliging, en betrokkene 1, een penitentiaire inrichtingswerker, hebben klager de procedure uitgelegd. Zij hebben klager gewezen op de mogelijkheid om een verklaring te ondertekenen, inhoudende dat hij afstand deed van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Klager zei dat hij niet in de wachtcel wilde plaatsnemen, maar wel naar de rechtbank wilde gaan en geen afstand deed. Klager was aan het schelden, riep doodsbedreigingen en werd fysiek agressief. Inmiddels was beklaagde 2 ook gearriveerd. Omdat klager zo agressief was, was er de noodzaak tot ingrijpen en is klager uiteindelijk naar de isoleercel gebracht.

De inmiddels gearriveerde parketmedewerkers waren getuige van het gedrag van klager en besloten uit veiligheidsoverwegingen af te zien van transport van klager. Beklaagde 1 besloot in eerste instantie dat klager terug zou worden gebracht naar zijn cel. De parketmedewerkers verzochten de medewerkers van de penitentiaire inrichting om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagde 1 heeft een formulier “afstandsverklaring” dusdanig ingevuld, dat het inhield dat klager afstand deed van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak en dat klager weigerde deze verklaring te ondertekenen. De twee penitentiaire inrichtingswerkers hebben, overeenkomstig de procedure in het geval een gedetineerde weigert de afstandsverklaring te ondertekenen, deze verklaring ondertekend. Beklaagde 2 deed dit op verzoek van beklaagde 1. Beklaagde 2 had van betrokkene 1 vernomen dat klager wel naar de zitting wilde gaan.

De gemachtigde van klager heeft in zijn hoedanigheid van raadsman telefonisch contact opgenomen met de penitentiaire inrichting, toen klager niet op de terechtzitting van de rechtbank verscheen, omdat hij ervan uitging dat klager zou komen. Hij vernam toen dat klager geen afstand had gedaan van zijn verschijningsrecht en heeft dit aan de rechtbank gemeld.

Beklaagden hebben verklaard dat zij niet het opzet hadden weer te geven dat klager afstand deed van diens recht op aanwezigheid ter terechtzitting en om klager te benadelen. Het was hun intentie de parketmedewerkers ter wille te zijn, die gelet op het oponthoud snel wilden vertrekken en vroegen om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagden hebben verklaard dat zij niet eerder hadden meegemaakt dat een gedetineerde wel naar zitting wilde gaan, maar niettemin geen medewerking verleende. In de hectiek van het moment hebben zij het enige formulier waarover zij beschikten gebruikt, zonder na te denken over de portee van hun handelwijze. Uit de verklaringen van beklaagden blijkt dat zij er niet aan hebben gedacht een rapport of proces-verbaal op te maken, inhoudende de reden dat klager geen gebruik kon maken van de geboden transportmogelijkheid.

Naar aanleiding van de melding van het incident door de gemachtigde aan de officier van justitie heeft het Openbaar Ministerie de beklaagden erop gewezen dat zij verkeerd hebben gehandeld en dat zij verslag hadden moeten doen van de feitelijke gang van zaken.

Beoordeling van het beklag

Vooropgesteld moet worden dat het het hof heeft geschokt en verbaasd, dat slechts door het alerte handelen van klagers gemachtigde ternauwernood is voorkomen dat aan klager het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak - een fundamenteel rechtsbeginsel – werd onthouden. Het staat buiten kijf dat voor een adequate rechtsbescherming vereist is dat rechters kunnen vertrouwen op de juistheid van afstandsverklaringen. Het is dan ook verontrustend dat er aanwijzingen zijn dat de onderhavige zaak niet op zichzelf staat, maar dat soortgelijke feiten zich vaker hebben kunnen voordoen in penitentiaire inrichtingen.

Hoe ernstig de gevolgen van het handelen van beklaagden ook hadden kunnen zijn, dit leidt niet zonder meer tot toewijzing van het beklag. Daartoe heeft het hof immers te beoordelen of deze zaak met een gerede kans op een veroordeling aan de strafrechter kan worden voorgelegd; indien het antwoord op die vraag bevestigend is, heeft het hof te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is om het Openbaar Ministerie daartoe bevel te geven.

Voor een veroordeling wegens valsheid in geschrift is onder meer vereist dat beklaagden zich ervan bewust waren dat zij de afstandsverklaring valselijk opmaakten en dat zij het oogmerk hadden om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Hoewel bij eerste lezing van de afstandsverklaring moeilijk voorstelbaar is dat aan deze vereisten niet is voldaan, acht het hof de voor hun handelen gegeven verklaringen van de beklaagden plausibel. Beklaagden hebben onder hectische omstandigheden moeten improviseren en hebben daarbij niet onderkend dat het gebruik het enige hun ter beschikking staande formulier een verkeerde indruk zou wekken. Dit leidt tot de conclusie dat de kans op een succesvolle vervolging klein te achten is.

Ondanks de ernst van de kwestie ziet het hof onvoldoende aanleiding om een bevel tot vervolging te geven om die kleine kans op bewezenverklaring te beproeven. Inmiddels hebben leidinggevenden en de officier van justitie beklaagden gewezen op het onwenselijke van hun gedrag, zijn zij door de politie gehoord en is in raadkamer door het hof voorgehouden hoe ernstig de consequenties van hun handelen hadden kunnen zijn. Voorts is klager, door adequaat optreden van zijn raadsman, niet in zijn belangen geschaad.

Alles overwegende, is het hof van oordeel dat een strafrechtelijke vervolging te weinig toegevoegde waarde heeft.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag ex artikel 12 Sv: namens officier van justitie raadselachtige sepotbrief gestuurd

Gerechtshof Amsterdam 22 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2515 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde, wonende te Amsterdam, ter zake van mishandeling en bedreiging.

Klager heeft op 15 december 2014 aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging door beklaagde, een buurman. Volgens de aangifte ontstond een woordenwisseling met beklaagde, toen die zijn auto niet aan klager wilde uitlenen. Klager is door beklaagde geduwd. Beklaagde uitte bedreigingen en kwam met een krik in zijn hand naar klager toe lopen. Beklaagde sloeg klager met zijn vuist op de kin, hetgeen pijn deed maar verder geen letsel heeft veroorzaakt.

Beklaagde, gehoord als verdachte, heeft verklaard dat klager onredelijk werd toen hij hem zijn auto niet wilde uitlenen. Beklaagde heeft klager geduwd.

Net na het incident heeft beklaagde tegen een verbalisant gezegd klager een klapje in het gezicht te hebben gegeven en een krik boven zijn hoofd te hebben gehouden.

Volgens het ambtsbericht is de zaak namens de officier van justitie voorwaardelijk geseponeerd.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht een gerede kans aanwezig dat de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen op grond van de aangifte en de verklaringen van beklaagde tot een bewezenverklaring ter zake van mishandeling en bedreiging zou kunnen komen.

Dat is ook de opvatting van het Openbaar Ministerie.

In de brief die klager namens de officier van justitie heeft ontvangen is dat echter niet te lezen. In deze brief is ook niet vermeld dat het om een voorwaardelijk sepot gaat, te weten dat beklaagde niet zou worden vervolgd als hij gedurende een proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Aan klager is slechts bericht dat “bestuurlijke of semi-strafrechtelijke maatregelen” tegen beklaagde zullen volgen die “uit overwegingen van billijkheid en/of doelmatigheid” (die niet nader gespecificeerd zijn) de voorkeur verdienen boven strafrechtelijke vervolging. Het is begrijpelijk dat klager aan deze informatie geen touw heeft weten vast te knopen. Wellicht had het klager gerustgesteld als hem door het Openbaar Ministerie was duidelijk gemaakt dat werd bedoeld dat beklaagde niet zomaar met zijn gedrag jegens klager kon wegkomen en dat, als hij zich opnieuw jegens klager aan wetsovertreding zou schuldig maken, hij alsnog vervolgd zou worden voor het feit waarvan klager aangifte had gedaan.

Het hof heeft begrip voor dat standpunt van het Openbaar Ministerie.

Uit de stukken komt naar voren dat partijen in dezelfde straat wonen en elkaar regelmatig tegenkomen. In zulke gevallen ligt het in de rede incidenten niet te spoedig aan de strafrechter voor te leggen, om de verhoudingen tussen de betrokkenen niet nog meer te verstoren. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat - gelukkig - geen sprake is van letsel bij klager.

Onder deze omstandigheden kan het hof de wijze van afdoening van deze zaak door middel van een voorwaardelijk sepot billijken. Het hof acht het daartegen gerichte beklag kennelijk ongegrond.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Milieuzaak: OM niet-ontvankelijk wegens door de verdachte geaccepteerde transactieaanbod

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5184 De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.

Oordeel hof

In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.

De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:

“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”

Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.

Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:

“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”

Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.

De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.

Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.

Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.

In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.

De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging. Het transactieaanbod ziet op het ontvangen van het kribbenzand, terwijl de tenlastelegging ziet op hetsamenvoegen en/of in ontvangst nemen van dat kribbenzand.

In de brief waarin het transactieaanbod wordt gedaan wordt geen pleegdatum of -periode genoemd, maar gelet op de data waarop de in dat voorstel genoemde processen-verbaal zijn opgemaakt, begrijpt het hof dat de getransigeerde gedraging in dezelfde periode is verricht als het tenlastegelegde feit. Ook de plaats van de handeling is in het tractievoorstel niet genoemd, maar het hof begrijpt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier - onder andere pagina 3 van het relaasproces-verbaal - dat het gaat om het ontvangen van het kribbenzand op het terrein van de asfaltcentrale te Lelystad.

Op grond van het dossier en de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte is vast komen te staan dat medewerkers van verdachte de verschillende partijen kribbenzand naar de asfaltcentrale in Lelystad brachten en die partijen kribbenzand daar direct ‘op één hoop gooiden’. Het hof is van oordeel dat daarmee de verschillende partijen kribbenzand feitelijk werden samengevoegd. Het hof is daarom van oordeel dat er in tijd en plaats hoogstens een klein verschil bestaat tussen het ontvangen en het samenvoegen van het kribbenzand.

Conclusie

Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.1Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag art. 12 Sv tegen (bestuurders van) De Nederlandsche Bank afgewezen

Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2884 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen De Nederlandsche Bank N.V. en haar toenmalige directieleden (beklaagde 1, beklaagde 2, beklaagde 3 en beklaagde 4) ter zake van opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht in de periode 11-12 oktober 2009.

Beoordeling van het beklag

De aangifte

Door klager is in zijn hoedanigheid van indirect aandeelhouder en voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van DSB Bank N.V. op 19 oktober 2010 aangifte gedaan tegen beklaagden, DNB en haar toenmalige directieleden, wegens opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht in de periode 11-12 oktober 2009 (artikel 272 Sr).

Volgens klager hebben beklaagden in strijd met een op hen rustende wettelijke geheimhoudingsverplichting, vastgelegd in artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht, derden onverplicht geïnformeerd over een op handen zijnde aanvraag tot toepassing van de noodregeling ten aanzien van de DSB Bank.

De rechtbank Amsterdam heeft, na een besloten zitting, op 12 oktober 2009 rond 1.00 uur een eerste aanvraag van DNB tot het toepassen van de noodregeling ten aanzien van de DSB Bank afgewezen. De uitspraak is op dat moment niet gepubliceerd. Vanwege de schending van de geheimhoudingsplicht door beklaagden en de daaruit voortvloeiende in de media verschenen berichten is kort hierna een bankrun op DSB Bank ontstaan. Die maakte een toewijzing van een tweede aanvraag tot toepassing van de noodregeling onvermijdelijk. De noodregeling is op 12 oktober 2009 rond 11.15 uur van toepassing verklaard. Het voorgaande heeft volgens klager geleid tot het faillissement van de DSB Bank.

De aangifte van klager is door de officier van justitie geseponeerd op de grond dat geen sprake is van opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht. Voor zover door beklaagden informatie is verstrekt over de aanvraag van de noodregeling aan derden kunnen zij zich beroepen op een strafuitsluitingsgrond (noodtoestand en uitvoering van een wettelijk voorschrift).

Klager heeft onderhavig klaagschrift ingediend omdat hij zich niet met dit standpunt kan verenigen.

Standpunten in raadkamer

Zijdens klager is in raadkamer aangevoerd dat uit het tot op heden in deze zaak verrichte onderzoek is gebleken dat door beklaagden opzettelijk en actief derden zijn geïnformeerd over de aanvraag van de noodregeling, terwijl uit de wet niet voortvloeit dat beklaagden daartoe gerechtigd waren.

Subsidiair is sprake van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans door beklaagden dat de aanvraag van de noodregeling vroegtijdig in de openbaarheid zou komen en daarmee van voorwaardelijk opzet. Hiervoor wordt een drietal argumenten genoemd, kort weergegeven: het feit dat DNB geen protocol kent voor situaties als deze en ook niet anderszins intern voorzorgsmaatregelen had genomen, waardoor het risico werd geschapen dat er chaos zou ontstaan bij de informatieverstrekking en bij de handhaving van de geheimhouding; het feit dat er meer personen door DNB zijn geïnformeerd dan noodzakelijk was, onder wie bestuursvoorzitter van rechtspersoon, zoals uit het tot op heden verrichte onderzoek naar voren is gekomen; alsmede het feit dat aan de partijen, die geïnformeerd werden over de aanvraag van de noodregeling, niet gevraagd is geheimhouding te betrachten.

Klager stelt dat beklaagden alles op alles hebben gezet om hem uit de financiële wereld te verdrijven.

Volgens klager is verder strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk en dienen beklaagden zich voor de strafrechter te verantwoorden.

Beklaagden hebben zich op het standpunt gesteld – kort weergegeven - dat geen sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht. Het doen van vertrouwelijke mededelingen over de aanvraag tot toepassing van de noodregeling, zoals die zijn gedaan aan derden, past binnen de taak van DNB zoals haar toegekend in de Wft en was voor de uitvoering van haar taak vereist; de afweging of daarvan sprake is, is in beginsel aan beklaagden zelf voorbehouden. Het doel van het informeren van derden is steeds geweest om de aan beklaagden toebedeelde toezichthoudende taak op een goede wijze uit te oefenen. Daarvan maakte deel uit dat marktpartijen op de hoogte werden gesteld en dat maatregelen werden getroffen om consumenten op te kunnen vangen op het moment dat de noodregeling, zodra deze door de rechtbank was toegewezen, van kracht werd. De informatie die de betrokkenen ontvingen was bovendien beperkt tot het hoogst nodige voor de taak waarvoor zij ingeschakeld waren, zoals bijvoorbeeld bij de werving van callcenter medewerkers.

De advocaat-generaal is gebleven bij zijn advies dat het beklag moet worden afgewezen omdat aanwijzingen ontbreken dat sprake is van opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht.

Overwegingen van het hof

In het kader van de onderhavige procedure heeft het hof te beoordelen of te verwachten valt dat de strafrechter bij voorlegging van de zaak zal kunnen komen tot een veroordeling van beklaagden of één van hen ter zake van het door klager genoemde strafbare feit. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden. Bij deze beoordeling is het volgende wettelijk kader van belang.

Aan DNB is in de Wft een toezichthoudende taak toegekend, gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel (artikel 1:24 Wft).

Het hof gaat ervan uit dat de aanvraag tot toepassing van de noodregeling bij de rechtbank Amsterdam door DNB ten aanzien van de DSB Bank is gebaseerd op en tevens valt onder ‘vertrouwelijke gegevens of inlichtingen’, zoals bedoeld in artikel 1:89 Wft, lid 1. Door geen der partijen is overigens ter zake een andersluidend standpunt ingenomen. Uit genoemd artikel volgt niet een absolute geheimhoudingsplicht voor beklaagden ten aanzien van die gegevens of inlichtingen: het was hen slechts verboden om daarvan verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van hun taak of door de Wft werd geëist.

Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat beklaagden redelijkerwijs hebben kunnen oordelen dat het informeren van de desbetreffende derden, zoals uit het dossier gebleken, viel onder de uitvoering van hun wettelijke toezichthoudende taak. Dat in dat kader ook bestuursvoorzitter, in de hoedanigheid van bestuursvoorzitter van rechtspersoon, naar het oordeel van beklaagden geïnformeerd diende te worden, komt het hof niet onredelijk voor.

Van opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht door beklaagden - dus van het opzettelijk bekendheid geven aan vertrouwelijke informatie anders dan voortvloeiend uit de uitvoering van hun taak - is uit het dossier niet gebleken, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Er zijn geen aanwijzingen dat beklaagden buiten het kader van hun toezichthoudende taak derden hebben geïnformeerd over de aanvraag tot toepassing van de noodregeling of bijvoorbeeld voortijdig de pers over die aanvraag hebben ingelicht dan wel anderszins lichtvaardig met vertrouwelijke gegevens zijn omgesprongen.

In het midden kan blijven of het beter zou zijn geweest indien DNB had beschikt over een protocol voor situaties als de onderhavige, of als beklaagden in elk contact met partijen die werden geïnformeerd over de aanvraag van de noodregeling, uitdrukkelijk om geheimhouding zouden hebben gevraagd. Immers is ondenkbaar dat overwegingen dienaangaande zouden kunnen leiden tot het oordeel dat beklaagden bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de vereiste vertrouwelijkheid zou worden geschonden – met alle mogelijke gevolgen van dien voor de stabiliteit van het financiële stelsel, en voor medewerkers en klanten van DSB. Klagers overtuiging dat beklaagden er veel voor over hadden om hem uit de financiële wereld te verdrijven, maakt dit niet anders.

Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat op grond van de aangifte en de overige stukken een bewezenverklaring van het door klager gestelde strafbare feit zal volgen, wanneer de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd. Ook is niet aannemelijk dat nader onderzoek in deze zaak zal leiden tot de uitkomst dat wel bewezen kan worden dat door beklaagden of één van hen het door klager bedoelde delict is begaan.

Het hof zal de klacht dan ook afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Door deurwaarder opgemaakt verslag van een jegens die deurwaarder gepleegd strafbaar feit heeft niet dezelfde bewijskracht als een ambtsedig PV van een opsporingsambtenaar

Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2516 Klaagster heeft op 16 oktober 2014 aangifte gedaan van bedreiging door beklaagde, toen klaagster op genoemde datum in haar hoedanigheid van kandidaat-gerechtsdeurwaarder beslag ging leggen op de inboedel van beklaagde.

Beklaagde is door de politie als verdachte gehoord. Beklaagde heeft het feit ontkend. Beklaagde is niet vervolgd. Hierop is door klaagster een artikel 12 Sv-procedure gestart.

Klaagster heeft in raadkamer verklaard dat zij het gevoel heeft dat het Openbaar Ministerie haar beroepsgroep in de steek laat omdat naar aanleiding van deze en andere aangiften geen vervolging wordt ingesteld. Klaagster is ermee bekend dat collega’s van haar om die reden al geen aangifte meer doen van strafbare feiten.

Klaagster heeft gewezen op de bewijskracht van authentieke akten in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tevens heeft zij aangehaald dat het verminderen van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak door de regering tot doel is gesteld, hetgeen niet te verenigen valt met het op voorhand niet vervolgen op aangiften die op dergelijke zaken betrekking hebben.

De advocaat-generaal is bij zijn standpunt gebleven dat het beklag dient te worden afgewezen omdat niet is voldaan aan de bewijsminima zoals genoemd in het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt als volgt.

Evenals de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat geen sprake is van een zaak die met een gerede kans op een veroordeling aan de strafrechter kan worden voorgelegd, aangezien sprake is van onvoldoende bewijs.

In het strafrecht geldt een ander bewijsstelsel dan in het burgerlijk recht: volgens het bepaalde in artikel 344, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd slechts op basis van één getuigenverklaring worden aangenomen als het gaat om de waarneming van een opsporingsambtenaar die is neergelegd in een proces-verbaal.

Een authentieke akte heeft alleen bewijskracht ten aanzien van hetgeen daarin is opgenomen uit hoofde van de bevoegdheid van de steller van die akte. Waar de deurwaarder geen opsporingsambtenaar is en de deurwaarder – zoals in dit geval – geen specifieke bevoegdheden bezit als het om bedreiging gaat waarvan hij of zij slachtoffer is, zal voor een bewezenverklaring meer, ondersteunend, bewijs nodig zijn.

Daar komt bij dat blijkens de geldende rechtspraak zelfs in het geval dat een opsporingsambtenaar aangifte doet van een jegens hem gepleegd strafbaar feit, de in diens proces-verbaal opgenomen ambtsedige verklaring zonder afdoende steunbewijs niet zonder meer tot een bewezenverklaring zal leiden.

Het hof kan begrijpen dat klaagster graag zou zien dat aan haar in de hoedanigheid van kandidaat-deurwaarder afgelegde verklaringen vanuit een strafrechtelijk oogpunt bezien meer bewijskracht wordt toegekend, zoals thans bij verklaringen van opsporingsambtenaren het geval is, maar dat is – zoals hiervoor weergegeven - nu niet zo bij wet geregeld.

Zoals ook reeds in raadkamer besproken, richt klaagster zich met haar wens om de wet op dit punt aan te passen aan het verkeerde adres: de rechter is immers gehouden om het geldende recht toe te passen.

Gezien het voorgaande dient het hof het beklag af te wijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^